
‘Schijn eens bij, die duisternis zou zich hier ergens ophouden.’

‘Schijn eens bij, die duisternis zou zich hier ergens ophouden.’

Beeld: Hajnalka Dankovics
‘Is er eigenlijk al een musical over de stilte?’

Levi van Veluw, Landscape IV (2008)
Allemachtig! De natuur is overal! Je hoeft de deur maar uit te gaan. Recht vooruit, naar boven, naar beneden. Het maakt niet uit, rechts is evenveel natuur als links. Je komt ogen te kort en met maar twee oren en één neus is het behelpen. En dat 24/7!
Ik dacht altijd dat . . .
Maar nu . . .
Allemachtig!

Ziezo.
Eropaf!

Met het wereldverbeteren was het niks gedaan in de verre Achterhoek. We hadden gedacht in BBB-land overal omgekeerde vlaggen fier te zullen zien wapperen. Die zouden wij dan wel eens even recht hangen. Maar we zagen er geen. Misschien waren alle mensen het al roerend met elkaar eens. Dan hoef je elkaar ook niet te overtuigen. Wat doe je dan? We fietsten langs de met eiken omzoomde wegen. Het was koud. Af en toe zagen we een ree. Maar dat was dan ook alles.
Omdat we voor een bruiloft in Twente waren uitgenodigd dachten we even langs Losser te gaan. Daar wisten we de huidige minister van landbouwaangelegenheden vandaan te komen. We zouden hem kunnen opzoeken, dachten we, de omgeving goed in ons opnemen, en mogelijk achterhalen waar zijn frisse ideeën over de Agrarfrage hun voedingsbodem gehad moeten hebben. ‘Agrarfrage’? Ja, want begint Duitsland daar al niet?
“Wordt het al wat met het oplossen van het stikstofprobleem? zou onze Frage zijn, of de kwaliteit van het water?” Helemaal niet eisend, maar quasi argeloos, zoals een journalist van een human interest platform zou informeren of hij al een beetje kon wennen in Den Haag en of hij het een lollig baantje vond. Maar onze weg zoekend langs Enschedé raakten we onverklaarbaar terneergeslagen. Den Haag was ver, nog verder trouwens was de weg van Den Haag naar hier. En zat in Enschedé niet ook de messias van een andere club uit te hijgen van een andere missie? Die was nogal mislukt, leeggebloed, ter ziele, ten grave gedragen, dood als de pieren van het weiland dat zo vakkundig door onze tijdelijke buurman met drijfmest was geïnjecteerd. Zulke voorbeelden bemoedigen niet.
Toen we weer thuis geraakten hoorden we van het volksoproer in Loosdrecht. ‘Wij zijn Nederland!’ Er waren daar veel vlaggen. En vuurwerk, terwijl er niks te vieren was.
In studio’s weerklonk een roep om ‘een sterke man’, begrepen we. Iemand die ‘normen’ stelt. Maar roepen om een sterke man kan moeilijk een oplossing zijn, leert de geschiedenis. Kunnen we niet veel beter met z’n allen asiel aanvragen in dit door normenloosheid verscheurde en geteisterde land?

“Voorbij die boom, dacht ik, keer ik om.”
Chr. van Geel, Dank aan de koekoek (1980).

Ik zal een boom zijn
en ik zal de vogel zijn
die in me nestelt.
Ik zal de grond zijn
waar de boom in wortelt
waar de vogel woont.
Ik zal de wind zijn
en grond en boom en vogel
eindeloos strelen
en onder de boom zal ik de mens zijn
die dit dromend zal bestaan.
J. C. van Schagen

De Achterhoek bij Neede
Om te geraken waar wij dit weekend doorbrengen reden wij over de Sallandse Heuvelrug. Daar wist ik korhoenders strijden voor hun voortbestaan, althans in onze streken. Ze zijn er wel, in Zweden en Finland, maar hier te lande dreigen ze uit te sterven. Daarom worden ze nu in tientallen uit Scandinavië geïmporteerd, al een aantal jaren achtereen. Dat is een heilloze onderneming, niet eens vanwege de kosten maar omdat je dan het hele Salland terug moet brengen naar een staat die het al lang niet meer heeft.
Vanmorgen pas las ik het bericht in de krant dat vogelpark Avifauna grutto-eieren in een broedmachine laat uitkomen. Voor de wetenschap, zegt men. We weten te weinig van onze ‘nationale vogel’. Dat geloof ik meteen. Maar dat de schrikbarende terugval van het aantal grutto’s te maken heeft met de manier waarop wij dit land hebben ingericht, kan toch niemand ontgaan zijn.
Ik ga niks bewijzen, daar zijn wetenschappers voor. Anekdotisch bewijs is geen bewijs, maar toch. Toen wij gisteravond neerstreken op ons tijdelijk adres was een boer bezig zijn weiland met vloeibare mest te injecteren. De trekker zou een vervaarlijke indruk maken tijdens een speciale militaire operatie. Oogcontact met de bestuurder was niet mogelijk: hij zat veel te hoog. En denderde veel te snel. We konden hem niet vragen hoe hij over de avifauna van zijn agrarische productieperceel oordeelde.
Vanmorgen scheen de zon! Ik maakte de foto hierboven. Er viel geen vogel te ontwaren. Pastorale rust. Dodelijke stilte.
En nu waren we van zins de rest van de Achterhoek nog op de fiets verkennen.

Natural historian David Attenborough scans the ocean tide. National Geographic/Silverback. Photo by Conor McDonnell
Van mij mag iedereen koning zijn. Of koningin. Vooropgesteld dat je je dan ook koninklijk gedraagt, ’t is te zeggen: edel van gevoelens, edelmoedig in gedrag. ’t Is ook te zeggen: dat je goed voor alles en iedereen zorgt. En het koninkrijk moet er natuurlijk fatsoenlijk uitzien. Als het goed is, geeft een indruk van een land je meteen een idee van de koning die alles bestiert. Een koning die alleen denkt aan de parels op zijn eigen kroon is dat hoofddeksel niet waard, die stoot je subiet van de troon.
Toen ik kind was bestonden zulke koningen alleen in sprookjes. Nu ik tot wasdom ben gekomen – nee, ik zeg niet volwassen, alleen maar ouder, die zaken moet men goed uit elkaar weten te houden – vrees ik dat ik er toen niet ver af zat. Niet heel ver tenminste.
Ik moet het over Karel de Derde hebben, de koning der Britten. Ik houd Karel voor een verstandig mens. Onlangs nog attendeerde hij er een gelieerd staatshoofd – nee, ik zeg niet bevriend, vrienden en zakenrelaties kun je maar beter goed uit elkaar houden – nog op dat diens zelf opgezette kroon nogal potsierlijk stond. Dat deed hij hoffelijk kun je wel zeggen. En ook nog met koninklijke grapjes. Ja, de allure van Karel was ronduit koninklijk. Dat moet ook gezegd.
Karel is al oud maar beslist bij de tijd. Nóg ouder is zijn vriend. Die werd vorige week honderd. Stel je voor, een ééuw geleefd! Wat heeft die wel niet van de wereld en het leven daarop gezien?! Tijd voor een feestje, een gróót feest, want honderd worden niet niks en het ging om een grote vriend. Jammer dat hij er zelf niet bij kon zijn!
Karel dacht na. Een felicitatiekaart dan maar? Hij in zijn kasteel aan het schrijven, met zijn koninklijke vulpen. Gefeliciteerd! En dat je nog maar lang . . . Klaar. Hup, op de bus. Nou ja, die moest de lakei maar naar de brievenbus brengen. Maar daar en toen ging het mis.
Zijn handgeschreven felicitatiekaart strandde bij een boom die dwars over de koninklijke oprijlaan in het verre Schotland was komen te vallen. Daar kon de Landrover van zijn lakei niet over heen. Gelukkig was de hond van Karels vrouw mee. Dat is een zeer slimme hond, een bordercollie. Die aarzelde geen moment en nam met een elegante sprong de hindernis, overgenomen brief in de bek. Hond aan het rennen, dwars door het ganse koninkrijk. Dat lag er zeer fraai bij.
Maar ja, waar bergen zich verheffen houden zich ook dalen op. Een duizelingwekkende klif bleek een hindernis te veel voor de hond. Een arend zag dit evenwel, en toen, en toen . . .
Ik kan dit hele sprookje nu wel navertellen maar iedereen kan ook gewoon het filmpje bekijken dat koning Karel van de postbestelling had laten maken en dat hij bij het eeuwfeest aan de illustere genodigden van het eeuwfeest in de Royal Albert Hall liet vertonen ter compensatie van zijn eigen afwezigheid. Er kwamen aan te pas: voornoemde hond, een arend, een egel, een eekhoorn, een wezel, een das, ganzen, een otter, een zwaan, een eend, een vos, een hert en een uil. Voor wie het niet geloven wil, die oordele zelf: https://www.youtube.com/watch?v=r9mmSgMh6ws
Over de kwaliteit van het filmpje zal niemand mij horen. Ook niet over al die films die de honderdjarige vriend zelf in zijn lange leven over de natuur in The British Empire, ja, op onze hele planeet heeft gemaakt. Een samenvatting van al dat werk maakte die zelf al en die kun je gewoon op Netflix bekijken: David Attenborough: A Life on Our Planet (Een leven op onze planeet, 2020).
Wat mij ten aanzien van het koningschap van Karel dwarszit is hoe hij de BBC, óók een instituut, zo ver heeft kunnen krijgen een hele filmploeg het koninkrijk in te sturen om eens fraaie opnames te maken van een met voorbedachte rade in het honderd te lopen postbestelling. Wist hij dan tóch dat de posterijen in zijn koninkrijk suboptimaal werken? Maar dan had hij toch gewoon alsnog zelf de trein naar London kunnen nemen om zijn bijzondere vriendschap te eren? Nee, dit dunkt mij helemaal niet koninklijk.

Nachtegaal | foto Vroege vogels
Met de liefde van J. C. Bloem voor de natuur viel ’t nogal mee. Hij kon ook in de Dapperstraat wel gelukkig zijn. Geen kwaad woord over de Dapperstraat maar veel natuur vind je er niet. Over de innerlijke natuur van Bloem zal ik het maar niet hebben.
En dit overbekende kwatrijn dan?
Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht,
’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.
(J. C. Bloem, Avond, 1950)
Zeker, het gezang van die nachtegalen kan balsem voor de ziel zijn in een leeg en bitter bestaan maar volgens mij moet je bij Bloem ’s troost in de nood vooral denken aan Bloem ’s gedichten. Aan Bloem dus. En niet aan die luidkeelse zanger. Onsterfelijk was Bloem evenwel niet.
’t Kan ook anders. Twintig jaar ná Bloem dichtte Kopland dit:
OUD BUITEN
Het was zo mooi vroeger.
Maar de freule met de lekkere
kont is verdwenen met de tuinman
in de weiden, naar de geheimen van
bloemen en bijen op zoek zei ze.
De jachtopziener heeft de laatste
nachtegalen doodgeschoten voor
de schoorsteenmantel. Je lag
er maar wakker van zei hij.
Nesten hangen open en bloot in
de bomen. Iedereen kan het zien.
En in de nacht strompelt een koe
als een oude dichter uit de sloot
en doet op de stoep, bijgelicht
door makker maan, haar klappende
boodschap van vrede.
(Rutger Kopland, Alles op de fiets, 1970)
Hier wordt een illusie naar de schoorsteenmantel geschoten, en nog wel meer – er hangt vast ook zo’n hertengewei boven de schouw – maar met de Luscinia megarhynchos heeft ook dit gedicht niet veel van doen. Terwijl Kopland toch beslist veel meer van de natuur wist dan Bloem. Hij woonde in de grazige weiden. Maar dat is een ander verhaal.
Welk gedicht is beter? Bij welk levensinzicht voel ik mij het beste thuis? Kom zeg, het is het Songfestival niet.
En intussen denk ik terug aan de nachtegaal die we vorige week in het Diemerpark hoorde zingen, precies op in dat struwelige hoekje, vlak bij de Nesciobrug waar ik hem verwachtte. En aan die keer dat we ergens bij Egmond langs de duinen fietsten en er om de vijfentwintig meter een nachtegaal zijn nachtegaalste best deed. De vrouwtjes lieten nog op zich wachten.
En ik denk na over de terloopse opmerking die ik onlangs in een boek over vogelgedrag las dat het een rare misvatting is dat alleen de mannetjes zingen. En dat als dat in onze streken al wel zo lijkt te zijn dat vermoedelijk een heel recente evolutionaire ontwikkeling is. Het is meer zo dat de vrouwtjes niet meer zingen. Dat is een proces van eeuwen, van millennia. Of langer. En niemand weet goed uit te leggen waarom dit zo is.
In het park voor ons huis zitten geen nachtegalen. Wel hoor ik al bijna een uur lang een lijster boven het ochtendkoor uitkomen. Tjuwie, tjuwie, tjuwie!
Ik maak mijn vrouw er opmerkzaam op: hoor, die lijster! Maar ze heeft haar oortjes in. Het is niet zo dat vogelzang haar onberoerd laat maar ze wil mij gewoon niet storen in mijn matineuze overdenking. Lieve, lieve vrouw.