Met de liefde van J. C. Bloem voor de natuur viel ’t nogal mee. Hij kon ook in de Dapperstraat wel gelukkig zijn. Geen kwaad woord over de Dapperstraat maar veel natuur vind je er niet. Over de innerlijke natuur van Bloem zal ik het maar niet hebben.
En dit overbekende kwatrijn dan?
Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht, ’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen. Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht Zingen de onsterfelijke nachtegalen.
(J. C. Bloem, Avond, 1950)
Zeker, het gezang van die nachtegalen kan balsem voor de ziel zijn in een leeg en bitter bestaan maar volgens mij moet je bij Bloem ’s troost in de nood vooral denken aan Bloem ’s gedichten. Aan Bloem dus. En niet aan die luidkeelse zanger. Onsterfelijk was Bloem evenwel niet.
’t Kan ook anders. Twintig jaar ná Bloem dichtte Kopland dit:
OUD BUITEN
Het was zo mooi vroeger.
Maar de freule met de lekkere
kont is verdwenen met de tuinman
in de weiden, naar de geheimen van
bloemen en bijen op zoek zei ze.
De jachtopziener heeft de laatste
nachtegalen doodgeschoten voor
de schoorsteenmantel. Je lag
er maar wakker van zei hij.
Nesten hangen open en bloot in
de bomen. Iedereen kan het zien.
En in de nacht strompelt een koe
als een oude dichter uit de sloot
en doet op de stoep, bijgelicht
door makker maan, haar klappende
boodschap van vrede.
(Rutger Kopland, Alles op de fiets, 1970)
Hier wordt een illusie naar de schoorsteenmantel geschoten, en nog wel meer – er hangt vast ook zo’n hertengewei boven de schouw – maar met de Luscinia megarhynchos heeft ook dit gedicht niet veel van doen. Terwijl Kopland toch beslist veel meer van de natuur wist dan Bloem. Hij woonde in de grazige weiden. Maar dat is een ander verhaal.
Welk gedicht is beter? Bij welk levensinzicht voel ik mij het beste thuis? Kom zeg, het is het Songfestival niet.
En intussen denk ik terug aan de nachtegaal die we vorige week in het Diemerpark hoorde zingen, precies op in dat struwelige hoekje, vlak bij de Nesciobrug waar ik hem verwachtte. En aan die keer dat we ergens bij Egmond langs de duinen fietsten en er om de vijfentwintig meter een nachtegaal zijn nachtegaalste best deed. De vrouwtjes lieten nog op zich wachten.
En ik denk na over de terloopse opmerking die ik onlangs in een boek over vogelgedrag las dat het een rare misvatting is dat alleen de mannetjes zingen. En dat als dat in onze streken al wel zo lijkt te zijn dat vermoedelijk een heel recente evolutionaire ontwikkeling is. Het is meer zo dat de vrouwtjes nietmeer zingen. Dat is een proces van eeuwen, van millennia. Of langer. En niemand weet goed uit te leggen waarom dit zo is.
In het park voor ons huis zitten geen nachtegalen. Wel hoor ik al bijna een uur lang een lijster boven het ochtendkoor uitkomen. Tjuwie, tjuwie, tjuwie!
Ik maak mijn vrouw er opmerkzaam op: hoor, die lijster! Maar ze heeft haar oortjes in. Het is niet zo dat vogelzang haar onberoerd laat maar ze wil mij gewoon niet storen in mijn matineuze overdenking. Lieve, lieve vrouw.
Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel. Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten. Een opening en niets daarbuiten, maar wijd open.
Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht, noch mijn hoofd in de nek leggen om de hemel te aanschouwen. Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden. De hemel omwindt me strak en tilt me van onderen op.
Zelfs de hoogste bergen
zijn niet dichter bij de hemel dan de diepste dalen. Op geen enkele plaats is meer hemel
dan op enige andere. De hemel drukt even absoluut op een wolk als op een graf. De mol kan zich even hemels voelen als de uil die zijn vleugels wiegt. Een ding dat uit de afgrond valt valt van hemel in hemel.
Korrelige en rotsachtige, vloeibare, vlammende en vluchtige lappen hemel, kruimels hemel, vlagen hemel, stapels. De hemel is alomtegenwoordig zelfs in het onderhuidse duister. Ik neem hemel op, scheid hemel af. Ik ben een val in een val, een bewoonde bewoner een omhelsde omhelzing, een vraag in antwoord op een vraag.
De scheiding in aarde en hemel is geen geschikte manier om aan dit geheel te denken. Ik kan er alleen mee overleven op een preciezer adres dat sneller is te vinden, mocht ik worden gezocht. Mijn bijzondere kenmerken zijn geestdrift en vertwijfeling.
(Wisława Szymborska, Einde en begin (1993) / Vert. Gerard Rasch
_____
Opm.
Wisława Szymborska (1923-2012) werd in 1996 verrast met de Nobelprijs voor de Literatuur. De zelfverklaarde letterheren en letterdames keken daar van op: ‘huisvrouwenpoëzie’, meenden ze. Vermoedelijk hadden die zich niet zo in de geschiedenis van Polen verdiept. Of waren ze ongevoelig voor de subtiele ironie, waarvoor je trouwens ook weet van die verdrietige geschiedenis moet hebben. Meer dan om wat gezegd wordt gaat het toch altijd om wat niet gezegd kan worden, het verzwegene?
Laat ik nou maar niet beginnen over de deskundigheid van de jury. Straks verzeil ik nog in gebakkelei over de literaire kwaliteiten van de versjes van Bob Dylan. Die kreeg die prijs ook en daar keek ik nogal van op. Over de uitslag van het Songfestival houd ik ook op voorhand ferm mijn mond.
Mijn moeder was van precies dezelfde generatie als Szymborska. Zij was huisvrouw en ook nog zakenvrouw. Zij heeft veel van de wereld gezien en wat niet al. Maar gedichten schreef zij niet. In Polen is zij nooit geweest.
Gisteravond werd bekend wie er een belangrijke literaire prijs in Nederland heeft gewonnen. In een vorig leven had ik mij daarover beroepshalve al lang een oordeel over gevormd, ten einde daar leerlingen van te verwittigen. Maar ik heb geen beroep meer, goddank.
’t Is winderig, er waaien wolken over. Zeilwolken. Statig trekken zij als een vloot naar ’t zuidoosten. Misschien regenen ze ergens uit. Misschien keren ze ook om, eens ze daar gearriveerd zijn.
Het was de zesde dag. Adam stond klaar. Hij zag de eiken met hun volle greep in het niets. Macht is een kwestie van vertakkingen. Hij had de bergen gezien, opbergruimtes van alleen maar zichzelf, hoge leegstaande kelders. En herten. Met poten zo dun als stethoscopen stonden ze te luisteren aan de borst van de aarde, en zodra ze iets hoorden, liepen ze weg, de uitvinding van het pizzicato met zich meenemend, verten in. Herten. En hij had de zee gezien, het laden en lossen van drukte, waar je rustig van werd. En de lege, hetzerige gebaren van de wind, van kom mee, kom mee, en niemand volgde. En diepte, afgronden waar je moeilijk van werd. En zwijgen, want dat deed het allemaal, en te groot zijn. En toen zei God: en nu jij. Nee, zei Adam.
Herman de Coninck, De hectaren van het geheugen, Proloog, 1985
_____
Opm.
Misschien moeten we er toch maar eens helemaal van af: het ontstaan van de wereld en alle levende wezen daarop verklaren met oude teksten die te mooi zijn om waar te zijn. Of te lelijk. Toch blijft het Bijbelboek Genesis ook voor mij een zonderlinge bekoring houden. ‘Fantastisch’, zeg dat wel.
Dat boek over het ontstaan of de wording van alles gewoon maar metaforisch opvatten helpt niet verder. ’Gewoon’? Dan staat er altijd wel weer een schriftgeleerde op die ’t ongewoon helemaal anders ziet. En wie het ook geschreven heeft – of hebben, wat veel waarschijnlijker is – Mozes was het niet. Vragen kan dus niet. En dan nog.
Die astronauten die onlangs nog een rondje in de ruimte hebben gevlogen, en de aarde hebben zien opkomen vanaf de achterkant van de maan, en weer veilig terugkeerden, hebben ’t onlangs nog maar weer eens gezegd: wat is die aarde klein in die ontzaggelijke ruimte. En kwetsbaar. En kostbaar.
Zo is het. Wie de ogen en oren open houdt wist dat ook al. Hier moeten we het mee doen. Er is geen andere aarde. En nou niet verkloten.
Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor, en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling, zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt en pas als je het hebt, weet wat het was, dat je soms een pakje ergens heen brengt en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt, dat je te licht bent, zoals je je, wachtend, minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens maar toch het meest wachtend bent, zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waarom het ging en je een geur te binnen schiet bij wijze van herinnering, zoals je weet bij wie je op alert en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen, zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.
Judith Herzberg, Zoals (1992)
__________________ Opm.
Denken dieren? We hebben geen flauw benul, Duiven kunnen rekenen, kraaien lossen ingewikkelde vraagstukken op. Apen hebben besef van tijd, hebben notie van rechtvaardigheid, kunnen rouwen, net als olifanten. Honden kennen schuldgevoelens. Walvissen zingen hun liederen in complexe structuren. Is dat denken? De vraag stellen komt voort uit verwondering. Antwoorden zijn meestal te haastig, en als het om de wetenschap gaat uiterst voorlopig. Je komt er niet met begrippen als instinct, natuur, bewustzijn, theory of mind: die verleggen het probleem alleen maar. Denken mensen? Dat zouden we wel willen. Maar als ik (bijvoorbeeld) ’s avonds in mijn bedje de dag overdenk, lukt het maar zelden mijzelf op ‘een gedachte’ te betrappen die ik het meedelen de moeite waard acht. Kronkels. Brij. Chaos. Watten. Wat? Ja, zo is het.
Kan een dier dit mensengedachtelijk gedicht begrijpen? Vermoedelijk niet zoals ik dit doe. En ik heb er al moeite mee, al weet ik perfect waar dit gedicht over gaat. Een dier zou, denk ik, op Herzberg afkomen. Behoedzaam snuffelend misschien, nog een beetje op de hoede. Maar dan bij haar gaan liggen: Herzberg kun je vertrouwen. Die denkt met haar hart.
[Alberto Giacometti (1901-1966), Hond (1951)]; Verdwaald, Eva Gerlach]
Verdwaald
Een hond liep in de tuin, die was daar niet
besteld. Hij zocht, zijn neus dicht bij de grond, een weg
die daar niet liep, groef soms vlug in de aarde,
vooral bij de heg, waar hij niet terug wou. Hee zei ik
ga je
hier weg. Hij keek niet eens op
van wat hij juist aan het doen was, heen en weer draven
tussen schuur en terras, schoppend met zijn voeten of
hij overal kleine
dieren af moest jagen. Ik deed het hek los en later
liep hij daar ook voorbij, het straatje uit,
schuddend met zijn zware hoofd, verstrooide
onophoudelijke rukjes alsof zo
de plaats van alles terecht zou komen in de bedoelde
omgekeerde volgorde, horizon open, hij
gewoon van geur naar geur naar huis zou lopen.
Eva Gerlach, Wat zoekraakt, 1994
___
Opm.
Het spannende bij de interpretatie van het gedicht van Gerlach begint bij het zevende woordje: slaat ‘die’ nu op ‘een hond’ of op ‘de tuin’?
In de eerste lezing ligt het perspectief bij de ‘ik’ die in de vierde regel de hond wil wegjagen: die hond hoort niet in die tuin, de ‘ik’ had die bij de inrichting van die tuin niet besteld. Wegwezen uit mijn hof! Het gedicht gaat dan vooral over de buitenkant die de ‘ik’ registreert. Zo doet een hond. Je ziet ‘m (of ‘r) voor je. Je identificeert je met de ‘ik’.
De tweede lezing kan ook: voor de hond is die tuin niet ‘besteld’: die was een onderbreking in een hondse zoektocht om langs het geurspoor weer de weg naar huis te vinden. En dan ook nog allerlei andere kleine dieren die de aandacht maar afleiden: wéér het spoor bijster! Het gedicht gaat dan vooral over binnenkant: hoe kom je thuis?
Natuurlijk is ‘thuiskomen’ dan ook metaforisch op te vatten en slaat die zoektocht op zowel hond als ‘ik’. Die metafoor verdiept de betekenismogelijkheden: wat is dan ‘een weg die daar niet liep’? Enzovoorts.
Ik zeg ‘ik’, en niet de dichter, of Gerlach. Ik moet mij tenslotte ook zelf kunnen identificeren.
Bij de sculptuur van Giacometti is iets soortgelijks aan de hand. Buitenkant of binnenkant?