De gestage opmars van de halsbandparkiet kan mensen moeilijk ontgaan, als je in de Randstad woont tenminste, of in een andere grote stad in West-Europa. ‘Lawaaipapegaai’, hoor je hem hier wel noemen en in dat epitheton klinken zowel vertedering als verguizing door. Is er al een werkgroep Wat te doen met de parkiet? ?
Als je niet kopje onder wilt gaan in het almaar verder polariserende debat over het lot van asielzoekers in Nederland – nou ja, luidruchtige uitwisseling van opinies, gekrijs is een ander woord – dan is het verhaal van de halsbandparkiet een mooie case study om te oefenen in argumentatie. Feitelijke gegevens duikel je zo op internet op (vanaf de jaren ’70 inmiddels zo’n 4000 broedparen, en nee, niet bedreigend voor andere holenbroeders) maar daarna begint het spannende, de meningen over die feiten. Ik vat het maar even samen: die hebben te maken met wereldbeelden. Dan ben je dus wel even bezig.
De halsbandparkieten die hier voor ons huis bewoning van de treurwilg aan het water hebben verkozen, hebben inmiddels vliegvlugge jongen. ’s Ochtends vroeg zie ik ouders met hun jongen de omgeving verkennen. Als ik ze niet zie, hoor ik ze wel. Inspectierondes.
Ook mij zien ze, op het balkon. Wat willen ze mij toch zeggen?
Er gaat iets voorbij – populieren luisteren in voornaam ruisen
_____
Opm.
Een foto kan, een schilderij als je goed kunt schilderen. Of een gedichtje, soms. Maar je kunt er de vinger niet op leggen. Het raakt even aan, even maar. Er is een aanraking, een trilling, een geroerd worden, een huivering misschien.
Is het de wind? De wind is het niet.
Is het de zomer? De zomer is het niet.
Is het mijn leven? Mijn leven is het niet.
Is het de tijd? De tijd is het niet.
Word ik geroepen? Dan niet met mijn mensennaam maar met mijn oorspronkelijke, die ik vergeten was en toch herken.
Ik luister met de bomen, en buig met het gras.
Ik rijd op de wolken door het water, in het licht.
Ik rimpel met de golfjes, dein mee als een lelieblad.
Ik word te grimmig, vindt mijn vrouw. Ze proeft bitterheid in mijn reflecties. Ik verpak grieven in grappen, giet pijn in azijn. ‘Schrijf nou maar es gewoon over de vogels en blijf es wat dichter bij huis.’ Ze vindt het maar niks als ik de wereldpolitiek erbij sleep. En het gebazel van Trump is haar alle aandacht niet waard.
Maar het is nu eenmaal zo dat alles met alles samenhangt. En het is nu eenmaal zo dat het makkelijker is de zottepraat van een ander aan de paal te nagelen dan de waarde van mijn eigen woorden te wegen. Toch heeft ze gelijk: boosheid lucht misschien wel op maar verandert niets. Met die eierdoos waarover ik gisteren over begon, wilde ik alleen Trump’s krankzinnige claim op een plekje in de Amerikaanse eregalerij in de rotsen van Mount Rushmore belachelijk maken. Egghead. Maar wat heb ik daar in vredesnaam te zoeken?
Over de eierdoos valt net zo goed een klaagzang aan te heffen. Die doos drukt onze treurig verstoorde relatie met de natuur uit. Het ei is een ding, een breekbaar en lastig heel te houden ding. De kip is een manier om eieren te krijgen. De kip is zelf een ding. In die hele ontzielde pluimveesector gaat het uitsluitend om efficiency, kostenbesparing en winst. Als je in Barneveld en omstreken over ‘ziel’ begint komen ze daar met een ander verhaal. Nut of zin, laat ik er maar over ophouden.
In mijn vogelboekenkast koester ik een boek dat over het wonder van het vogelei gaat: Tim Birkhead, The Most Perfect Thing/ Het vogelei; wonder van volmaaktheid (2016). Wat er te weten valt over het ei staat erin. Birkhead weet veel. Zijn enthousiasme spat van de bladzijden en af en toe proef ik tussen de regels door zijn verwondering. Zijn ontzag. Maar verder zijn het vooral feiten: schaal, vorm, kleur, beschrijving van processen. Dat wat je kunt meten. Waar dit alles uit voortkomt niet. Het levensbegin niet. En de verwondering niet. Ook de wetenschap raakt de kern niet. Weten is geen zijn.
Ik was nog niet naar school en verkende de wereld in de achtertuin van mijn ouderlijk huis. Ergens achterin stond een sering. Die bloeide en die geurde, ‘t was in mei. Ik zie het nog, ik ruik het nog. En hoog in die sering zat een merel te zingen. Ik stond perplex. Het leek of die merel zijn tonen uit de blauwe hemel haalde. Vanaf zijn tak strooide hij die uit over de wereld, over mij. En dan luisterde hij, en keek of ik het gehoord had, haalde weer nieuwe klanken van boven. Strooide weer uit. Hoe klein ook mijn begrip, op dat eigenste moment werden hemel en aarde verbonden. Het duurde een minuut of tien misschien. Ik begreep het niet. Maar ik verstond het.
Het duurde een eeuwigheid en het duurt voort tot vandaag. Met religiositeit heeft dat niets van doen en ik aarzel nu die ervaring spiritueel te noemen. Met dat soort woorden begint veel verwarring. Numineus dan? Ook maar een woord, ik zou het niet weten. Het doet er niet toe. Maar ik weet wel dat díe ervaring weer opgeroepen kan worden door muziek, soms. Een vioolconcert. Een mens die een lied zingt en mijn hart raakt. Een gedicht. Alle lelijks in de wereld wordt dragelijk als dat gebeurt.