
De hemelboog is grijs
nog grijzer is de zee
met aan de einder blauw een vlek
en daarin zonverlicht een witte streep
en daarop weer een bollend zeil
daaronder weer een mens
die koers zet naar een ree

De hemelboog is grijs
nog grijzer is de zee
met aan de einder blauw een vlek
en daarin zonverlicht een witte streep
en daarop weer een bollend zeil
daaronder weer een mens
die koers zet naar een ree

A f v a a r t
Of het wellicht de wind is die de zeilen bolt
of het zeil dat de wind doet waaien,
of toch de geest misschien:
kom toch aan boord en gooi de trossen los!
zet zeil, zet zeil! zeil voort! zeil voort!

Z e g e n i n g
Brood op tafel –
aleer het hier staat
het licht er over
nu het hier ligt
en ik er van eet
zó eenvoudig

Beeld: Caroline Lichthart
N I E T S C A D E A U
Niets cadeau gekregen, alles te leen.
Tot over mijn oren in de schulden
zal ik met mezelf
voor mezelf moeten betalen,
mijn leven voor mijn leven geven.
Het is nu eenmaal zo geregeld
dat het hart terug moet
en de lever terug moet
en elke vinger afzonderlijk.
Te laat om het contract te verbreken.
De schulden moeten worden geïnd,
het vel over de oren gehaald.
Op de wereld loop ik rond
in de menigte van andere schuldenaren.
Sommigen zijn verplicht
hun vleugels af te betalen.
Anderen moeten of ze willen of niet
hun blaadjes afrekenen.
Aan de debetzijde
staat elk weefsel in ons.
Geen wimpertje, geen steeltje
mogen we voorgoed behouden.
De lijst is uitputtend
en het ziet er naar uit
dat we niet zullen overhouden.
Ik kan me niet herinneren
waar, wanneer en waarom
ik zo’n rekening heb laten openen.
Het protest daartegen
noemen we de ziel.
En dat is het enige
wat niet op de lijst staat.
Wisława Szymborska, Einde en begin, 1993

J. C. van Schagen, Zelfportret (1946)
Ik wilde vanmorgen nog wel even doorgaan met mijn lied over de regen. Maar ’t gaat niet, de zon schijnt volop. In het hele blauwe hemelgewelf is geen wolkje te bekennen. En toen ik vanmorgen op het balkon mijn koffie dronk hoorde ik overal de duiven luidruchtig koeren van minnelust. Dat gaat het hele jaar door. Een zat op een tak in de esdoorn waar de zon net bij kon te roepen dat hij het mooiste plekje had. Je kon zijn veertjes tellen. De wind streelde die zachtjes en je kon bijna zien dat de wind daar pret in had.
Met die Gay Pride Canal Parade is het gisteren ook allemaal goed gegaan, las ik in de krant. Nu ja, ’t viel niet in het water en ‘er waren geen incidenten’. Pfff . . . Dat neemt niet weg dat die hele manifestatie, met al die honderdduizenden op al die bootjes door de grachten een schandvlek voor de samenleving is: niet voor die mensen, allicht niet en de hemelbewaarme, maar voor al die lui die niet willen hebben dat die mensen zijn wie zij zijn.
Wat mankeert mij toch, dacht ik toen ik mijn koffiebeker bijschonk, dat ik aan zo’n feestelijke dag toch nog iets lelijks ontwaar? Ik bladerde door mijn bundeltje Narrenwijsheid dat ik speciaal uit de kast had genomen. J. C. van Schagen opent die bundel met een lofzang op de regen en die had ik wel weer helemaal over willen schrijven. En aanvullen. Met nog meer druppels. Maar het zonlicht bereikte inmiddels door het zijraam ook mijn schrijftafel, en scheen op dat bundeltje, dat door de gele omslag nog meer zon reflecteerde. De duiven koerden.
En ik denk aan die dag dat ik dat bundeltje kocht, ik zal zeventien geweest zijn. En hoe die poëzie mij mijn hele leven heeft begeleid. Hoe ik aan al die buitenissige boekjes met onmogelijke formaten was gekomen. Aan die keer dat ik Van Schagen had opgezocht, in zijn appartement aan de IJssel. Hij woonde ook in Domburg maar in de winter toch het liefst in Deventer. Het regende toen een beetje, niet veel maar toch. De overkant van de IJssel werd wazig. En hoe ik hem bedankte voor die poëzie en voor al het andere dat hij daarna nog had gemaakt. Niet lang daarna overleed hij, 93 was hij toen, zo oud zou mijn moeder worden. Nee, er was geen oorzakelijk verband, het was gewoon tijd.
En ik denk eraan dat er precies honderd jaar is verstreken nadat dat bundeltje is verschenen. Een eeuw! Een ogenblik.
En ik herlees:
Niets is dat niet goddelijk is
daarom wil ik niets uitzonderen
ik geef geen namen
ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar
recht, ik blijf niet staan bij slecht en lelijk
goed en deugdzaam gaan mij niet aan
[ . . . ]
zo regent de regen
daarom geef ik geen namen
ik ga maar en ben
J. C. van Schagen, Narrenwijsheid, 1925

V I E T N A M
‘Vrouw, hoe heet je? ‘Weet ik niet.’
‘Hoe oud ben je, waar kom je vandaan? ‘Weet ik niet.’
‘Waarom heb je zo’n diep hol gegraven?’ ‘Weet ik niet.’
‘Hoe lang zit je hier al verstopt?’ ‘Weet ik niet.’
‘Waarom heb je in mijn ringvinger gebeten?’ ‘Weet ik niet.’
‘Weet je dat we je geen kwaad willen doen?’ ‘Weet ik niet.’
‘Aan wiens kant sta je?’ ‘Weet ik niet.’
‘Het is nu oorlog, je moet kiezen.’ ‘Weet ik niet.’
‘Bestaat je dorp nog?’ ‘Weet ik niet.’
‘Zijn dit jouw kinderen?’ ‘Ja.’
Wisława Szymborska, Grote pret, 1967
_____
Opm.
Hoeveel moet je van dit gedichtje afpellen om het te begrijpen?

Z o m e r w a t e r
Riemen in het water
Druppels op het water
Riemen in het water
Druppels in het water
Kringen in het water

Beeld: Mama Luca (Agnes Licht), waar woorden en wol inspireren
Zet het blauw
van de zee
tegen het
blauw van de
hemel veeg
er het wit
van een zeil
in en de
wind steekt op
Wim Hussem (1900-1974), Steltlopen op zee (1961)
_____
Opm.
Het kunstwerk van Mama Luca had mij al eens eerder getroffen – ik weet niet meer waarom, of hoe, of wat. Het gedichtje van Wim Hussem ken ik ook al heel lang, misschien kwam ik dat eens tegen als muurgedicht. Pas vanochtend kwam ik erachter dat Mama Luca, die eigenlijk Agnes Licht heet, het gedicht van Hussem als inspiratiebron voor haar ‘beeld’ had gebruikt. Op haar website legt ze uit hoe dat zit, maar daar gaat het mij nu niet om.
Van Hussem weet ik niks, dacht ik. Afgezien van een plintpostertekst van hem die ik jarenlang ter bemoediging van mijzelf en ter uitnodiging van mijn leerlingen in mijn lokaal had hangen (Wat weet ik van de vogel | als ik zijn zingen niet versta) was dat inderdaad echt niet veel. Maar, alweer vanochtend, kwam ik erachter dat ik al veel van zijn werk had gezien. Dat zit zo.
In de jaren ’70 struinde ik antiquariaten af. Als ik een deeltje tegenkwam van Meesters der Vertelkunst, van Meulenhoff, kon ik dat niet laten liggen. Zo kreeg ik toegang tot de hele wereldliteratuur. Gretigheid, dat was het. De omslagjes herkende ik meteen: die getuigden van eenzelfde signatuur, herkenbaar als van één hand en toch precies passend bij het land van herkomst van die verzamelde verhalen, Chinees, Jiddisch, Hongaars, Iers. Enzovoorts, meer dan twintig. Die boekomslagen waren van Wim Hussem. Natuurlijk ging het me om de inhoud, maar die minimalistische stijl verbond alles. En daarmee voelde ik mij weer verbonden, als in een geheimzinnig verband. De reeks stuwde mij als het ware voort de verhalen van de mensheid te leren kennen. Die gaf wind in mijn bollende zeilen.
Vanochtend zocht ik een beeld voor ‘inspiratie’. Vandaar Hussem. Van Hussem naar Mama Luca. Die hoorden al bij elkaar. Dat is geluk. Waar komt die wind vandaan?

Miles Davis [1926-1991] in 1985 | foto Anton Corbijn
[ . . . ]
De scheiding tussen aarde en hemel
is niet de juiste manier
om aan het geheel te denken.
Ik kan er alleen mee overleven
op een preciezer adres
dat sneller is te vinden,
als ik gezocht zou worden.
Mijn bijzondere kenmerken zijn
geestdrift en vertwijfeling.
Wisława Szymborska, Hemel, Einde en begin (1993)

De Waddenzee bij Schiermonnikoog. Foto Kees van de Veen
O v e r h e t w a d
De avond valt
op weergaloze wijze.
Er zijn geen woorden voor
dit wad – en dan:
hoe zou ik sprakeloos
nog namen kunnen geven?
De wind, de wind
hij fluistert, vat mij aan
hij voert mij door dit al
___
Overweging
Men hoort wel beweren dat de grootste zegening van het afgetreden kabinet is dat het zo verrekte weinig voor elkaar heeft gekregen. Dit is niet zo. Ook niks doen is een handeling. Of daar onverschilligheid onder schuilt, of roekeloosheid, of gewetenloosheid, weet ik niet maar ook dat heeft een prijs. Al is die niet in centjes uit te drukken.
Bij het woordje ‘migratie’ was tot voor kort de Waddenzee het eerste wat mij te binnen schoot: die miljoenen en miljoenen vogels die daar in eindeloze variaties komen en gaan, hun kostje bij elkaar scharrelen, en weer verder trekken: naar het Noorden als het zomer wordt, naar het Zuiden als het hier wintert. Mauritanië, Zuid-Afrika en Groenland, Siberië zijn buurlanden. Zogezegd, want grenzen zijn er niet voor vogels. De kanoetstrandloper heeft geen paspoort. Over de andere dieren en over de vissen heb ik het nog niet eens maar het lijkt mij moeilijk iemand te vinden die nog nooit van kraamkamer heeft gehoord. Volgens de politiek dien ik nu bij ‘migratie’ aan iets heel anders te denken. Iets met de strafbaarstelling van het verstrekken van een kommetje soep aan een vreemdeling, als ik het moet geloven. Dat is in elk geval het gevolg van een probleem dat gezien wordt als een probleem dat geen probleem is. Men kraamt maar wat uit.
De kanoetstrandloper bijvoorbeeld bestaat niet omdat hij of zij een goochemerd is die listig van de mogelijkheden profiteert (buikje volvreten op het Wad, lekker rustig jongen grootbrengen op een afgelegen taiga, terugkomen naar het Wad om weer op te vetten, doortrekken naar een net zo rijk voedselgebied waar het zonnetje lekker schijnt, hetzelfde maar dan anders, weer terug naar het Wad, enzoverder enzovoorts), de oneindige mogelijkheden máken dat een vogel als de kanoetstrandloper kan bestaan: precies zo, met dat verenkleed, met die snavel, die poten, met dat foerageergedrag, met die behoeften, met die gewoonten, met die broedcyclus. Hoe dit allemaal zit is een groot mysterie, zoals het hele leven een groot mysterie is. Stel eens argeloos een vraag (‘wat doet die vogel daar?’) en het mysterie zal nog groter blijken, de eigen onbenulligheid nog onbenulliger.
Nu dit weer. Zo’n twee weken geleden verscheen het rapport Staat van de Waddenzee (https://www.waddenacademie.nl/fileadmin/inhoud/pdf/04-bibliotheek/2025-01_De_Staat_van_de_Waddenzee_2025.pdf). Die staat is niet best. Omdat dat allemaal al in dat rapport staat zal ik maar niet opsommen waarom het er voor de kanoetstrandloper beroerd uitziet. En voor al die miljoenen andere dieren.
Zo-even beweerde ik dat de Club van Hoop, Lef en Trots niks gedaan heeft. Dat klopt niet helemaal. De staatssecretaris van Landbouw, Visserij en andere Lobby’s heeft op 18 juni jl. definitieve vergunningen verleend voor garnalenvisserij in natuurgebieden. Met een ongekend lange looptijd van 20,5 jaar. Da’s mooi, brood op de plank voor die beroepsgroep! Ho even, brood, want al die garnalen vreten de vissers natuurlijk niet zelf op. Die worden gegeten door die kanoetstrandlopertjes, als ze die nog vinden ten minste. En al die andere vogels.
Dat er voor een complex probleem simpele oplossingen zouden bestaan, hoort niemand mij beweren. Dat de Unesco mede op grond van een rapport als Staat van de Waddenzee voor de Waddenzee de status van Werelderfgoed (let op het woordje status) overweegt in te trekken, zal ook wel niet genoeg zijn om dit idiote staatssecretariële besluit terug te draaien.
Het zal vloed worden, en weer eb. Vogels zullen komen, en weer vertrekken. De wind zal uit het westen waaien, krimpen en ruimen, draaien naar het oosten. En de Waddenzee zal niet eeuwig bestaan. Niet de tijd gaat voorbij, de mens gaat voorbij. Ook ik.