Ex Libris Jac. P. Thijsse | ontwerp B.W. Wierink (1856-1939)
Jac. P. Thijsse had een fraai Ex Libris: onbekommerd zingt een groepje spreeuwen op zwiepende takken tegen de wind in. Bij Thijsse gaat de zon altijd op. Velen vinden dat dat Thijsse ten voeten uit was. Ofschoon hij vanaf 1922 deftig zijn doctorstitel voerde (doctor honoris causa wegens zijn enorme verdiensten) liet Thijsse zich nooit op academische geleerdheid voorstaan. Was hij zich bewust van het uitzonderlijke van wat wij nu zijn ‘sociale stijging’ zijn gaan noemen? Of is het toch oprechte bescheidenheid?
Het is nou ook weer niet zo dat hij zich vergeleek met ‘het straatschoffie onder de gewone vogels’, de spreeuw. Hij ging altijd in driedelig kostuum. Maar er waren volgens hem geen ‘gewone vogels’. En verder, en trouwens: kijk eens goed naar het verenkleed van een spreeuw. Luister naar zijn virtuoze zang. Lees daar Het vogeljaar (1903) of Vogelzang (1938/1965) maar op na. Maar vooral in dat ‘onbekommerde’ moet hij zich graag hebben willen herkennen. In het ijverige misschien ook wel, het vlijtige. Jeumig, wat heeft Thijsse veel geschreven. ’t Is waar, ‘ijver’ en ‘vlijt’ horen bij de vorige eeuw toen dat nog gewoon op het schoolrapport stond. En Thijsse is zelfs geboortig uit de vóórvorige eeuw. They did things differently there.
Toen ik gisteren over Spinoza begon wist ik eigenlijk al wel dat Thijsse zich vermoedelijk nooit door de wiskundige architectuur van de Ethica heeft laten betoveren. En misschien snapte hij intuïtief ook wel dat het bedrijven van godsdienst maar een rare zaak is voor wie het liefst in de natuur ronddwaalt. Als je ’t mij vraagt liet ook de hele Systema Naturae van Linnaeus hem betrekkelijk koud, al noteert hij nauwgezet óók altijd de Latijnse namen van de vogels en planten die hij opmerkt. Of had dat weer met die gevoelde opstijging te maken?
In zijn brieven, en ook in zijn boeken, dringt hij er steeds op aan er zélf op uit te gaan, weer of geen weer: “Nu ben je lekker onderweg met de vogelgeluiden en ook voorgoed ‘verzonken’ in de heerlijkheid van het natuurleven, de openbaring van het onovertreffelijke. (. . .) Werk vooral onbevangen en ootmoedig, als een echte artiest” houdt hij een jonge bewonderaarster voor die zich wil toeleggen op het noteren van vogelzang en Thijsse daarbij om raad vraagt.
Er zijn nog andere mooie voorbeelden te vinden in de brieven en de wandelboeken (Marga Coesèl : Wanhoop nooit aan vooruitgang; brieven van Jac. P. Thijsse (Amsterdam 2012) en Nu ga ik er eens op uit; Wandeldagboeken 1884-1898 (Amsterdam 2021). Spinoza laat ik maar weer even in de kast, die kan wachten. Die wacht al eeuwen.
Hier in mijn buurt zie je jammer genoeg bijna nooit spreeuwen. Hoe dat komt weet ik niet precies. Denkelijk is de buurt te keurig. Huismussen zijn er ook al nooit. Daarvoor moet ik er dus op uit, wat helemaal niet erg is. Voor de voorpret alvast dit:
Spreeuw
Had niets te beweren te klein voor veren te nat om bruin te heten en snavel dicht ook tegen eten.
Maar werd een hoogst warmpotig geleerde specialistisch geïnteresseerde zeehondgeveerde vetervereerder.
Frivoolkelige imitator een parel-bespetterde wezel, een vliegende ongeletterde triomfator.
Van VPN wist ik alleen dat je dat kunt gebruiken als je niet wilt dat ook maar iemand kan zien wat je op het internet doet. In een ver land bijvoorbeeld, dat bestuurd wordt door lieden die opvattingen hebben over hoe het leven geleefd moet worden. En als je dan andere opvattingen hebt, dan mag dat niet. Op straffe van. Meestal erg erge straffen.
Maar nu bedien ik mij zelf opeens van een VPN om in dit blog te kunnen schrijven. Om onopgehelderde redenen herkende mijn eigen netwerk mijn Zinrijk niet meer. Dat begon vorige week, op vrijdag. Dat dat toevallig Goede Vrijdag was en ik mijn bloedeigen site niet meer binnen kon komen is niet oorzakelijk verbonden. Over het erop volgende lijden zal ik niet hebben. De wereld draaide door, werd althans niet beter en werd althans niet slechter. Wat de wereld betreft wou ik het daar maar bij laten. Wat het persoonlijke aangaat: het is nu eenmaal zo dat wie in zijn dagelijkse routine gestoord wordt, ongemak ervaart. Het waren ongemakkelijke dagen, meer was het eigenlijk niet. Men moet die zaken uit elkaar weten te houden.
Gistermiddag kwam Mathieu. Hij verrichtte allerlei werkzaamheden die ik niet doorgrond aan mijn pc. Na allerlei doodlopende onderzoeken, het was al ver over etenstijd, kwam hij met het idee maar eens een VPN te proberen. Dit werkte. Mijn dank aan Mathieu grenst aan hondsdolheid.
Nu kan mijn tuin dus weer open. De bomen staan er al in bloei en overal kwinkeleren vogels van liefde en van lust. Ik kan er weer naar binnen. En het staat iedereen vrij ook in die tuin rond te dwalen.
Vanmorgen las ik over de gebeurtenissen in deze wereld. De Perzische Beschaving wordt toch niet naar het Stenen Tijdperk gebombardeerd, zo luidt het ondoorgrondelijke oordeel van het Opperhoofd van een Fossiele Beschaving. Over de oorzakelijke verbanden in ’s mans opperhoofd laat ik mij niet uit. Over de toestand in Teheran of Ispahaan is geen bericht.
[Toch, één ouder bericht:
DE TUINMAN EN DE DOOD
Een Perzisch Edelman:
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik, Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één ogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot, Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant, Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –
Van middag – lang reeds was hij heengespoed – Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.
‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt, ‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’
Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ‘t, Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,
Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan, Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.’
Ik zocht dit gedichtje van Judith Herzberg eigenlijk alleen maar op vanwege de vierde regel: ‘Honden lopen narcissen van de stelen.’
In mijn herinnering renden ze en juist dat uitgelatene wilde ik even teruglezen nu de lente is losgebarsten. Kleur, vreugde, geur, vogels kwinkeleren liefde en lust. Maar iedere lente is anders.
Waaraan dacht Herzberg toen ze de laatste regel schreef, ‘Het is al veel vaker dan vroeger’ ? Vast niet aan de klimaatverandering. Die had je in 1968 niet. Het moet iets kleiners zijn, het zijn kleine woorden. En tegelijk iets veel groters dan dat.
Waarom ik dat denk? Vanwege de eerste eendenkuikens die al wel heel donzig achter elkaar door de vijver peddelen. Vanwege wat ik vermoed van Herzberg. De geruststelling dat alles in de natuur, toch, zijn gang weer gaat. Vanwege het ongebroken verlangen naar voorjaar.
In mijn herinnering ging het vooral om die hond. Maar nu ik het gedichtje teruglees gaat het misschien meer om die jongen. Of komt dat door het kolossale morele dilemma waarmee Trump en Netanyahu ons dezer dagen hebben opgescheept? Hun haastig gefabriceerde zelfrechtvaardigingen zijn even stupide als die van de jongen: waarom de schijn van een internationale rechtsorde toch op willen houden?
Klimaat en wereldorde veranderen. Maar zoveel is óók zeker, het wordt weer voorjaar. Als dat niet zo zou zijn was er ook niemand meer om dat op te merken.