
IJsvogel | foto Brenda Samsom
Hemel en aarde
bewegen de ijsvogel
in stromend water

IJsvogel | foto Brenda Samsom
Hemel en aarde
bewegen de ijsvogel
in stromend water

Pimpelmees | foto Geelenjag / Vroege vogels
Terug gestuiterd
na het hemelse verblijf:
het pimpelmeesje
_____
Opm.
‘Eind oktober was er een tsunami aan pimpelmezen. Wat een last hadden we daarvan! Letterlijk overal hingen die gasten te trekkebekken. En maar kanen van onze pinda’s. En maar schransen van onze zaadjes. Een maandloon moeten al die vetbollen gekost hebben. Je doet het uit je goeie hart hè? En als oprechte dierenvriend zijnde is niks je teveel. Dus hup, ook nog zeven van die vogelvoedersilo’s op het balkon opgehangen. Ik ben nog bijna van het trapje geflikkerd, maar je offert je er voor op hè? De onderbuurman klaagde wel maar die zeikerd is gewoon veels te netjes. Als je van dieren houdt kan het je toch niet schelen dat ze boel onderschijten? Niet dan? Wat weet zo iemand nou van offers? Van heel ver kwamen die pluizenbeestjes aangevlogen, die moesten op krachten komen, dat zag je als ware vogelvriend meteen. Uitgeput waren ze, daar konden heel wat pinda’s in, in die hongerige bekkies van hun. Zo schattig. Dacht ik toen.
Wie d’r mee kwam weet ik niet meer maar iemand had gezien dat er wel verrekte veel vogels zo’n ringetje om hadden. Dat doen ze omdat je zo kan zien van wie ze zijn. Zodat ze niet kwijt raken. Wat blijkt nou? Negen van de tien keer kon je die niet lezen. Zeiden ze. Nou ken ik natuurlijk lezen dus ik dacht laat mij dan maar effe. Ik een paar van die gevederde vrienden vangen. Hoe, dat ga ik hier niemand aan z’n drupneus hangen, maar geloof me, als ik iets in me kop heb dan dóe ik het. Punt.
Ik aan het lezen. En verdomd, ik snapte er persoonlijk ook helemaal niks van! Allemaal van die rare Russische letters! Toen ging bij mij het licht aan. Of uit, net hoe je het ziet. Als ‘MOCKBA’ nou es ‘MOSKOU’ was? Die pimpeltjes kwamen toevallig allemaal uit die kant en dan ga je redeneren hè? Laat dat maar aan mij over, de grote verbanden zien.
Kijk, als die beestjes hier als hongerige wolven de pinda’s van de draad komen vreten dan moeten ze het dáár wel bar slecht hebben. Hoeveel kilometers vliegen is het wel niet? Nou dan.
Dat betekent dus dat ze daar niks meer te vreten hebben. Hoe komt dat? De mensen daar zijn heus niet harteloos hoor, leer mij de Russische ziel kennen! Dat komt omdat de mensen daar zelf niks meer te eten hebben en ze zelf die pinda’s op moesten vreten. Van wie moest dat? Van hun tsaar. Die zegt ‘ik heb nu even al het geld nodig voor de soldaten, die gaan jullie toch geen honger laten lijden? En dat met die kou.’ In het Russisch natuurlijk maar het gaat om het idee. En wie ben je dan als Rus dat je niet naar je tsaar luistert? Pech voor die pimpels maar het leven is geen appeltaart.
Ik ga niet in details treden over die soldaten en zo. Ik heb al genoeg problemen met mijn eigen uitkering. En deze winter wat over houden voor de Febo viel al niet mee. Of voor een druppie. Maar ik weet het er het mijne van. Laat dat genoeg zijn.
Ik zeg altijd dat je in oplossingen moet denken. Nu dus ook. Kijk, die pimpels hebben zich hier nu lekker op onze kosten te goed kunnen doen. We moeten ze NU TERUGSTUREN. Het is toch geen winter meer? Dit is dus mijn PLAN.
Fase twee. Zodra ze de grens weer over zijn worden ze opgewacht door de Russen. Hoe ze het beste mezen kunnen vangen ga ik ze niet vertellen, ze moeten er ook zelf iets voor doen hè. Maar ze hebben dan in elk geval die miljoenen en miljoenen vetgevreten mezen terug.
Nou komt fase drie. Feitelijk zijn die pluizenbolletjes dus gewoon pinda’s met een stukkie vlees eromheen. Het enige wat die Russen dus hoeven te doen is even plukken en hup, op de barbecue. Nasdrofje! Of zeg je dat alleen met een wodkaatje erbij?
Is dit niet geniaal of is dit geniaal? Dit is het allerbeste plan dat ik tot nu toe gehoord heb over die pimpeltsunami. De mensen kletsen wel over hun problemen maar oplossen ho maar. Dáár zouden ze nou eens lintjes voor moeten geven. Maar ik ben gisteren niet gebeld, terwijl ik wel de hele dag aan de prik lag.’

Abelen langs de bosrand (níet bij ons huis)
Er popelt al iets
vol ongeduld door de bomen –
populierenruis
_____
Opm.
Toen de drie monumentale populieren voor ons huis werden gekapt – naar men zei om zwaarwegende veiligheidsoverwegingen – waren de kraaien hun uitzichtspunt, hun plenaire vergaderruimte en nestgelegenheid kwijt. Ze zochten een ander en vonden die een paar honderd meter verderop. Toen de dagen gingen lengen, zag ik hen druk doende een nieuw bestaan in te richten.
Inmiddels heeft die populier zijn babyzachte blaadjes al in een majestueuze bladerkroon doen veranderen, niet van de ene dag op de andere maar als je goed keek zág je hem groeien. En als je nu goed luistert hóór je hem al ruisen. Populierenruis.
Het gerumoer van de kraaien is allengs verstomd. De nesten zijn gereed, zeven in totaal, een nieuwe orde heeft zich gevestigd. Vermoedelijk worden nu de eerste eieren gelegd, nu het bladerdek zich sluit en de nesten onzichtbaar maakt. Alles verloopt met een bijna niet waarneembare afstemming, met een verbijsterende precisie. Probeer dan maar eens niet in de lach te schieten als je het onhandig menselijk bedrijf beziet: het gekwetter, het gekonkel, het gechicaneer, de draaikonterij.
(Maar het állermooiste, als de zon dit alles beschijnt, en wolken overzeilen, en de wind door de takken speelt: het ruisen van die populier. De populierenruis.)

Gierzwaluwen | Foto Keta / Wikipedia
De ‘vogelste aller vogelen’ is weer in het land. Gisterochtend werden er om 9.24 uur vier gierzwaluwen bij Harderwijk gespot. Ik heb de informatie van Waarneming.nl, kijk het maar na. ’t Haalde de krant niet.
Nu beschouw ik dit niet meteen als een lacune in de informatieverstrekking in dit toch al zo gave land. Als gepensioneerde bevind ik mij nu eenmaal qualitate qua op enige afstand van de arbeidsmarkt. Ook op andere gronden ben ik mij het liefst wat verder van de landspolitiek gaan ophouden. Bij al die belangen duizelt het mij gewoonweg. En ik heb al moeite bij te houden wanneer welke vogel nu weer uit een ver Afrikaans land helemaal die gevaarlijke Sahara en de Middellandse Zee is overgestoken om onder onze dakpannen, in onze struiken en holle bomen, op onze weilanden en in onze boomgaarden een plekje zoekt om een broedsel te beginnen. Het is bijkans niet bij te benen. Maar men moet niet denken dat ik niets doe. De laatste tijd houd ik mij vooral bezig met mij te verbazen.
Kun je een vogel die krap drie maanden in Nederland verblijft een Nederlandse broedvogel noemen? Zo ergens eind juli vertrekken de gierzwaluwen al weer richting het zuiden. Wéér die enge Middellandse Zee en de Sahara over om ergens in Afrika te gaan doen wat gierzwaluwen nu eenmaal het liefste doen: ze zwaluwen gier. Nu is dit meteen al het begin van mijn verwondering want niemand weet precies wat dit is. Ik vermoed een raadselachtige zijnsgrond van qualitate qua. Een gier zijn ze evenwel zonneklaar niet en al lijken ze verbluffend veel op zwaluwen, de wetten der genetica gebieden biologen de gierzwaluw eerder te scharen onder de kolibries. Ben je als amateur mooi klaar mee. Nou ja, het liefhebberen blijft natuurlijk. Ook een kwaliteit.
Ik begin vanmorgen maar niet eens aan de kwestie of de gierzwaluw niet beter een Afrikaanse vogel kan heten. Daar huist – ie tenslotte driekwart van het jaar. Maar ja, Afrika is geen land natuurlijk al kom ik dikwijls mensen tegen die dat menen. Maar welk Afrikaans land dan? Mali? Congo? Of toch Mozambique? Ik hou het erop dat ze ook daar alleen maar in de lucht verblijven. Alleen in Nederland komen ze naar beneden zetten om een nestje jonge gierzwaluwen uit te broeden. Al het andere doen ze in de lucht en daar gelden geen grenscontroles.
Om me voor te bereiden op hun verdere komst heb ik Remco Daalders monografie De gierzwaluw (Atlas/Contact, Amsterdam 2014) alvast in kast opgezocht. Ik verheug me er zeer op ze hier weer boven de stad te zien gieren. ’t Zal allicht weer zomer worden. Naar Harderwijk ben ik niet gegaan.

Éire (nog bestaat Ierland . . . )
En de menselijke zang dan? De mens.. . . Nou, dit bijvoorbeeld:
Imtheochaidh soir is siar
A dtainig ariamh
An ghealach is an ghrian
Fol lol the doh fol the day
Fol the doh fol the day
Imtheochaidh an ghealach’s an ghrian
An Daoine og is a chail ‘na dhiadh
Fol lol the doh fol the day
Fol the doh fol the day
Fol lol the doh fol the day
Fol the doh fol the day
Imtheochaidh a dtainig ariamh
An duine og is a chail ne dhiadh
Fol lol the doh fol the day
Fol the doh fol the day
[In memoriam Máire Ní Bhraonáin (1952-2026) / Clannad:
chomh brónach –
chomh buíoch gur chan tú seo uair amháin]

Voor het middaguur
neemt het spreeuwtje nog even
de partituur door
_____
Opm.
Je hoeft geen Mozart te zijn om je te laten bekoren door de virtuositeit van de spreeuw. De nachtegaal kan er wat van, zeker, de merel ook natuurlijk. En de roodborst, de zwartkop. Maar ook de spreeuw is een meester.
Hoe benoem je nou in eenvoudige mensentaal die glissando’s die een spreeuw van een dakgoot naar beneden kan laten afglijden? Het ritmische geklepper van zijn snavel? De citaten van andere vogels die hij op een van zijn reizen gehoord heeft en die hij zich in zijn geïmproviseerde liedjes herinnert? De alleenspraak, de murmuraties? De herhalingen?
De spreeuw preutelt. En fluit. En kwettert. Neuzelt. Zingt liedjes van jewelste. Hoe prachtig Mozart ook componeerde, vergeleken bij de spreeuw blijft hij toch een prutser. Daarom ook moest hij steeds opnieuw beginnen.

Ex Libris Jac. P. Thijsse | ontwerp B.W. Wierink (1856-1939)
Jac. P. Thijsse had een fraai Ex Libris: onbekommerd zingt een groepje spreeuwen op zwiepende takken tegen de wind in. Bij Thijsse gaat de zon altijd op. Velen vinden dat dat Thijsse ten voeten uit was. Ofschoon hij vanaf 1922 deftig zijn doctorstitel voerde (doctor honoris causa wegens zijn enorme verdiensten) liet Thijsse zich nooit op academische geleerdheid voorstaan. Was hij zich bewust van het uitzonderlijke van wat wij nu zijn ‘sociale stijging’ zijn gaan noemen? Of is het toch oprechte bescheidenheid?
Het is nou ook weer niet zo dat hij zich vergeleek met ‘het straatschoffie onder de gewone vogels’, de spreeuw. Hij ging altijd in driedelig kostuum. Maar er waren volgens hem geen ‘gewone vogels’. En verder, en trouwens: kijk eens goed naar het verenkleed van een spreeuw. Luister naar zijn virtuoze zang. Lees daar Het vogeljaar (1903) of Vogelzang (1938/1965) maar op na. Maar vooral in dat ‘onbekommerde’ moet hij zich graag hebben willen herkennen. In het ijverige misschien ook wel, het vlijtige. Jeumig, wat heeft Thijsse veel geschreven. ’t Is waar, ‘ijver’ en ‘vlijt’ horen bij de vorige eeuw toen dat nog gewoon op het schoolrapport stond. En Thijsse is zelfs geboortig uit de vóórvorige eeuw. They did things differently there.
Toen ik gisteren over Spinoza begon wist ik eigenlijk al wel dat Thijsse zich vermoedelijk nooit door de wiskundige architectuur van de Ethica heeft laten betoveren. En misschien snapte hij intuïtief ook wel dat het bedrijven van godsdienst maar een rare zaak is voor wie het liefst in de natuur ronddwaalt. Als je ’t mij vraagt liet ook de hele Systema Naturae van Linnaeus hem betrekkelijk koud, al noteert hij nauwgezet óók altijd de Latijnse namen van de vogels en planten die hij opmerkt. Of had dat weer met die gevoelde opstijging te maken?
In zijn brieven, en ook in zijn boeken, dringt hij er steeds op aan er zélf op uit te gaan, weer of geen weer: “Nu ben je lekker onderweg met de vogelgeluiden en ook voorgoed ‘verzonken’ in de heerlijkheid van het natuurleven, de openbaring van het onovertreffelijke. (. . .) Werk vooral onbevangen en ootmoedig, als een echte artiest” houdt hij een jonge bewonderaarster voor die zich wil toeleggen op het noteren van vogelzang en Thijsse daarbij om raad vraagt.
Er zijn nog andere mooie voorbeelden te vinden in de brieven en de wandelboeken (Marga Coesèl : Wanhoop nooit aan vooruitgang; brieven van Jac. P. Thijsse (Amsterdam 2012) en Nu ga ik er eens op uit; Wandeldagboeken 1884-1898 (Amsterdam 2021). Spinoza laat ik maar weer even in de kast, die kan wachten. Die wacht al eeuwen.
Hier in mijn buurt zie je jammer genoeg bijna nooit spreeuwen. Hoe dat komt weet ik niet precies. Denkelijk is de buurt te keurig. Huismussen zijn er ook al nooit. Daarvoor moet ik er dus op uit, wat helemaal niet erg is. Voor de voorpret alvast dit:
Spreeuw
Had niets te beweren
te klein voor veren
te nat om bruin te heten
en snavel dicht
ook tegen eten.
Maar werd een hoogst
warmpotig geleerde
specialistisch geïnteresseerde
zeehondgeveerde
vetervereerder.
Frivoolkelige imitator
een parel-bespetterde
wezel, een vliegende
ongeletterde triomfator.
Judith Herzberg, Strijklicht, 1971

Zingende spreeuwen (Sturnus vulgaris) | foto Pixabay

Gevelsteen aan het Spinozahuis in Rijnsburg
Ik lees nu al dagen in de brieven die Jac. P. Thijsse in z’n lange leven heeft geschreven. De mensen aan wie hij schreef moeten nu in voetnoten aan ons worden voorgesteld. Dat zijn heel veel mensen. Veel mensen die ‘iets betekend hebben’. Ik lees langzaam, iedere dag een paar brieven. Maar dat is dan toch nog weer aanzienlijk sneller dan het tempo waarin de afgelopen eeuw de gedachte groeide dat natuurbescherming noodzaak is en geen linksige luxe. Thijsse is inmiddels zelf een monument maar wie kent Piet van Tienhoven nog? Thijsse schrijft hem omdat die van begin af aan betrokken was bij Natuurmonumenten. Hem vertrouwde hij alles toe. Piet was een vriend.
In één van die brieven verzucht Thijsse: “Ach, waren alle Menschen wijs.” Piet moest het verder zelf maar aanvullen. Die zal dat gekund hebben. Ieder vogeltje zingt zoals . . . Kennelijk veronderstelde Thijsse ook dat Piet het levensinzicht deelde dat onder deze zinsspreuk schuilt.
Maar zonder een voetnoot was ik niet op de gedachte gekomen eens in het dichtwerk van Dirk Camphuysen te zoeken naar die sententie. Terwijl Camphuysen in zijn tijd toch net zo beroemd was als Jacob Cats. Al wil mij van diens rijmpjes momenteel trouwens ook even geen enkele te binnen schieten. Nog geen beginregel. Wel bracht mij dit op de gedachte dat het met de wijsheid net zo gesteld is als met de natuur zelf: als je iets niet gekend hebt, kun je het ook niet missen. Ook dat is een typisch geval van het Shifting Baseline Syndrome. Schrijf ik nou ‘typisch’? ‘Tragisch’, bedoel ik. Ach waren alle mensen wijs . . .
Intussen begon mij dat gedichtje van Camphuysen danig te interesseren. Hoe zou Thijsse dat hebben gekend? Kende hij het helemaal? En deelde hijzelf echt het inzicht dat eruit spreekt? Aan de eerste regel kon hij zich bij niemand een buil vallen en Thijsse wilde niemand uitsluiten bij zijn kolossale missie de natuur voor iedereen te behouden. Maar het vervolg roept dan toch ongetwijfeld verontwaardigd protest op bij zwartkousige gelovigen. Camphuysen was namelijk een gekend remonstrant, vandaar ook die Stichtelijcke Rymen waarvan dit er dus eentje is. Thijsse moet dat van die godsdiensttwisten in de 17e eeuw als onderwijzer allemaal geweten hebben. Partij kiezen lag niet in zijn aard. Behalve voor de natuur dan, maar dat dan ook hartstochtelijk.
Het zou ook zomaar kunnen zijn dat Thijsse de spreuk kende omdat – ie die had gelezen op het Spinozahuis in Rijnsburg. Veel mensen zouden kunnen denken dat dat een uitspraak van Spinoza zelf is, wat velen ook daadwerkelijk doen en wat helemaal niet zo gek is. Wie de natuur en God voor hetzelfde houdt ziet uit zichzelf wel hoe wij het op deze droevige planeet steeds maar weer verkloten. En kijken kon Thijsse.
’t Komt dus dicht in de buurt. Maar de steen werd pas aangebracht toen Spinoza al weer verhuisd was. Die kan ‘m nog wel gezien hebben, en de inhoud misschien ook wel onderschreven. Dat huisje waar Spinoza met zijn beroemde Ethica begon, is al sinds 1899 een museum en Thijsse zwierf graag rond in het er vlakbij gelegen Meijendel. Hij zal ervan geweten hebben. Maar of hij zich ook in de Ethica heeft verdiept?
Je kunt zomaar een mooie spreuk tegenkomen en denken ‘goh, da’s mooi verwoord’. En menen dat iedereen dat ook wel vindt. Dat je dat niet hoeft uit te leggen. Pfff. De evidentie . . .
Maar dat is dan niet zo.
Het is goed dat er monumenten zijn. En musea.

Spinozahuis in Rijnsburg. Spinoza (1632-1677) woonde en werkte hier van de zomer van 1661 tot de lente van 1663. De gevelsteen (in het midden) werd in 1667 aangebracht. ’t Museum werd vorige week weer heropend.

Chimpansee Jack interviewt natuuronderzoekster Jennifer Ackerman
(‘Wat ging er toen door je heen?’) | foto Cary Wolinsky
Het NOS-Journaal eindigde gistermiddag om zes uur met een bericht over chimpansees in Uganda. Die zijn elkaar daar aan het uitmoorden. ’t Is niet best. Een heuse stammenoorlog! Kindermoord en moederdoodslag. Voor wie het daarbij op de bank kan uithouden is er een film van gemaakt. Het Journaal doorsnijdt de reportage met enkele achtervolgingsbeelden uit die documentaire die nu op Netflix is te zien: Chimp Empire (2023). Dat loopt niet goed af.
Maar gelukkig is in de dierentuin alles ‘pais en vree’, vertrouwt de reporter ons toe. En nog een geruststelling: ‘Ze kunnen elkaar niet beschieten én ze plaatsen ook geen dreigementen op sociale media.’
Dat de redactie nadrukkelijk een bruggetje zoekt met de gebeurtenissen in Iran, de Straat van Hormuz en Libanon is zonneklaar: ‘Er is nog geen wapenstilstand,’ verklaart een opgetrommelde biologe desgevraagd in militair jargon. We zien achter haar enkele chimpansees van Burgers’ Zoo die om voedsel bakkeleien. Dat gaat er ‘ruig’ aan toe. Nou ja, ruig? Ik ben gewoon mijn vrouw te vragen om nog een boterham maar dat is ook maar een toevallige culturele conventie.
Wat kan er allemaal misgaan in een nieuws-itempje van krap anderhalve minuut? Genoeg om mij onrust in de nacht te bezorgen. De berichtgeving van de NOS berust op een artikel dat deze week in Science werd gepubliceerd. Dat had ik al gelezen omdat de Volkskrant dit had opgepikt (https://www.science.org/doi/10.1126/science.adz4944).
Wetenschap blijkt dan toch weer een stuk ingewikkelder. Leefde Frans de Waal nog maar! dacht ik in mijn woelingen. Die had ons haarscherp kunnen uitgeleggen hoe het komt dat een vergelijking tussen mens en dier altijd in het nadeel van de laatste uitvalt. Zeker als je ook nog een hek en een slotgracht om die dieren heen zet. En een kassa bij de poort.
Misschien waren ze op de redactie van het Journaal niet slim genoeg om te bedenken dat ze wel naar Burgers’ Zoo moesten omdat De Waal juist daar in jaren ’70 met zijn onderzoek naar primaten is begonnen. Dat hadden ze er best bij kunnen vertellen. Misschien dachten ze wel dat dat gewoon de enige plek in Nederland was waar je nog chimpansees kon filmen. En misschien waren ze ook wel vergeten dat De Waal’ s levenslange onderzoek zich nou juist richtte op verzoeningsgedrag, op empathie, wat toch heel iets anders is dan raketten op een beschaving afvuren ten einde deze na afloop van de beschietingen in het Stenen Tijdperk weer te doen laten ontwaken.
Wat zouden die chimpansees hier nou van vinden, vroeg ik mij deze doorwaakte nacht telkens af. Zet maar een muur om dat Witte Huis heen? Met een diepe slotgracht? En een kassa bij de entree?

Bosanemoontjes | foto Marc Baert
Zo hoog gebogen
boven zoiets nederigs –
bosanemoontjes
_____
Opm.
Ik wilde vanmorgen iets zinnigs opmerken over de toestand in de wereld. Dat de huidige president van de Verenigde Staten, bijvoorbeeld, het wegvagen van een millennia-oude beschaving ziet als een onstuitbaar natuurverschijnsel. En dat hij daar zeer verkeerd aan doet. Maar ja, Donald Trump is niet zo’n natuurliefhebber. En in zijn omgang met het weer, en ook met het klimaat, en andere zaken, mensen vooral, vertoont zijn kennis van de natuur spectaculaire hiaten.
Anderen hebben daar meningen over. Het is tenslotte nogal wat dat zo iemand over het lot van zoveel mensen lijkt te kunnen beslissen. Zouden ze die very stable genius niet eens het bos in kunnen sturen? Wat mij betreft volstaat één verzoekje: maak jij nou – es zo’n bosanemoon. Eentje maar.