
Telkens hetzelfde
aftelversje van de mussen –
telkens weer anders

Telkens hetzelfde
aftelversje van de mussen –
telkens weer anders

Troglodytes troglodytes | foto Deeldenatuur
Vanaf zijn kansel
preekt hij het eeuwig leven,
de winterkoning

Vóór het blaasconcert
onder de boom veegt iemand
blad weg – bladmuziek

glas – aaltje wezen
grote zeeën dragen je
komen waar je komt
J.C. van Schagen [1891-1985), Ik ga maar en ben, 1972

Over Zeeland valt veel te vertellen, wat ik nochtans niet zal doen. Het beproefdste recept voor volkstoeloop is een roffelende brochure met de belofte dat hier de stilte nog te beleven is. Of een reisgids die voor je bewegwijzert welke weg je moet bewandelen om een notie van de oneindige ruimte op te doen.
Ik graaf in mijn herinnering om te achterhalen wanneer in mijn leven Zeeland begon te wenken. Door Nescio misschien, die Bavink Japi, de uitvreter, laat leren kennen op de boot naar de Zeeuwse eilanden. Dat was lang voor de Deltawerken, zo rond vóórvorige eeuwwisseling. Nescio is daar niet erg precies in, ofschoon hij zelf graag in Veere logeerde. Maar deze kennismakingsvraag: ‘is u niet die heer uit Amsterdam die altijd maar aan den waterkant zit?’ Dat valt nogal mee, Japi moet ook nog slapen. Ik was nog geen zeventien toen ik dit voor het eerst las en het doordrong mij alleszins van het besef dat je geen lid van een hengelsportvereniging hoefde te zijn om in het water te turen. Het betoverende spel van het licht, het water dat maar golft, het licht dat zelf een golf is.
In dezelfde tijd leerde ik Van Schagen kennen, Narrenwijsheid (1925). In de zomer verbleef hij in Domburg, ik wil nog eens uitzoeken waar precies. ’s Winters keek hij er in Deventer op toe hoe de regen de IJssel vulde. Met die hele zogenoemde kunstenaarskolonie had hij niet van doen, zoals ook zijn poëzie zich niet in een school laat onderbrengen. Ja, die van Lao Zi misschien. ‘Je moet het zwijgen.’ Allicht.
Intrigerend heb ik altijd gevonden dat Van Schagen gepromoveerd is op stellingen op het gebied van de visserij. Dat was nog voor hij Narrenwijsheid publiceerde. Voor een jurist, én Zeeuw, is dat geen vreemd onderwerp. Maar dan, uit mijn hoofd en van veel later datum, deze haiku:
Zie mijn goede net,
alle vis zwemt er doorhéén –
zo moet je vissen
Het boodschapperige van deze haiku maakt dat ik ‘m makkelijk kan onthouden. Maar dat maakt ‘m ook ietwat pedant, zélfs als je goochelt met de begrippen letterlijk en figuurlijk. Al hoop ik dat vissers niet verder komen dan een letterlijke lezing. Met de Schrift zijn ze daar tenslotte ook niet kinderachtig in. Of juist wel.
Ik bedoelde juist iets kleiners, iets wat maar nét in een haiku past en toch aan de randen van de eeuwigheid raakt:
windje komt uit zee
strijkt laag door het helmgras
en valt daar in slaap
Kijk, dat gebeurt mij nou weer: wil ik iets duidelijk uitleggen, verdwaal ik toch weer. Vanmiddag moesten we maar eens op Veere aanfietsen en kijken of de Campveerse toren er nog staat. En de grote kerk. Nee, nergens om.

Ik zal een boom zijn
en ik zal de vogel zijn
die in me nestelt.
Ik zal de grond zijn
waar de boom in wortelt
waar de vogel woont.
Ik zal de wind zijn
en grond en boom en vogel
eindeloos strelen
en onder de boom zal ik de mens zijn
die dit dromend zal bestaan.
J. C. van Schagen

Binnenstebuiten | 5 haiku
Bewogen worden
in wiegeling van de wind
waaiert de wilg
Licht ruisen
tussen rijzen
ruiselen de berken
Naar alle kanten
open gaan – en verwaaien
wuiven de iepen
Meegevoerd worden
in het ebben en de vloed
fluistert de zee
Vleugels krijgen
van de liefde en haar wee
waait de wind

Ze spelen met licht,
de kraaien, tillen licht op
met hun veren vingers