
Houtduif | foto Sjon_zoom / Zoom.nl
Tumult! Uit takken,
uit veertjes komt een houtduif
getuimeld – ontzet

Pleziertrein
Ik heb nog een oudere herinnering.
Donderdag 30 Juli 1896. Kijkt u het maar na in een oude almanak en u zult zien dat ’t klopt. Bestaan er nog almanakken? En winkels: tabak, snuif en sigaren?
Donderdag 30 Juli 1896. Ik zie nog de blauwe aanplakbiljetten. Goedkoope trein naar Nijmegen, 2e en 3e klas, ƒ 1,- heen en weer. En ik voel weer heel even de oude verwachting van toen, toen die dag nog komen moest.
Het geluid van de houtduif. Een weg in een vreemd land, hooge boomen alom. Het moet bij Berg en Dal zijn geweest. En het koeren van de houtduif. En de vreemde ontroering.
Dat is alles.
De rest is zakelijkheid. De menschen van de pleziertrein, die je overal tegenkwam. De Duivelsberg. En even weer een vreemde ontroering: die ruimte en dat licht. Alles was vreemd. Een opgetogen meisje, volwassen. Ze kan nog leven, ik leef ook nog. Een te duidelijke stem: “Zooiets zie je bij ons op de Jodenbreestraat toch niet.” Een steil pad naar beneden, te steil, m’n vader komt zittende terecht, halverhoogte.
En tegen den avond, de weg naar ’t station, al die groepjes menschen: de pleziertrein. Een man die op den rand van ’t trottoir staat en z’n hoofd beweegt en dan kotst. De pleziertrein.
In de nacht staan we stil op de rails. Het raampje is open, wij hooren ’t gelal uit de andere uit de andere wagens. Een man zit bij het portier. Waar zijn we? Hij wipt op om z’n kop uit ’t raampje te steken en praat naar binnen: “Maarsbergen!” Klap op z’n derrière. “Waarom berg je ‘m dan niet op?” Pleziertrein.
Maar ’t zachte koeren van die duif in de eeuwigheid. Dat steeds maar weer herleeft als ik een duif hoor koeren en soms alleen al als ik hoog-opgaand weelderig geboomte zie. Nijmegen, m’n vader, dat stuk weg, die boomen daar en die duif die koerde.
En de weemoed. Lang nadat die dag niet meer komen moest, hingen hier en daar nog die blauwe biljetten. Donderdag 30 Juli 1896. Goedkoope trein naar Arnhem en Nijmegen. De zoete pijnlijke en onbegrepen weemoed dat ’t voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou.
Dat is alles.
En een vreemd gevoel van onvergankelijkheid.
19 Februari 1942
(Nescio)
_____
Opm.
Nescio (J.H.F. Grönloh, 1882-1961) is 14 als hij met z’n vader vanuit Amsterdam met de trein een uitstapje naar Nijmegen maakt. Hij hoort er een houtduif koeren.
Als hij in 1942 zijn literaire nalatenschap ordent komt de herinnering bij hem boven. Hij is dan nog geen zestig; de ‘zakelijkheid’ laat hij voor wat het is, én de Holland-Bombay Trading Company, én de oorlog.
Ik las het toen ik ongeveer 14 was, in de Nimmer Dralend-reeks. Dat boekje heb ik nog steeds, gehavend en met potloodaantekeningen van een halve eeuw.
Na ons pensioen wonen wij nu ‘over ’t IJ’, niet ver van waar Nescio aan de Laanweg met zijn jonge gezin over het Waterland kon uitkijken. De stad bereikte je met de pont bij het Tolhuis. Het is dan het begin van de vorige eeuw.
Die pont vaart nog steeds.
En nu luister ik iedere morgen naar de houtduiven in het Baanakkerspark, dat er toen nog niet was.
Zakelijker krijg ik het vanmorgen niet.

Die stille triomf
voor de duif naar beneden zweeft
bevrijd, heel even

Houtduif op nest
Het visuele beeld van die duif met een olijftak in z’n bek is hardnekkig. Sommigen, nee velen, blijven liever geloven in een fantastisch verhaaltje dan te kijken naar de natuurlijke werkelijkheid. Zie daar de hoofdbron van veel misverstand, ruzie, en uiteindelijk oorlog. Vrede brengt die duif geenszins, ook niet symbolisch. Daar weten ze alles van in wat wel genoemd wordt Het Heilige Land. Olijfboom zijn aldaar, en vrucht dragen, en mensen een bestaan geven, oud worden, en de geleefde eeuwen uitdrukken in karaktervolle kronkelingen van stam en takken, en daarin duiven en andere vogels onderdak verlenen, is in die streken aan de oostelijke Middellandse Zee een helse uitdaging. Over de Heilige Geest, die verondersteld wordt zich als duif te vermommen, valt beter te zwijgen dan te zwijmelen.
Met het oog op de verontrustende stijging van de waterspiegel en de ophanden zijnde extinctie van wel heel erg veel levende wezens kan het geen kwaad nog eens te kijken naar de bron van deze fantasie, het verhaal van Noah en zijn ark. Aan de retorische of poëtische kracht van dat oudtestamentische verhaal wil ik niet morrelen. Maar als je de versie uit het Bijbelboek Genesis (opgetekend plusminus de 6e of 5e eeuw voor onze jaartelling) met de oudere versie uit het Gilgamesj-epos of het nog weer veel oudere Sumerische zondvloedverhaal dan valt die duif met olijftak wel erg op. Zou dat komen doordat juist die boom het daar geweldig goed doet? Ook de olijfboom is een taaie. Hoe dan ook, mensen zijn dit verhaaltje al zo’n tweeëneenhalf millennium voor waar gaan houden. Alle mensen? Nou ja, niet allemaal.
De overlevering wil dat Charles Darwin op het idee van de evolutietheorie kwam door de vinkjes van de Galapagoseilanden. Daar is zeker iets van waar maar belangrijk denkwerk kwam toch in de duiventil bij Down House tot stand. Hij hield er (sier)duiven, bevroeg duivenfokkers in den lande hoe zij dat deden en onderzocht zelf ook experimenteel kunstmatige selectie van eigenschappen. Zo veronderstelde hij dat alle duiven moeten afstammen van één enkele oervader, de rotsduif. On the Origin of Species (1859) gaat over natuurlijke selectie maar het een is niet denkbaar zonder het andere. Duiven melken bleek inspirerender voor wetenschappelijk inzichten dan het ontkrachten van de complottheorie, die het zondvloedverhaal in essentie is.
De ecologische ineenstorting is toch echt het gevolg van menselijke activiteit, maar in Darwin ’s tijd was het nog niet zo ver dat hij zich daarmee ook al bezighield. Met de olijftak dus evenmin. Binnenshuis bewaarde hij zo de vrede want zijn vrouw was op het dweperige af gelovig. Dit houd ik voor zeer verstandig.
Onze stadsduif een afstammeling van de rotsduif? Ja zeker! En de tortels, de holenduif en de houtduif ook? Ja zeker! DNA-onderzoek toont aan hoe alle duivensoorten in een familie met elkaar verbonden zijn. Op deze zonnige zondag wil ik even niet een rouwklacht aanheffen over de dodo en de trekduif die ook tot die familie behoorden. Het ‘succes’ van al die andere duiven maakt wel duidelijk dat de soort tot soms wonderbaarlijke overleving in staat is. Daar komt geen ark aan te pas.
Van alle bijzondere eigenschappen van de duiven noem ik er één. Neem een duivennest, bijvoorbeeld van de houtduif. Nee, stel je je dit voor: neem een bundeltje mikadostokjes en laat die boven de oksel van twee stammen los. Wat blijft liggen is voor die duif genoeg. Dat is het hele nest en daarin worden de witte duiveneitjes gelegd. En uitgebroed. Zo krijg je nieuwe duifjes. Is dat niet fantastisch?

Pablo Picasso (1881-1973): idee van een duif
Op het terrein van de symbolen staat een kouwe kermis. Symbolen lijden een schijnbestaan en als je dat voor de werkelijke wereld houdt belandt je vroeg of laat in je blote kont op de kouwe keien. Neem die duif die Picasso in 1949 creëerde: heeft die vrede gebracht soms? Vanaf dat-ie nog een jongetje was heeft Picasso duiven getekend, honderden moeten er daarvan bewaard zijn gebleven. Nou kun je wel beweren dat-ie dat niet onverdienstelijk deed, vliegen doen die vogels niet. Dat een van die duiven op een poster voor het eerste Wereldvredescongres te Parijs terecht kwam is een toevallige samenloop van omstandigheden. Dat die duif vrede in de wereld zou brengen was een vrome veronderstelling. Nu heb ik in het geheel niets tegen wereldvredescongressen. En al helemaal niets tegen duiven. Maar als je ze natekent, of schildert, of macrameet, heb je een nagetekende of geschilderde of gemacrameede duif. Als je er van houdt doen die het goed aan de wand. Desnoods van een museum.
Voor de echte duiven hoef je nooit ver te zoeken. De houtduif is een van eerste vogels die ik ’s ochtends op het balkon hoor. De fagot van het ochtendorkest: roe-koe-koe-roe-koe! Precies dat. Nooit eens ‘roe-koe-koe-roe-koe’. Of roe-koe-koe-roe-koe.’ En altijd precies tot vijf geteld, nooit eens vier of zes.
Als je er op gaat letten hoor je meteen of je met een houtduif, een holenduif, een Turkse tortel, een zomertortel of een ‘stadsduif’ van doen hebt. Stadsduiven bijvoorbeeld koeren maar een eind heen. Ze hebben wel een gevoel voor ritme maar waar het liedje eindigt is altijd onbestemd. Of het interesseert ze gewoon niet, kunnen ze niet tellen. Of ze hebben het gewoon te druk met seks, want daar draait het bij duiven de hele dag om. Dat denken sommige mensen tenminste, maar ja, sommige mensen denken ook de hele dag aan seks. Wie heeft er dan een obsessie?
De kwestie is dat wij eigenlijk maar heel erg weinig van duiven weten. Misschien weten zij wel meer van ons. Op enig moment in de eindeloze evolutie zijn zij ons gaan volgen, cultuurvolgers bij uitstek. Gelet op hun aantallen gebeurde dat met succes, wat verwonderlijk is want de menselijke samenleving strekt zelden tot aanbeveling. Met al die ruzies en oorlogen enzo.
Nu had ik mij vanochtend wel graag overgegeven aan een bespiegeling over die echte duiven maar de gebeurtenissen hier te stede vragen aandacht. Ook al is mijn bijdrage aan World Pride Amsterdam en de Canal Parade van vanmiddag maar op afstand – wat toch wezenlijk iets anders is dan afstandelijk – over het gekozen symbool van de LHBTIQ+ gemeenschap toch nog een woordje. Een regenboog? Een regenboogvlag? Als dat maar goed begrepen wordt. Over vlaggen maak ik mij weinig illusies.
Picasso heeft eens duif en regenboog in een machtige schildering samen gebracht en het resultaat mag getoond:

Pablo Picasso: Vliegende duif in de regenboog (1952)
’t Ding zal het goed doen aan menige huiskamer- of museumwand maar ik heb het klapwiekende vermoeden dat die regenboog net zo veel gaat bijdragen aan ons begrip van de menselijke seksualiteit als dat die vredesduif uit 1949 ons inzicht gaf in vraagstukken van oorlog en vrede. Over de mens als heel wezen weten wij misschien nog wel minder dan van de duiven.
Vrede zij met allen! En een hemels seksleven!

Het aardige van symbolen is dat ze de wetten van de logica ontstijgen. Ze verwijzen naar iets dat groter is dan je als mens bij elkaar kan redeneren. De dichter is dol op symbolen. Ik spreek uit ervaring en mag er dienaangaande dus best een mening op nahouden.
Als ik bijvoorbeeld in een versje vermeld dat de scholeksters op leven en dood roepen dan bedoel ik dat hun kreten je door merg en been gaan *. Probeer maar eens te doen of je hen niet hoort: die redden nog maar net het vege lijf! Er staat wat er staat, letterlijk.
De uitdrukking op ‘leven en dood’ zet evenwel de poort open naar het dichterlijk domein waar geheimzinniger wetten gelden. Wie de sprong waagt naar die overdrachtelijke betekenis realiseert zich misschien dat het in de natuur nooit zo maar een spelletje is: het is eten of gegeten worden. Nou ja, dat is ook maar een opvatting. Vanuit het perspectief van wederzijdse afhankelijkheid, interdependency, is een heel andere opvatting mogelijk. Geheimzinnig inderdaad, maar ik wou even het niveau ontstijgen van to be or not to be. Laat staan dat ik mijn haiku in het licht durf te stellen van het werk van de schrijver van die regel. Of dat ik mij verhovaardig dat mijn versje leidt tot plotselinge verlichting. Ik bedoel, verlichting is mooi maar je kunt ook gewoon de lamp aan doen. Als je hierover gaat bakkeleien in termen van de alledaagse logica, maar ook in de termen van de formele logica, is het eind zoek. De kracht van een symbolische duiding is dat die figuurlijke duiding kan. De zwakte van een symbolische duiding is dat het niet hoeft. Er staat niet wat er niet staat. Ik bedoel: als je je geliefde een gouden ring omdoet, bedoel je ook niet het equivalent van de actuele goudprijs te schenken. Dit alles is erg verwarrend, kijk maar naar het aantal echtscheidingen. En nou moet ik het nog over de Nederlandse vlag hebben.
Als onderscheidingsteken heeft zo’n gekleurde doek een aanmerkelijk voordeel. Dan weet ik bijvoorbeeld dat ik mij van de taal kan bedienen die ik als kind geleerd heb en die ik nu ook al aardig spreek. Helemaal zeker is overigens dat niet en een andere taal vind ik ook spannend.
Nu zijn er mensen die nog een hele ris andere voordelen aan het rood-wit-blauw verbinden, identiteit bijvoorbeeld, en dan wordt het problematisch. Ik vind bijvoorbeeld niet dat ik dan ook privileges geniet die mensen die onder een andere vlag een andere taal geleerd hebben niet genieten. Ik kom dan in het domein van de interdependency en daar liggen de zaken nu eenmaal anders. Je gaat het pas zien als je door hebt, zoiets.
De vlag omkeren is Verwarring 2.0. Het is echt niet zo dat ik mij iedere morgen vertwijfeld afvraag hoe het met mijn identiteit gesteld is maar stellige uitspraken daaromtrent ondermijn ik even enthousiast. Op één en dezelfde morgen kan ik beweren dat ik een geweldig dichter ben en te zelfder ure nog dat ik een onverbeterlijke ouwehoer ben.
Mijn verwarring begint als ik dat rood-wit-blauw gepresenteerd zie als blauw-wit-rood, zoals de laatste dagen weer allerwegen vaak te zien is.
Sommige boeren doen dit. Niet allemaal maar toch, als de driekleur wordt omgekeerd kun je er zeker van zijn dat er ook boerenzakdoeken in de wind wapperen. Een symbool wordt omgekeerd in een ander symbool. Ik begrijp dat dat een boodschap heeft. Maar welke? Dat het hele land omgekeerd moet worden?
Dit is natuurlijk ongelofelijke flauw. Straks belanden we op het niveau dat ze daar zelf mee begonnen zijn en dat ze zelf alle omgeploegde land maar weer keurig moeten terugleggen, voor na voor, en er voor zorgen dat de beken en de andere watertjes weer lekker kronkelen, en de wormen weer terug zijn, en alle insecten, en de vogels. Dat soort gekmakende logica waaraan in deze tijden van polarisatie toch waarlijk geen gebrek is.
Maar wat nou, bedacht ik vanmorgen in een flits van verstandsverduistering, als ik met de vulpen waarmee ik mijn gedichten pleeg te schrijven, die met een massief 18 K gouden punt want anders gaat ‘t niet, fier omhoog geheven langs ’s heren wegen al demonstrerend en profeterend naar ’s Gravenhage toog om aldaar de huidige bestuurderen satori af te dwingen, daarbij enige haiku gevaarlijk dicht voor hun bestuurdersgezicht wapperend, alsmede de punt van mijn vulpen, dat zou toch wel zot zijn, is het niet?
_____
*
Zéér dringend is het
waarvan scholeksters reppen –
op leven en dood

Wrok, twist en wraak. Dat is het wel ongeveer wat Homeros ons te vertellen had over de staat van de menselijke beschaving in zijn tijd. O ja, hij had het ook over een ongeregeld zootje goden die op het speelbord van het menselijk bedrijf een potje zaten te Risken of te Monopolyen. Of uit arrenmoed maar dobbelden want spelregels maakten de zaak maar ingewikkeld. Welk spel er in die dagen in de mode was weet ik niet maar ’t kwam ook neer op wrok, twist en wraak.
Hierover mijmerde ik gisteren, op het strand, en met de golven die aanrolden kwamen mij besprekingen van die film van Christopher Nolan voor de geest. ‘t Belangrijkste lijkt mij te zijn dat je niet meer goed voor de dag kan komen als je die blockbuster niet gezien hebt. Qua diepgang leek mij met het commentaar van Emily Wilson het intelligentste wel gezegd. Zij heeft de meest recente vertaling van Homeros geleverd en daarop zou Nolan zijn ‘adaptatie’ hebben gefantaseerd. Welwillend zegt zij met haar kinderen een onderhoudende drie uur te hebben beleefd. En ook nog dat je in de bioscoop even niet aan de hitte hoeft te denken.
Ze zegt nog wel meer en dat is natuurlijk erg erudiet want ’t staat wel in de London Review of Books. Maar ik raakte benieuwd naar hoe zij met haar kinderen over het verhaal van Odysseus zou hebben gekletst. Met eruditie kom je dan niet ver. Weet zij een uitweg uit de noodlottige opeenvolging van wrok, twist en wraak?
Het geeft te denken dat zij de 21e eeuwer Nolan niet als een van Homeros ‘helden’ identificeert. Immers, zijn ‘vindingrijke’ verfilming van een stokoud verhaal levert hem vooral aanzien, en roem, en eer. En een kolossale buit aan centjes. Zijn maar al te 21e eeuws gesjoemel met morele vraagstukken doet waarachtig niet onder voor het ethisch gedobbel in de Griekse godenwereld. Als je iets uit de Oudheid wilt leren dan moet je beginnen met het inzicht dat wrok, twist en wraak alleen maar leiden tot wrok, twist en wraak. Lees de krant maar.
Zo lag ik te mijmeren. Filosoferen kun je het niet noemen, want toen ik bij het algemene vraagstuk van de hebzucht aanbelandde schrok ik terug doordien mij de leegschedeligheid van Gianni Infantino voor de geest kwam. En van voetbal word ik altijd een beetje zenuwachtig.
Daar gaf ik het dus op en verloor mij in het lijnenspel van de golven, liet mij betoveren door het lied van de branding, hoorde hoe de meeuwen door de opkomende vloed het luchtruim kozen en hun roep achterna joegen. Scholeksters trokken naar het land, moord en brand schreeuwend. Aan de horizon vervloeiden alle mogelijke tinten blauw van de lucht en het water. In het Noorden kwamen daar de kleuren van het strand en de duinen bij, daar leek zich een verdwijnpunt op te houden en ik keek en ik keek en ik keek
Toen de vloed op z’n hoogst was braken we op. Lopend over wat de zee over het strand aan het leggen was, mosselen en krabbetjes, scheermesjes, wier zagen we opeens iets zilverachtigs spartelen. Een spiering. Maar ’t kan ook een jonge makreel geweest zijn, in vissen herkennen ben ik niet geschoold. Het diertje in nood verduidelijkte in één oogopslag het woord amechtigheid.
Heel voorzichtig pakte ik het op en wierp het met een wijde zwaai terug in de zee. Er moet toch een andere taal zijn, een hoopvoller verhaal, bedacht ik toen we in het strandpaviljoen deze gouden middag beklonken, voor dit eenvoudige gebaar van hulp aan een drenkeling, of, in dit geval een vis op het droge, een drogeling. Kom mij niet aan met het idee dat dat visje nu denkt door twee langbenige goden te zijn gered. Vissen hebben al genoeg te stellen met de mensheid.

Sjoerd Mellema (1919-1987)
Op 29 juli 1987 belde mijn oudste broer mij vanuit Duitsland waar hij al sinds jaar en dag woonde dat mijn vader daar overleden was. Dat was plotseling. Aneurysma. Of ik de familie in Nederland wilde verwittigen.
In het digitale familiearchief dat mijn andere broer heeft aangelegd en dat hij nog steeds aanvult, vond ik deze foto. Ik heb hem zelf ooit gehad, gekartonneerd en ingelijst. Hoe die uit mijn leven verdwenen is, weet ik niet meer. De foto hierboven is precies gedateerd, ik denk het handschrift van mijn moeder te herkennen. Daartoe moet ze op enig moment de behoefte gevoeld hebben in de 27 jaar daarna dat ze zijn weduwe was. Zij moet hem in de Wieringermeer ontmoet hebben toen hij er ongeveer zó uitzag. Ze trouwden in 1942, op een Pinksterdag.
Mijn vader is die Februaridag in 1938 naar de stad Groningen gereisd om die foto te laten maken. Zo konden zijn ouders contact met hem houden want hij ‘ging weg’. ‘Weg’ was de Wieringermeer waar hij zijn geluk ging beproeven. Het was een emigratie.
Het is niet zo dat ik nu even zijn leven wil samenvatten. Als ik door het archief scrol zie ik duidelijk in dat ik in verhalen uit de vorige eeuw kijk. Had hij nog geleefd – 107 zou hij dan zijn geweest, onmogelijk is dat niet- dan had ik hem nog kunnen vragen of hij zich het moment herinnerde dat hij bij die fotograaf binnenstapte. Hij had zich erop gekleed, zich voorbereid, misschien eerst nog bij de kapper geweest. Het was een bijzondere dag. Zijn portret zou naast dat van zijn grootouders komen te hangen in die kleine woonkamer met de bedstede, de olielamp en de Franse pendule onder de stolp van dat nederige huisje in Kommerzijl. Het benauwde keukentje waar altijd wel een pan soep op het petroleumstelletje stond te pruttelen. Het hûske achter het keukentje, met het krantenpapier om je kont mee af te vegen, de geit van de buurman die aan de kool kwam knabbelen, de buurman zelf, de kerk aan het einde van de straat. Dat alles wat hij wilde ontkomen. En dat alles waar hij toch van hield.
Het is ook niet zo dat ik vandaag piëteitsvol bij zijn overlijden stil sta, of zijn leven gedenk Ofschoon ik wel stil ben, en ook piëteit kan voelen. Gemis? Verdriet?
Het is iets anders, iets groters en toch luchtiger. Er zit geen stolp om de tijd. Het begon ergens toen ik erachter kwam dat ik ouder was dan mijn vader geworden is. En dat is al weer een tijdje geleden. Het is gekomen op de dag dat ik besefte dat ik meer verleden heb dan toekomst. Als ik vanmorgen naar mijn vader op die foto kijk, en mij probeer voor te stellen hoe die dag voor hem is geweest, welke verlangens hij toen had, en wat er allemaal daarna is gebeurd, zie ik mijn eigen ogen waarmee ik de wereld bezag toen ik zelf 19 was. Ik ging toen ook uit huis en zou die wereld gaan veroveren.
Vandaag is een bijzondere dag. Net als gisteren trouwens. En morgen. Vandaag ook vieren we dat onze jongste kleindochter 8 is geworden.

Johannes Vermeer, Brieflezende vrouw in het blauw (ca. 1663)
Over kunst kun je maar beter geen al te absolute uitspraken doen. Vermeers Melkmeisje een ‘absoluut topstuk’? Pfff, dat jaagt de prijzen maar op en brengt kunstrovers op slechte ideeën. In dat gedicht dat ik gisteren citeerde drijft Szymborska de boel wel op de spits maar wie gevoelig is voor haar ironie doorziet dat we ‘het einde van de wereld’ niet al te letterlijk moeten nemen. Het is niet canon tegenover kanon, om zo te zeggen. Of toch wel? Ik begon al met een treurige opsomming van de pijn van deze tijd. En dan was ik Gaza nog vergeten. Het niet-gezegde maakt het erger. Over troost moet ik nog beginnen.
Szymborska noemt Rembrandt niet eens, terwijl dat heus geen onverdienstelijk schilder was. En van die paar handenvol schilderijen van Vermeer laat ze ook Gezicht op Delft onbesproken, ook een ‘absoluut meesterwerk’ Maar ja, dat hangt in het Mauritshuis, waar ze dat beweren. En zij was nu toevallig net in de eregalerij van ’t Rijksmuseum. Concurrentie. Maar had ze, dichteres toch, dan niet Brieflezende vrouw in het blauw gezien? Of sloeg ze de na eeuwen nog neerspattende melk gewoon hoger aan dan versjes? Hoe smaakt de melk in Polen?
Over smaak twisten is nogal dom maar je kunt het er best over hebben. Lang hield ik die brieflezende vrouw voor het mooiste schilderij ooit. Dat zou ik Szymborska gezegd hebben als ik daar naast haar had gestaan. ‘Kijk, je moet even naar rechts kijken.’
Een dag zou ik nodig hebben gehad om uit te leggen waarom. En dan had ik alleen nog maar woorden over het licht, dat zelf niet spreekt, en niet over die vrouw, die iets leest wat wij niet kunnen zien. Of over de stilte.
Maar mijn smaak is ook niet zo absoluut. Er is iets gekanteld in mijn etherische uitleg van ’t schilderij toen ik er achter kwam wat er op de wand achter die dame precies te zien is. Ik heb het opgezocht:

Balthasar Florisz van Berckenrode, Landkaart van Holland en West-Friesland, uitgegeven door Willem Jansz. Blaeu in 1621
Over de betekenis van landkaarten in de 17e eeuw is al een hoop beweerd, dat ga ik niet overschrijven. Vermeer bezat mogelijk zo’n kaart want hij gebruikt ‘m vaker. De zijne dateert uit 1621 en daarop kun je alleen met een vergrootglas navigeren. Maar als je inzoomt op een kaart uit precies de tijd dat Vermeer met melk en brieflezen bezig was, zie je dit:

Daniel van Breen, De Beemster, 1658
Mijn vliedende gedachten en gevoelens breng ik nu maar even niet in kaart. Maar Vermeer denkt in Delft aan De Beemster? Begon daar de agrarische rampspoed niet waarvan het einde nog niet in zicht is?
Natuurlijk kon Vermeer dat toen niet weten maar wat als je in de huidige tijd een fijnschilder, laten we zeggen Henk Helmantel uit Westeremden, eens z’n gang laat gang. En die schildert een jonge vrouw naar zijn opvatting van vrouwelijk schoon, zo precies als hij dat kan, dus compleet met gezichtpiercings. En die laat-ie op haar mobiel turen naar haar schermpje. Om het even of dat WhatsApp, TikTok of een berichtje van haar vrijer is, we kunnen toch niet meelezen. En achter de dame in kwestie projecteert de schilder dan een panorama van de Wieringermeer. Dan vraag je je toch ook niet af of dat vlakvulling is? Probeer dan maar eens niet te denken aan Microsoft of Google die daar de voorbereidingen treffen nóg groter te worden, nota bene op het land van wijlen Sicco Mansholt.
Maar ik sta niet naast Szymborska in de eregalerij van ’t Rijksmuseum. Over sloopmelk zou ik dan trouwens ook niet zijn begonnen. Misschien wel over troost.

Johannes Vermeer, Een Meyd die Melk uytgiet (ca. 1658-1659)
Vermeer
Zolang die vrouw uit het Rijksmuseum
in geschilderde stilte en concentratie
uit een kan in een schaal
dag na dag
melk giet,
verdient de wereld
het einde van de wereld
niet.
Wisława Szymborska, Hier, 2009 (Vert. Karol Lesman)
_____
Opm.
Gelet op het inferno in Zuid-Europa, gelet ook op het inferno in oostelijk Europa dat nóg uitzichtlozer lijkt dan de verrichtingen in W.O. I, gelet verder op de inspanningen in Iran om van dat land nóg prachtiger ruïnes te maken dan ons uit de Oudheid resten, gelet voorts op alle andere brandhaarden in de wereld, groot (Afrika) en klein (Berlijn), gelet bovenal op het stiller worden in de natuur, is de mensheid blijmoedig op weg naar het einde. Als het aan Szymborska had gelegen verdienen wij dat niet.
Zij bezocht het Rijksmuseum, en ook het Mauritshuis, in juli 2008. Vermeer had al heel lang haar bijzondere aandacht (“In mijn dromen / schilder ik als Vermeer van Delft”, Lof der dromen (1972) en op ooghoogte staande voor Het Melkmeisje, moet haar ingevallen zijn dat het bij Vermeer altijd gaat om stilte en concentratie. En dat als die er maar zijn alle onheil zou afgewend zou kunnen worden.
Dat het schilderij er nog hangt, en de wereld nog draait, is geen bewijs voor haar stelling. Het was een mooie gedachte, uit bewondering, zeker, uit herkenning van die stilte en concentratie, wellicht, een intense wens, misschien. Zij overleed, voor haar dichtwerk in 1996 Nobel geprezen, op 1 februari 2012, 88 jaar oud.
Misschien komt er een tijd dat ook haar gedichten niet meer gelezen worden. Zeker is niks.