
Fanfare van de 1e liefdesnacht | foto Gertruud Kruse
Al die mensen met wie wij gistermiddag door het centrum van Amsterdam de Klimaatmars liepen hoefden wij natuurlijk niet te overtuigen. Die wisten het al. Maar wat was ‘het’? ‘Zo kon het niet langer’. Maar wat was ‘zo’?
Het lukt gisteren niet om al die mede-marcheerders daarop eens te bevragen. Nou ja, marcheren? We schuifelden maar wat mee in de stoet, na het Rokin kwam de Vijzelstraat, en we stonden ook wel eens stil. Een blik in de ogen was wel voldoende, vonden we: al die mensen hebben het goede voor met deze getormenteerde aarde. Als we nu stoppen met fossiele brandstof kunnen paradijselijke tijden aanbreken. Duurzame in elk geval. Waren die niet beloofd?
Ter hoogte van de Honthorststraat stagneerde de optocht. We hoopten maar dat dat kwam omdat het Museumplein al vol was. Ook al goed. Van de sprekers op de Dam hadden we ook niet veel meer meegekregen dan wat flarden van de fossielvrije boodschap. Dat geloofden we wel.
Er speelde een orkestje en omdat we kans zagen een zitplekje te vinden gingen we zitten. De zon scheen genadiglijk op ons neer, de wolken zeilden vrolijk door het blauw boven het Museumplein en wat die muzikanten bliezen was aanstekelijk en vol plezier. Wel een half uur zaten wij daar en wij deelden in dat plezier.
Toen de laatste deelnemers het hek van de optocht sloten, en de muzikanten hun instrumenten opborgen, vonden we dat we wel genoeg gedemonstreerd hadden en na de Spiegelstraat, de Herenstraat en het Singel, na de Dam en toen het Centraal Station waar we onze fietsen weer uit de stalling haalden stapten we weer op de pont naar Noord. En daar werden we weer gewoon.
We waren met z’n 40.000-en geweest, leerden we van de media toen we weer thuis waren. Van de hoeveelste klimaatmars wel niet? Het interesseerde me wel degelijk hoe de media over de mars rapporteerden – nee, geen enkel incident, alles was heel gemoedelijk verlopen, dat hadden we zelf ook al lang vastgesteld, zag jij die blinde grootmoeder ook die door die glunderende agent door de mensenmassa naar het los gezworven groepje verontruste grootouders werd teruggeleid? – maar benieuwder was ik eigenlijk alleen maar naar de wonderlijke naam van dat orkestje dat alle deelnemers belangeloos een hart onder de riem had gestoken en waar wij zo intens van hadden genoten: ‘Fanfare van de 1e liefdesnacht’?
En ik dacht aan mijn aller- allereerste liefdesnacht, lang geleden, ik moest nog twintig worden. En dat toen alles duidelijk was. En dat dat paradijs voor altijd zou zijn. Duidelijker kon niet, de aarde niet en wij niet. Duidelijker kon het nooit gezegd. En dat dan iedere dag laten zien.











