Ik wilde vanmorgen nog wel even doorgaan met mijn lied over de regen. Maar ’t gaat niet, de zon schijnt volop. In het hele blauwe hemelgewelf is geen wolkje te bekennen. En toen ik vanmorgen op het balkon mijn koffie dronk hoorde ik overal de duiven luidruchtig koeren van minnelust. Dat gaat het hele jaar door. Een zat op een tak in de esdoorn waar de zon net bij kon te roepen dat hij het mooiste plekje had. Je kon zijn veertjes tellen. De wind streelde die zachtjes en je kon bijna zien dat de wind daar pret in had.
Met die Gay Pride Canal Parade is het gisteren ook allemaal goed gegaan, las ik in de krant. Nu ja, ’t viel niet in het water en ‘er waren geen incidenten’. Pfff . . . Dat neemt niet weg dat die hele manifestatie, met al die honderdduizenden op al die bootjes door de grachten een schandvlek voor de samenleving is: niet voor die mensen, allicht niet en de hemelbewaarme, maar voor al die lui die niet willen hebben dat die mensen zijn wie zij zijn.
Wat mankeert mij toch, dacht ik toen ik mijn koffiebeker bijschonk, dat ik aan zo’n feestelijke dag toch nog iets lelijks ontwaar? Ik bladerde door mijn bundeltje Narrenwijsheid dat ik speciaal uit de kast had genomen. J. C. van Schagen opent die bundel met een lofzang op de regen en die had ik wel weer helemaal over willen schrijven. En aanvullen. Met nog meer druppels. Maar het zonlicht bereikte inmiddels door het zijraam ook mijn schrijftafel, en scheen op dat bundeltje, dat door de gele omslag nog meer zon reflecteerde. De duiven koerden.
En ik denk aan die dag dat ik dat bundeltje kocht, ik zal zeventien geweest zijn. En hoe die poëzie mij mijn hele leven heeft begeleid. Hoe ik aan al die buitenissige boekjes met onmogelijke formaten was gekomen. Aan die keer dat ik Van Schagen had opgezocht, in zijn appartement aan de IJssel. Hij woonde ook in Domburg maar in de winter toch het liefst in Deventer. Het regende toen een beetje, niet veel maar toch. De overkant van de IJssel werd wazig. En hoe ik hem bedankte voor die poëzie en voor al het andere dat hij daarna nog had gemaakt. Niet lang daarna overleed hij, 93 was hij toen, zo oud zou mijn moeder worden. Nee, er was geen oorzakelijk verband, het was gewoon tijd.
En ik denk eraan dat er precies honderd jaar is verstreken nadat dat bundeltje is verschenen. Een eeuw! Een ogenblik.
En ik herlees:
Niets is dat niet goddelijk is
daarom wil ik niets uitzonderen
ik geef geen namen
ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
‘Vrouw, hoe heet je? ‘Weet ik niet.’ ‘Hoe oud ben je, waar kom je vandaan? ‘Weet ik niet.’ ‘Waarom heb je zo’n diep hol gegraven?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Hoe lang zit je hier al verstopt?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Waarom heb je in mijn ringvinger gebeten?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Weet je dat we je geen kwaad willen doen?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Aan wiens kant sta je?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Het is nu oorlog, je moet kiezen.’ ‘Weet ik niet.’ ‘Bestaat je dorp nog?’ ‘Weet ik niet.’ ‘Zijn dit jouw kinderen?’ ‘Ja.’
Wisława Szymborska, Grote pret, 1967
_____
Opm.
Hoeveel moet je van dit gedichtje afpellen om het te begrijpen?
Vul voor de titel G A Z A in; of naar believen O E K R A I N E. Of S O E D A N. De lijst is eindeloos en in heden of verleden is vast wel een oorlog die het dichtst in de buurt van die voorkeur komt. ‘De Tachtigjarige Oorlog’? Ook goed.
Wanneer ben je je naam vergeten? Of wanneer is het maar het verstandigst om die niet te noemen? Je diepste naam is natuurlijk niet wat in je paspoort staat. Als je al zo’n ding hebt.
Wanneer ben je vergeten hoe oud je bent? Wanneer doet het er echt niet meer toe? Wat is er dan gebeurd?
Waarom een hol gegraven, en zo diep? Waren de huizen op?
Leeftijd vergeten, alla. Maar de seizoenen herinnert een mens zich toch nog? Was het koud? Of juist heet?
Verstoppertje spelen geeft geen pas voor een volwassen vrouw. Wie is ‘m dan? Wie zocht?
De ringvinger, hè? Waarom van alle tien de vingers juist die?
Dit is een reddingsoperatie dus waarom zo vijandig? Iedereen wil toch gered worden? Ach laat ook maar, het antwoord laat zich raden.
Redders staan altijd aan de goeie kant, dus werk maar een beetje mee met gered worden.
Zonder kiezen kan er ook geen oorlog zijn. Maar het is dus oorlog. Die kantkieskwestie is dus helemaal niet zo ingewikkeld. Schiet nou maar een beetje harder op, straks is de kans nog verkeken.
Holbewoner! Het stenen tijdperk is voorbij hoor! Waar huist de rest van jouw stam?
O, dat zijn jouw kinderen?! Nou, hoe heten díe dan?
Beeld: Mama Luca (Agnes Licht), waar woorden en wol inspireren
Zet het blauw van de zee tegen het blauw van de hemel veeg er het wit van een zeil in en de wind steekt op
Wim Hussem (1900-1974), Steltlopen op zee (1961)
_____
Opm.
Het kunstwerk van Mama Luca had mij al eens eerder getroffen – ik weet niet meer waarom, of hoe, of wat. Het gedichtje van Wim Hussem ken ik ook al heel lang, misschien kwam ik dat eens tegen als muurgedicht. Pas vanochtend kwam ik erachter dat Mama Luca, die eigenlijk Agnes Licht heet, het gedicht van Hussem als inspiratiebron voor haar ‘beeld’ had gebruikt. Op haar website legt ze uit hoe dat zit, maar daar gaat het mij nu niet om.
Van Hussem weet ik niks, dacht ik. Afgezien van een plintpostertekst van hem die ik jarenlang ter bemoediging van mijzelf en ter uitnodiging van mijn leerlingen in mijn lokaal had hangen (Wat weet ik van de vogel | als ik zijn zingen niet versta) was dat inderdaad echt niet veel. Maar, alweer vanochtend, kwam ik erachter dat ik al veel van zijn werk had gezien. Dat zit zo.
In de jaren ’70 struinde ik antiquariaten af. Als ik een deeltje tegenkwam van Meesters der Vertelkunst, van Meulenhoff, kon ik dat niet laten liggen. Zo kreeg ik toegang tot de hele wereldliteratuur. Gretigheid, dat was het. De omslagjes herkende ik meteen: die getuigden van eenzelfde signatuur, herkenbaar als van één hand en toch precies passend bij het land van herkomst van die verzamelde verhalen, Chinees, Jiddisch, Hongaars, Iers. Enzovoorts, meer dan twintig. Die boekomslagen waren van Wim Hussem. Natuurlijk ging het me om de inhoud, maar die minimalistische stijl verbond alles. En daarmee voelde ik mij weer verbonden, als in een geheimzinnig verband. De reeks stuwde mij als het ware voort de verhalen van de mensheid te leren kennen. Die gaf wind in mijn bollende zeilen.
Vanochtend zocht ik een beeld voor ‘inspiratie’. Vandaar Hussem. Van Hussem naar Mama Luca. Die hoorden al bij elkaar. Dat is geluk. Waar komt die wind vandaan?