
Houtduiven | foto cubavink / Vroege Vogels
Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven bij dageraad:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven in de middag:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Namiddagse houtduiven:
roe kóe koe roe koe!

Houtduif | foto Sjon_zoom / Zoom.nl
Tumult! Uit takken,
uit veertjes komt een houtduif
getuimeld – ontzet

Die stille triomf
voor de duif naar beneden zweeft
bevrijd, heel even

Het aardige van symbolen is dat ze de wetten van de logica ontstijgen. Ze verwijzen naar iets dat groter is dan je als mens bij elkaar kan redeneren. De dichter is dol op symbolen. Ik spreek uit ervaring en mag er dienaangaande dus best een mening op nahouden.
Als ik bijvoorbeeld in een versje vermeld dat de scholeksters op leven en dood roepen dan bedoel ik dat hun kreten je door merg en been gaan *. Probeer maar eens te doen of je hen niet hoort: die redden nog maar net het vege lijf! Er staat wat er staat, letterlijk.
De uitdrukking op ‘leven en dood’ zet evenwel de poort open naar het dichterlijk domein waar geheimzinniger wetten gelden. Wie de sprong waagt naar die overdrachtelijke betekenis realiseert zich misschien dat het in de natuur nooit zo maar een spelletje is: het is eten of gegeten worden. Nou ja, dat is ook maar een opvatting. Vanuit het perspectief van wederzijdse afhankelijkheid, interdependency, is een heel andere opvatting mogelijk. Geheimzinnig inderdaad, maar ik wou even het niveau ontstijgen van to be or not to be. Laat staan dat ik mijn haiku in het licht durf te stellen van het werk van de schrijver van die regel. Of dat ik mij verhovaardig dat mijn versje leidt tot plotselinge verlichting. Ik bedoel, verlichting is mooi maar je kunt ook gewoon de lamp aan doen. Als je hierover gaat bakkeleien in termen van de alledaagse logica, maar ook in de termen van de formele logica, is het eind zoek. De kracht van een symbolische duiding is dat die figuurlijke duiding kan. De zwakte van een symbolische duiding is dat het niet hoeft. Er staat niet wat er niet staat. Ik bedoel: als je je geliefde een gouden ring omdoet, bedoel je ook niet het equivalent van de actuele goudprijs te schenken. Dit alles is erg verwarrend, kijk maar naar het aantal echtscheidingen. En nou moet ik het nog over de Nederlandse vlag hebben.
Als onderscheidingsteken heeft zo’n gekleurde doek een aanmerkelijk voordeel. Dan weet ik bijvoorbeeld dat ik mij van de taal kan bedienen die ik als kind geleerd heb en die ik nu ook al aardig spreek. Helemaal zeker is overigens dat niet en een andere taal vind ik ook spannend.
Nu zijn er mensen die nog een hele ris andere voordelen aan het rood-wit-blauw verbinden, identiteit bijvoorbeeld, en dan wordt het problematisch. Ik vind bijvoorbeeld niet dat ik dan ook privileges geniet die mensen die onder een andere vlag een andere taal geleerd hebben niet genieten. Ik kom dan in het domein van de interdependency en daar liggen de zaken nu eenmaal anders. Je gaat het pas zien als je door hebt, zoiets.
De vlag omkeren is Verwarring 2.0. Het is echt niet zo dat ik mij iedere morgen vertwijfeld afvraag hoe het met mijn identiteit gesteld is maar stellige uitspraken daaromtrent ondermijn ik even enthousiast. Op één en dezelfde morgen kan ik beweren dat ik een geweldig dichter ben en te zelfder ure nog dat ik een onverbeterlijke ouwehoer ben.
Mijn verwarring begint als ik dat rood-wit-blauw gepresenteerd zie als blauw-wit-rood, zoals de laatste dagen weer allerwegen vaak te zien is.
Sommige boeren doen dit. Niet allemaal maar toch, als de driekleur wordt omgekeerd kun je er zeker van zijn dat er ook boerenzakdoeken in de wind wapperen. Een symbool wordt omgekeerd in een ander symbool. Ik begrijp dat dat een boodschap heeft. Maar welke? Dat het hele land omgekeerd moet worden?
Dit is natuurlijk ongelofelijke flauw. Straks belanden we op het niveau dat ze daar zelf mee begonnen zijn en dat ze zelf alle omgeploegde land maar weer keurig moeten terugleggen, voor na voor, en er voor zorgen dat de beken en de andere watertjes weer lekker kronkelen, en de wormen weer terug zijn, en alle insecten, en de vogels. Dat soort gekmakende logica waaraan in deze tijden van polarisatie toch waarlijk geen gebrek is.
Maar wat nou, bedacht ik vanmorgen in een flits van verstandsverduistering, als ik met de vulpen waarmee ik mijn gedichten pleeg te schrijven, die met een massief 18 K gouden punt want anders gaat ‘t niet, fier omhoog geheven langs ’s heren wegen al demonstrerend en profeterend naar ’s Gravenhage toog om aldaar de huidige bestuurderen satori af te dwingen, daarbij enige haiku gevaarlijk dicht voor hun bestuurdersgezicht wapperend, alsmede de punt van mijn vulpen, dat zou toch wel zot zijn, is het niet?
_____
*
Zéér dringend is het
waarvan scholeksters reppen –
op leven en dood

Foto: Wouter Cardoen / Natuurpunt.be
Al die meningen?
Fuck! meent de halsbandparkiet,
die heb ik zelf wel
_____
Opm.
De gestage opmars van de halsbandparkiet kan mensen moeilijk ontgaan, als je in de Randstad woont tenminste, of in een andere grote stad in West-Europa. ‘Lawaaipapegaai’, hoor je hem hier wel noemen en in dat epitheton klinken zowel vertedering als verguizing door. Is er al een werkgroep Wat te doen met de parkiet? ?
Als je niet kopje onder wilt gaan in het almaar verder polariserende debat over het lot van asielzoekers in Nederland – nou ja, luidruchtige uitwisseling van opinies, gekrijs is een ander woord – dan is het verhaal van de halsbandparkiet een mooie case study om te oefenen in argumentatie. Feitelijke gegevens duikel je zo op internet op (vanaf de jaren ’70 inmiddels zo’n 4000 broedparen, en nee, niet bedreigend voor andere holenbroeders) maar daarna begint het spannende, de meningen over die feiten. Ik vat het maar even samen: die hebben te maken met wereldbeelden. Dan ben je dus wel even bezig.
De halsbandparkieten die hier voor ons huis bewoning van de treurwilg aan het water hebben verkozen, hebben inmiddels vliegvlugge jongen. ’s Ochtends vroeg zie ik ouders met hun jongen de omgeving verkennen. Als ik ze niet zie, hoor ik ze wel. Inspectierondes.
Ook mij zien ze, op het balkon. Wat willen ze mij toch zeggen?

Vroeg opgewonden
springen bij de halsbandparkieten
de veertjes al los

Er gaat iets voorbij –
populieren luisteren
in voornaam ruisen
_____
Opm.
Een foto kan, een schilderij als je goed kunt schilderen. Of een gedichtje, soms. Maar je kunt er de vinger niet op leggen. Het raakt even aan, even maar. Er is een aanraking, een trilling, een geroerd worden, een huivering misschien.
Is het de wind? De wind is het niet.
Is het de zomer? De zomer is het niet.
Is het mijn leven? Mijn leven is het niet.
Is het de tijd? De tijd is het niet.
Word ik geroepen? Dan niet met mijn mensennaam maar met mijn oorspronkelijke, die ik vergeten was en toch herken.
Ik luister met de bomen, en buig met het gras.
Ik rijd op de wolken door het water, in het licht.
Ik rimpel met de golfjes, dein mee als een lelieblad.
Er is dit een onuitsprekelijk geluk.

Buteo buteo | foto Christof Delbeare
Hemel van azuur –
twee buizerds dwalen er in,
en ook windveren

Merelnest
Ik word te grimmig, vindt mijn vrouw. Ze proeft bitterheid in mijn reflecties. Ik verpak grieven in grappen, giet pijn in azijn. ‘Schrijf nou maar es gewoon over de vogels en blijf es wat dichter bij huis.’ Ze vindt het maar niks als ik de wereldpolitiek erbij sleep. En het gebazel van Trump is haar alle aandacht niet waard.
Maar het is nu eenmaal zo dat alles met alles samenhangt. En het is nu eenmaal zo dat het makkelijker is de zottepraat van een ander aan de paal te nagelen dan de waarde van mijn eigen woorden te wegen. Toch heeft ze gelijk: boosheid lucht misschien wel op maar verandert niets. Met die eierdoos waarover ik gisteren over begon, wilde ik alleen Trump’s krankzinnige claim op een plekje in de Amerikaanse eregalerij in de rotsen van Mount Rushmore belachelijk maken. Egghead. Maar wat heb ik daar in vredesnaam te zoeken?
Over de eierdoos valt net zo goed een klaagzang aan te heffen. Die doos drukt onze treurig verstoorde relatie met de natuur uit. Het ei is een ding, een breekbaar en lastig heel te houden ding. De kip is een manier om eieren te krijgen. De kip is zelf een ding. In die hele ontzielde pluimveesector gaat het uitsluitend om efficiency, kostenbesparing en winst. Als je in Barneveld en omstreken over ‘ziel’ begint komen ze daar met een ander verhaal. Nut of zin, laat ik er maar over ophouden.
In mijn vogelboekenkast koester ik een boek dat over het wonder van het vogelei gaat: Tim Birkhead, The Most Perfect Thing / Het vogelei; wonder van volmaaktheid (2016). Wat er te weten valt over het ei staat erin. Birkhead weet veel. Zijn enthousiasme spat van de bladzijden en af en toe proef ik tussen de regels door zijn verwondering. Zijn ontzag. Maar verder zijn het vooral feiten: schaal, vorm, kleur, beschrijving van processen. Dat wat je kunt meten. Waar dit alles uit voortkomt niet. Het levensbegin niet. En de verwondering niet. Ook de wetenschap raakt de kern niet. Weten is geen zijn.
Ik was nog niet naar school en verkende de wereld in de achtertuin van mijn ouderlijk huis. Ergens achterin stond een sering. Die bloeide en die geurde, ‘t was in mei. Ik zie het nog, ik ruik het nog. En hoog in die sering zat een merel te zingen. Ik stond perplex. Het leek of die merel zijn tonen uit de blauwe hemel haalde. Vanaf zijn tak strooide hij die uit over de wereld, over mij. En dan luisterde hij, en keek of ik het gehoord had, haalde weer nieuwe klanken van boven. Strooide weer uit. Hoe klein ook mijn begrip, op dat eigenste moment werden hemel en aarde verbonden. Het duurde een minuut of tien misschien. Ik begreep het niet. Maar ik verstond het.
Het duurde een eeuwigheid en het duurt voort tot vandaag. Met religiositeit heeft dat niets van doen en ik aarzel nu die ervaring spiritueel te noemen. Met dat soort woorden begint veel verwarring. Numineus dan? Ook maar een woord, ik zou het niet weten. Het doet er niet toe. Maar ik weet wel dat díe ervaring weer opgeroepen kan worden door muziek, soms. Een vioolconcert. Een mens die een lied zingt en mijn hart raakt. Een gedicht. Alle lelijks in de wereld wordt dragelijk als dat gebeurt.
Een merel zingt nog
iets oneindig verdrietigs –
dan houdt ook dat op

Foto: M. van Versendaal / Zoom.nl
Het mussenjong wist
nog niet wat het zeggen zou –
het was toch iets