De Denker der Nederlanden, David van Reybrouck, merkte het gisteren nog even fijntjes op in Buitenhof: ons politieke stelsel gelijkt een ouwerwetse koets uit de tijd van Thorbecke. Ik had wat zitten dromen bij de verhalen van de politici die hadden mogen uitleggen hoe het allemaal zat na de val van het kabinet. Wat ze ook zeiden, over het oplossen van het stikstofprobleem hadden ze het niet. Ik noem maar iets. Aan de oorzaken kwamen ze dus al helemaal niet toe. De koets denderde hotsebotsend voort.
In mijn valiezen bewaar ik al heel lang het pamflet Aan het volk van Nederland. Dat werd in de nacht van 25 op 26 september 1781 over alle grote steden van het land verspreid vanuit geblindeerde koetsen. Toen Van Reybrouck over die koets begon, dacht ik daar weer aan en terstond was het gedaan met mijn dromerij. De paarden van mijn eigen koetsje sloegen op hol. Wanneer werd het volk van Nederland nou es wakker?
Ik ga Van Reybroucks pamflet Pleidooi voor populisme (2008) nu maar even niet vergelijken met dat van Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol, indertijd. Het gaat mij er ook niet om de gelukkigheid van Van Reybroucks beeldspraak van die koets te prijzen. Of de ongelukkigheid ervan te laken. De vraag is: hoe word je wakker?
Van Reybrouck schreef nog iets, een paar week geleden al. Wanneer wordt de wereld daar nou es wakker van?
Ik kan het niet meer aanzien
Ik kan het niet meer aanzien. De grijze lichamen. De rode vlekken. De gebouwen die ooit scholen waren en nu nog slechts plekken Waar het puin opklautert tegen het puin.
Ik kan het niet meer aanzien. De zwarte handen die verkrampten In een godvergeten gebaar. De kapotte ogen. De kapotte mond. Het witte kinderhaar.
Ik kan het niet meer aanzien hoe een land dat zo goed weet Wat lijden is, de donkerste nacht heeft overleefd, nu zelf zoveel vergeten is.
Ik kan het niet meer aanzien hoe elke poging tot gesprek Vastloopt in hetzelfde getrek van wel en niet en wel en niet Terwijl een volk wordt uitgemoord.
Ik kan het niet meer aanzien hoe de waarden waarmee wij zwaaien Geen woorden worden, geen akkoorden breken, geen verboden geven Maar hoe wij blijven draaien rond onze oude spijt.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij melktanden uit monden slaan Vingerkootjes maaien hoe we kinderbuikjes openscheuren en daar Dorst en honger zaaien.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij zo van schuld doordrongen Zo verwrongen kijken naar zij die op ons lijken En naar de bergen lijken.
Ik ween om kandelaren die onnoemelijk hebben geleden Ik ween om hoefijzerbogen die geen gebed meer zullen horen Ik ween om het geprevel van veel te vele lippen.
Ik kan het niet meer aanzien. De stoffige lijven. Het donkerrode kaakgewricht. Maar ergens op een heuvelkam staat een geitje met een lam Dat mekkert, mekkert naar het ochtendlicht.
O, hoe gebrekkig sluiten de grenzen van de mensenstaten! Hoeveel wolken drijven straffeloos over, hoeveel woestijnzand sijpelt niet van land tot land, hoeveel steentjes rollen in provocerende sprongetjes bergafwaarts naar vreemde landouwen.
Moet ik hier elke vogel noemen, zeggen hoe hij vliegt of uitgerekend neerstrijkt op de slagboom aan de grens? Al is het maar een mus –zijn staart hangt buitenslands, terwijl zijn snavel thuis is. En stilzitten is er niet bij!
Van de ontelbare insecten beperk ik me tot de mier die zich tussen de linker- en de rechterschoen van de grenswacht niet geroepen voelt te antwoorden op diens ‘waarvandaan? waarheen?’
Ach, als je heel die chaos precies kon overzien, op alle continenten tegelijk! Smokkelt de liguster van de overkant niet net blaadje nummer honderdduizend over de rivier? Wie anders dan de inktvis met zijn brutaal lange armen schendt de heilige zone van de territoriale wateren?
Kunnen we eigenlijk wel van enige orde spreken, als zelfs de sterren niet uit elkaar te schuiven zijn en we dus nooit zullen weten welke voor wie schijnt?
En dan nog dat verfoeilijke neerdalen van mist overal! En dat stuiven van de steppe waar je ook maar kijkt. alsof hij nergens recht doormidden wordt gesneden! En die stemmen die op gedienstige luchtgolven weerklinken: Dat gepiep dat om iets roept, gepruttel dat niets betekent!
Waarlijk vreemd vermag alleen te zijn wat menselijk is, De rest is gemengd bos, mollenwerk, wind.
Er was een man, ik zeg niet wie hij was, die hield van de natuur,
althans dat dacht hij, want hij had gehoord dat daar zoveel te vinden was,
de stilte, vrijheid, blijheid en jezelf en zo. Genoeg in elk geval om daar
eens heen te gaan. Hij ging en kwam behouden aan.
En toen hij zijn boterhammen op had?
Stilte. Wie stilte wil beschrijven moet zijn mond maar houden. Wie niets hoort luistert niet en heeft niets te vertellen.
Vrijheid. Het zou een heel leuke boel worden als de vrijheid eens een beetje doorzette, ja jezelf zijn, eindelijk zou niemand ons begrijpen. Maar wij begrijpen elkaar helaas uitstekend. Ook in de meest luxueuze bittertaal van dichters spreekt alles vanzelf.
Blijheid. De blijheid waar wij naar verlangen is er gelukkig niet. We zouden dodelijk getroffen worden door een herfstblad, tegen de aarde gesmakt door de wiekslag van een duif, verbrand door de zon. Wie niet sterk is moet bedroefd zijn.
Nee, toen hij zijn boterhammen op had hoorde hij de regen die zijn hele leven door gevallen was, rook hij het gras waar hij zijn hele leven koekhappend en zaklopend door heen gestrompeld was onder het gelach van grote mensen, hoorde de regen en de stem van moeder uil die in de olmen huilde en riep om hem.
Rutger Kopland, Alles op de fiets, 1969
_____
Misschien niet het sterkste gedicht van Kopland, maar ja, hij moest zichzelf toen als dichter nog uitvinden. Midden dertig was hij toen hij het schreef, en nog volop bezig zich als psychiater te ontwikkelen. Toch zit in de kiem al alles waar hij later betere woorden voor vond: de beloften van die grazige weiden, die maar niet ingelost leken te kunnen worden.
Ik fietste vaak langs waar hij woonde, het stroomdal van de Drentse Aa. Ach, wat zijn woorden als je het over stilte wilt hebben.
Geluk is, schrijft Kopland ergens later, als twee woorden bij elkaar willen horen. Daar spreekt de dichter. In dit gedicht lijkt meer de psychiater te spreken. Soms vallen die samen. Soms ook niet.
Maar wie niet elk dag in zijn ziel roert, zegt een andere schrijver (Gerrit Krol), bevriest.
Vandaag raakt mij het beeld van het strompelend koekhappen en zaklopen. Wat een leven!
Ach oude man die na het avondeten in zijn knutselschuurtje vogels mompelt. Vogels mompelt hij hoe ging dat ook alweer.
Intussen verft hij veren, knipt hij snavels, snuffelt tussen poten in het potenmagazijn. Er worden botten uitgeboord en bloeds- omlopen doorgeblazen, spieren opgerekt en darmkanalen ingekort, hersen- pannetjes tot aan de rand gevuld – de oude man vergeet de tijd. En daar verschijnen uit zijn adem kruimeldiefjes, dakgootzangers boombekrassers, nachtomroepers garnalenvangers, kloosterbroeders blauwe krijgers, ja eigenlijk te veel om waar te zijn. Dan richt de klok zich op om twaalf te slaan, het einde van de vijfde dag.
Poëzie is het spel van de verbeelding. In een gedicht kunnen dingen gebeuren waar je in de werkelijkheid van zou staan kijken. Poëzie verkent mogelijkheden. Zij bewijst niks, argumenteert niet, presenteert een mogelijke wereld waarin wetten gelden die alleen het gedicht aan gaan. Daarom gaat poëzie aan de wetenschap, de filosofie en de theologie vooraf.
Om leerlingen gevoelig te maken voor verbeeldingskracht had ik in mijn lokaal posters hangen als die hierboven. Vanochtend vatte ik plan op even de kwestie van de vrije wil op te lossen. Ik moest denken aan het gedichtje op zo’n poster, waarin een steen trots verkondigde ‘kijk!’ ik kan vliegen! nadat hij door de dichter in de lucht is geworpen. Die betreffende poster en dat betreffende gedicht kan ik nergens meer vinden – er raakt zoveel verdwaald in dit leven. Ik vond wel een ander, net zo goed. Kijk, dacht ik, dat is geluk.
Dat ik juist dat ene gedicht nog eens wilde lezen kwam door de scherpe herinnering die het opriep aan een bijzonder lesmoment. In een klas zitten altijd leerlingen die poëzie maar gek vinden. Moet je er altijd zoveel achter zoeken? Wat bedoelt de dichter nou? Laat -ie dat dan gewoon zeggen! Dat zijn geen bijster intelligente vragen maar die horen wel bij de les. Zulke leerlingen moeten nog helemaal leren hun eigen gevoelens en gedachten te onderzoeken. Op die leeftijd is stille aandacht voor de binnenwereld maar vreemd. Ik vrees voor sommigen op latere leeftijd ook.
Olivier keek mij glazig aan. ‘Wat een onzin!’ Ik verdacht hem ervan bij de vakken Bedrijfskunde en Economie wel te floreren. Ook goed, vond ik, maar ook economen kunnen niet zonder verbeeldingskracht. ‘Olivier,’ herinner ik mij ernstig tegen hem gezegd te hebben, ‘jíj bent die steen en jij bent net als die steen in het bestaan geworpen. Vraag je nu eens af waar jij terecht komt. En hoe dat dan zo zou komen.’
Denkelijk werkt hij nu op een makelaarskantoor. Of anders op de Zuidas. Nu ben ik in het geheel geen aanhanger van het determinisme en ook vind ik dat makelaar een eerzaam beroep kan zijn. Maar ik vraag mij nu stilletjes af of hij nog wel eens aan dat lesmoment terugdenkt. Zoals ik nu even aan hem denk. Er gebeurde in dat lesmoment iets wezenlijks. Ja, ik verbeeld mij heel wat.