Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel. Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten. Een opening en niets daarbuiten, maar wijd open.
Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht, noch mijn hoofd in de nek te leggen, om de hemel te beschouwen. Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden. De hemel omwindt me strak en tilt me van onderen op.
Zelfs de hoogste bergen zijn niet dichter bij de hemel dan de diepste dalen. Op geen enkele plaats is meer hemel dan op enige andere. De hemel drukt even absoluut op een wolk als op een graf. De mol kan zich even hemels voelen als de uil die zijn vleugels wiegt. Een ding dat in de afgrond valt valt van hemel in hemel.
Korrelige en rotsachtige, vloeibare, vlammende en vluchtige lappen hemel, kruimels hemel, vlagen hemel, stapels. De hemel is alomtegenwoordig zelfs in het onderhuidse duister. Ik neem hemel op, scheid hemel af. Ik ben een val in een val, een bewoonde bewoner een omhelsde omhelzing, een vraag in antwoord op een vraag.
De scheiding tussen aarde en hemel is niet de juiste manier om aan dit geheel te denken. Ik kan er alleen mee overleven op een preciezer adres dat sneller is te vinden, als ik gezocht zou worden. Mijn bijzondere kenmerken zijn geestdrift en vertwijfeling.
O, hoe gebrekkig sluiten de grenzen van de mensenstaten! Hoeveel wolken drijven straffeloos over, hoeveel woestijnzand sijpelt niet van land tot land hoeveel steentjes rollen in provocerende sprongetjes bergafwaarts naar vreemde landouwen.
Moet ik hier elke vogel noemen, zeggen hoe hij vliegt of uitgerekend neerstrijkt op de slagboom aan de grens al is het maar een mus –zijn staart hangt buitenslands, terwijl zijn snavel thuis is. En stilzitten is er niet bij!
Van de ontelbare insecten beperk ik me tot de mier die zich tussen de linker- en de rechterschoen van de grenswacht niet geroepen voelt te antwoorden op diens ‘waarvandaan? waarheen?’
Ach, als je heel die chaos precies kon overzien, op alle continenten tegelijk! Smokkelt de liguster van de overkant niet net blaadje nummer honderdduizend over de rivier? Wie anders dan de inktvis met zijn brutaal lange armen schendt de heilige zone van de territoriale wateren?
Kunnen we eigenlijk wel van enige orde spreken, als zelfs de sterren niet uit elkaar te schuiven zijn en we dus nooit zullen weten welke voor wie schijnt?
En dan nog dat verfoeilijke neerdalen van mist overal! En dat stuiven van de steppe waar je ook maar kijkt. alsof hij nergens recht doormidden wordt gesneden! En die stemmen die op gedienstige luchtgolven weerklinken: dat gepiep dat om iets roept, gepruttel dat niets betekent!
Waarlijk vreemd vermag alleen te zijn wat menselijk is, De rest is gemengd bos, mollenwerk, wind.
Op de foto: het verwoeste spoorknooppunt Lyman, in het oosten van het net niet bezet Oekraïne / Jelle Krings, de Volkskrant, 24 februari 2025
Het is vandaag precies drie jaar geleden dat Poetin zijn immense oorlogsmachine bevel gaf middels ‘een speciale militaire operatie’ onrechtmatig beslag te leggen op Oekraïne. Van wat er daarna aan wreedheden volgde heeft iedereen kennis kunnen nemen. Wie zijn oren en ogen nog niet gesloten heeft kan dat nog iedere dag.
Mijn persoonlijke verbijstering had wel zo ongeveer het einde bereikt, dacht ik, terwijl ik aan de linkerhorizon de monsterlijkheden zich zag op stapelen en aan de rechterhorizon murwheid nageijld zag worden door domme onverschilligheid, opzettelijke ongeïnformeerdheid en laffe besluiteloosheid. Maar het kan nog erger. Nu Trump zich er persoonlijk mee bemoeit wordt iedereen geacht het onvoorstelbare te zien als ‘normaal’ en de uitkomst van het krankzinnig oorlogsgeweld als een ‘deal’. Trump en zijn hofhouding van hielenlikkers en paladijnen doen geen enkele moeite een schijn van menselijkheid op te houden. You Get What You See.
De fotojournalist Jelle Krings reist al een aantal jaren mee met de trein die oorlogsslachtoffers van het oostelijk front in de Donbas naar een veiliger plaats vervoert, station Vrede. En omgekeerd weer soldaten naar het front brengt, station Oorlog. ‘Iron People’, worden de mensen genoemd die dit doen. Heen en weer. Heen en weer. Al drie jaar lang. Zijn foto’s en zijn verhaal vertellen over die trein.
Bij een verjaardag hoort taart. Drie kaarsjes. Feest. Een bloemetje. Een gedicht. Maar ik wist er geen meer te schrijven. Tot mijn grote spijt weet ik niets van de Oekraïense poëzie. Waar putten mensen in de grimmigste duisternis nog hoop uit? Wat kan hén nog hoop geven?
Mij schoot het gedicht VERJAARDAG van de Poolse dichteres Wisława Szymborska (1923-2012) te binnen. Dat gaat over de onbevattelijke kracht in de natuur: ‘van bloempjes en blaadjes en steel, blind in de weer, / één keer in de ruimte, als nooit eerder, nooit meer, maar minachtend nauwkeurig, neerbuigend zo teer.’ Het is te vinden in de bundel In elk geval (1972).
Een natuurgedichtje als troost? Ongeïnformeerdheid is wat mij betreft een kapitale zonde. Lees het levensverhaal van Szymborska. Duik in de geschiedenis van Polen. Besef waar je in 1972 maar beter je mond over kon houden. Bedenk waar je in het huidige Rusland maar beter je mond over kunt houden. Of in het huidige Amerika. Bedenk wat er met mensen gebeurt die dankbaar hun hoop mogen stellen in wat De Grote Leider voor Waarheid houdt. Maar dan ook alleen dát mogen geloven.
Te weinig.
Eén leven is te weinig.
Twee keer zou ik willen leven op deze droevige planeet …
Aristoteles dacht nog dat zwaluwen in het najaar in winterslaap onder in vijvers onderdoken: waar anders, je zag ze toch niet? Daarna gebeurde er een allemachtig lange tijd niet zo gek veel in de vogelkunde op het vlak van de vogeltrek. Ja, naar de maan, dat zou kunnen. Pas aan het begin van de 19e eeuw ontdekte een Duitser dat de ooievaar die hij zojuist had geschoten al door een andere jager was geraakt. De pijl die het beest doorboorde bleek van Afrikaanse herkomst. Rare theorieën waren daarmee ook lek geschoten. Maar hoe zat het nou?
Pas aan het begin van de twintigste eeuw kwam er beweging in het vogeltrekonderzoek. Dat was een lange weg. Met het ringen van vogels werden aanvankelijk povere resultaten geboekt: vind zo’n ringetje maar eens terug. De kleurringen aan het eind van de vorige eeuw maakten het mogelijk met een goede kijker snel en eenduidig af te lezen waar een vogel vandaan kwam. Met zendertjes en geolocators is nu de precieze route van een individuele vogel te volgen. Nog maar sinds kort is er een leerstoel Trekvogelecologie aan de RUG. Die nieuwe tak van wetenschap maakt duidelijk dat op deze kwetsbare planeet alles met alles verbonden is. Voedselschaarste, of – overvloed elders heeft directe gevolgen voor de vogelstand hier. Klimaatverandering kun je ook in beeld brengen door naar het wel en wee van vogels te kijken. Onvermijdelijk moeten we dan ook naar onszelf kijken.
Het aller-, allernieuwste is de kraanvogelradar. Daarmee kan tot op zekere hoogte voorspeld worden welk route de kraanvogels volgen als ze deze weken van Zuid-Europa naar Scandinavië trekken. Vanwege windkracht en windrichting zullen er tienduizenden, mogelijk honderdduizend kraanvogels dit weekend in het oosten van het land te volgen zijn. Wat je noemt: spectaculair.
Nu wil ik die radar niet meteen afdoen als een populariserend speeltje van Wageningen University & Research. Er gaat veel onderzoek onder schuil. Maar het gebruik van die kennis leidt niet altijd tot heilzame ontwikkelingen. Van mij mag iedereen vrijelijk van dit ongelofelijke fenomeen genieten. Maar naast alles wat we te weten kunnen komen over deze majestueuze vogel triggert die radar ook menselijke eigenschappen die die mensen beter zou kunnen leren bedwingen: Succes Verzekerd! A Unique Experience! Alombeschikbaarheid! Nooit Lag De Natuur Zo Onder Handbereik!
Moet ik nou de dag zo somberend beginnen? Luister, vanochtend nog in de schemering, hoorde ik een merel hier in de parkrand zijn hele repertoire uitproberen. Wat een componist. De blaadjes lopen al uit, overal staat de hazelaar in bloei – die merel weet van de lente. Maar wat weet ik van die merel als ik zijn zingen niet versta?
Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor, en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling, zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt en pas als je het hebt, weet wat het was, dat je soms een pakje ergens heen brengt en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt, dat je te licht bent, zoals je je, wachtend, minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens maar toch het meest wachtend bent, zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waarom het ging en je een geur te binnen schiet bij wijze van herinnering, zoals je weet bij wie je op alert en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen, zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.
Judith Herzberg, Zoals (1992)
__________________ Opm. Denken dieren? We hebben geen flauw benul. Duiven kunnen rekenen, kraaien lossen ingewikkelde vraagstukken op. Apen hebben besef van tijd, hebben een notie van rechtvaardigheid, kunnen rouwen, net als olifanten. Honden kennen schuldgevoelens. Walvissen zingen hun liederen in complexe structuren. Is dat denken? De vraag stellen komt voort uit verwondering. Antwoorden zijn meestal te haastig, en als het om de wetenschap gaat uiterst voorlopig. Je komt er niet met begrippen als instinct, natuur, bewustzijn, theory of mind: die verleggen het probleem alleen maar. Denken mensen? Dat zouden we wel willen. Maar als ik (bijvoorbeeld) ’s avonds in mijn bedje de dag overdenk, lukt het maar zelden mijzelf op ‘een gedachte’ te betrappen die ik het meedelen de moeite waard acht. Kronkels. Brij. Chaos. Watten. Wat? Ja, zo is het. Over de politiek laat ik mij vanochtend maar helemaal niet uit, noch de nationale, noch de geopolitiek
Kan een dier dit mensengedachtelijk gedicht begrijpen? Vermoedelijk niet zoals ik dit doe. En ik heb er al moeite mee, al weet ik perfect waar dit gedicht over gaat. Een dier zou, denk ik, op Herzberg afkomen. Behoedzaam snuffelend misschien, nog een beetje op de hoede. Maar dan bij haar gaan liggen: Herzberg kun je vertrouwen. Die denkt met haar hart.
Gisteren wiekelde ik. Ik zocht de tegenwind en probeerde op één plaats in de oneindige luchtruim te blijven, hangend boven het veld, mijn oog gericht op de prooi die ik wilde verschalken. Ik voelde mij een torenvalk. Ik was een torenvalk. Even.
Met één oog volgde ik de verrichtingen van de Kamerleden. Zij debatteerden over de plannen van de minister die gaat over het stikstofprobleem. Het is een groot probleem. En maar een kleine minister. De Kamerleden vielen over haar oplossing. Ze vonden dat de minister (heus niet alleen voor de Landbouw maar ook voor de Natuur) de boeren een halfdode mus had voorgehouden. Daar ben ik het, geloof ik, wel mee eens maar dat van die halfdode mus vond ik een beetje zwak. Zowat het hele vogelrijk tuimelt amechtig uit de lucht.
Mijn andere oog las in Koos van Zomeren ’s Het verlangen naar klapekster (2014). Dat zijn notities van de tochten die hij drie opeenvolgende winterseizoenen maakte in de buurt van Arnhem om klapeksters te zien. Dat waren er niet veel. Hij vond er wel, maar niet veel. Dat wist Van Zomeren ook wel, het laatste broedgeval is uit 1999. Maar toch, de hond moest ook uitgelaten. En een schrijver wil ook iets te doen hebben. Zijn verheugdheid er toch weer een gezien te hebben is aanstekelijk Daar veerde ik van op. Maar toch. Dat zijn boek in de ramsj ligt is uit economisch oogpunt begrijpelijk. Wie bekommert zich om een klapekster?
Ik heb ooit zelf wel eens een klapekster gezien, dacht ik. ’t Was ergens op de Veluwe, een heideveld. Van Zomeren zal het kennen. Ik kende de vogel nog niet en moest een vogelgids raadplegen: Zien is kennen. Toen was – ie al zeldzaam. De vogel was te ver weg om ‘m met zekerheid te determineren. Een vogel ken je pas als je oog in oog staat. Eigenlijk heb ik meer een vermoeden dat ik toen een klapekster heb gezien. Ach, ons geheugen.
Ach oude man die na het avondeten in zijn knutselschuurtje vogels mompelt. Vogels mompelt hij hoe ging dat ook alweer.
Intussen verft hij veren, knipt hij snavels, snuffelt tussen poten in het potenmagazijn. Er worden botten uitgeboord en bloeds- omlopen doorgeblazen, spieren opgerekt en darmkanalen ingekort, hersen- pannetjes tot aan de rand gevuld – de oude man vergeet de tijd. En daar verschijnen uit zijn adem kruimeldiefjes, dakgootzangers boombekrassers, nachtomroepers garnalenvangers, kloosterbroeders blauwe krijgers, ja eigenlijk te veel om waar te zijn. Dan richt de klok zich op om twaalf te slaan, het einde van de vijfde dag.
Het moet mijn vader geweest zijn die mij voor het eerst op een jagende torenvalk wees: ‘kijk, hij bidt’. Ik bewaar een herinnering aan hoe hij dat zei, hoor zijn stem weer, meer dan een halve eeuw later. Ik kleuterde en mocht met hem in de auto mee de polder in als hij zijn klanten bezocht, de boeren; hij vertelde wat hij zag. Dát is een fazant, en dát een patrijs. Die had je toen nog volop in de polder, net als leeuweriken.
Dat ‘kijk, hij bidt’ klonk als een neutrale aanduiding maar die riep bij mij toch verwarring op. Wat had dat jagen met vroomheid van doen? Kerkgang was toentertijd regel maar een torenvalk had ik in de kerktoren bij ons in de straat nog nooit ontdekt. Van die kerk af geraken zou trouwens nog zeker tien jaar duren, bij mij tenminste.
Ik herinner mij ook dat ik later het zomaar ergens opgepikte alternatief, wiekelen, meteen veel passender vond. De vraag bleef waarom dat tegen de wind in jagen, boven één plek hangend, dááraan herken je een torenvalk, nou bidden moest heten. Bidden deed je met de ogen dicht maar die torenvalk had zijn scherpe ogen juist wijd open. Die gefocuste blik had als kind al mijn aandacht: wat zag die valk?
Toen ik op school vreemde talen kreeg ging mij een licht op: to prey betekent ergens op azen, jagen. To pray, bidden, klinkt hetzelfde. Die uitleg heb ik nooit ergens bevestigd gezien en ook nu zoek ik tevergeefs in vogelboeken. De meeste mensen zeggen nog steeds ‘bidden’, als ze een torenvalk al herkennen, gedachteloos misschien. Aan ‘wiekelen’ herken je de agnost.
Het verhaal wordt eentonig: ook met de torenvalk gaat het niet goed. Er zijn gewoon te weinig muizen. En dat heeft weer alles met onze manier van boeren te doen. Het toekomstperspectief is somber; Vogelbescherming Nederland en SOVON hebben 2025 daarom uitgeroepen tot Jaar van de Torenvalk. Zou het helpen?
Hoe vurig moet je bidden om het tij te keren voor een natuur die ligt te zieltogen ? Gisteren publiceerde LTO Nederland plannen om uit de stikstofcrisis te geraken. Die plannen gaan niet over het verminderen van stikstof in het milieu maar over ‘het juridische kader’. En die lui van de LTO hebben wat juristen ingeschakeld. Kijk er nou gewoon nog eens anders naar, lijkt de boodschap. Kort gezegd: het zijn idiote plannen. Bidden ze bij LTO nou net zo vurig dat het voor de boeren dan allemaal wel mee zal vallen?
In de reflectieve staat waarmee ik mijn dagen begin, probeer ik mildheid in mijzelf op te wekken. Mildheid en mededogen voor alles wat leeft, voor de dieren in het veld, de vogels in de lucht, voor mijzelf. Voor de boeren ook. Noem het voor mijn part meditaties. Maar bidden doe ik niet. Ik wiekel. Met de ogen wijd open.
Er is een en ander gaande in deze wereld waar je acuut cynisch van kunt worden. Woedend kan ook. Verdrietig. Of bang. Het hangt er maar van af voor welke emotionele reactie je een voorkeur hebt ontwikkeld. En met welke media je die emoties linksom of rechtsom gewend bent te voeden.
Laten we het luchtig houden: twee nogal operetteachtige figuren verdelen een taart. Die taart is groot genoeg, daar ligt het niet aan. Maar de eigendunk van beide figuren is dermate fors ontwikkeld dat ze dénken van niet. Daarover gaat deze klucht. Opgepast, allo allo! Het WERELDBEROEMDE DUO! Luimige Knock-abouts!!!
Waarom is er nu al succes verzekerd? Wel, hun denken is namelijk omgekeerd evenredig aan hun ingebeelde omvang. Niet bijster groot. Dus. Aanzienlijk kleiner in elk geval dan één enkel pitje van slechts één aardbei van de vele aardbeien op die taart, waaraan het niet ontbreekt. Er is echt genoeg voor allen.
Nu houden beider hofhoudingen dit beeld graag in stand: er kan eens een kruimeltje vallen?! In andere koninkrijken, vorstendommen en roofstaten, houden vazallen en troonpretendenten de tweekamp nauwlettend in het oog: hoe vallen de kruimels?! Daarom voeden allen dagelijks het grote, terwijl men van het kleine doet of het niet wordt opgemerkt.
Ik zal het hier maar bij laten. In de kranten van vandaag is weer genoeg te vinden om het libretto naar eigen behoeften, talent en verbeeldingskracht in te vullen.
_____
Intussen. Intussen,
_____
VOOR WARMTE
Ik houd mijn gezicht in mijn twee handen. Nee. Ik huil niet. Ik houd mijn gezicht in mijn twee handen om de eenzaamheid warm te houden – twee handen die beschermen, twee handen die koesteren, twee handen die voorkomen dat mijn ziel kwaad bij me weggaat.