
Merelnest
Ik word te grimmig, vindt mijn vrouw. Ze proeft bitterheid in mijn reflecties. Ik verpak grieven in grappen, giet pijn in azijn. ‘Schrijf nou maar es gewoon over de vogels en blijf es wat dichter bij huis.’ Ze vindt het maar niks als ik de wereldpolitiek erbij sleep. En het gebazel van Trump is haar alle aandacht niet waard.
Maar het is nu eenmaal zo dat alles met alles samenhangt. En het is nu eenmaal zo dat het makkelijker is de zottepraat van een ander aan de paal te nagelen dan de waarde van mijn eigen woorden te wegen. Toch heeft ze gelijk: boosheid lucht misschien wel op maar verandert niets. Met die eierdoos waarover ik gisteren over begon, wilde ik alleen Trump’s krankzinnige claim op een plekje in de Amerikaanse eregalerij in de rotsen van Mount Rushmore belachelijk maken. Egghead. Maar wat heb ik daar in vredesnaam te zoeken?
Over de eierdoos valt net zo goed een klaagzang aan te heffen. Die doos drukt onze treurig verstoorde relatie met de natuur uit. Het ei is een ding, een breekbaar en lastig heel te houden ding. De kip is een manier om eieren te krijgen. De kip is zelf een ding. In die hele ontzielde pluimveesector gaat het uitsluitend om efficiency, kostenbesparing en winst. Als je in Barneveld en omstreken over ‘ziel’ begint komen ze daar met een ander verhaal. Nut of zin, laat ik er maar over ophouden.
In mijn vogelboekenkast koester ik een boek dat over het wonder van het vogelei gaat: Tim Birkhead, The Most Perfect Thing / Het vogelei; wonder van volmaaktheid (2016). Wat er te weten valt over het ei staat erin. Birkhead weet veel. Zijn enthousiasme spat van de bladzijden en af en toe proef ik tussen de regels door zijn verwondering. Zijn ontzag. Maar verder zijn het vooral feiten: schaal, vorm, kleur, beschrijving van processen. Dat wat je kunt meten. Waar dit alles uit voortkomt niet. Het levensbegin niet. En de verwondering niet. Ook de wetenschap raakt de kern niet. Weten is geen zijn.
Ik was nog niet naar school en verkende de wereld in de achtertuin van mijn ouderlijk huis. Ergens achterin stond een sering. Die bloeide en die geurde, ‘t was in mei. Ik zie het nog, ik ruik het nog. En hoog in die sering zat een merel te zingen. Ik stond perplex. Het leek of die merel zijn tonen uit de blauwe hemel haalde. Vanaf zijn tak strooide hij die uit over de wereld, over mij. En dan luisterde hij, en keek of ik het gehoord had, haalde weer nieuwe klanken van boven. Strooide weer uit. Hoe klein ook mijn begrip, op dat eigenste moment werden hemel en aarde verbonden. Het duurde een minuut of tien misschien. Ik begreep het niet. Maar ik verstond het.
Het duurde een eeuwigheid en het duurt voort tot vandaag. Met religiositeit heeft dat niets van doen en ik aarzel nu die ervaring spiritueel te noemen. Met dat soort woorden begint veel verwarring. Numineus dan? Ook maar een woord, ik zou het niet weten. Het doet er niet toe. Maar ik weet wel dat díe ervaring weer opgeroepen kan worden door muziek, soms. Een vioolconcert. Een mens die een lied zingt en mijn hart raakt. Een gedicht. Alle lelijks in de wereld wordt dragelijk als dat gebeurt.
Een merel zingt nog
iets oneindig verdrietigs –
dan houdt ook dat op
Plaats een reactie