Minimaal


Willem van Althuis, Laaxum (één van de vele schilderijen die Van Althuis in de jaren 1976-1985 van de zoutloods maakte)

Erik Satie (1866-1925) wordt vaak genoemd als de voorbereider van het minimalisme. Ofschoon je meteen begrijpt wat dat voor de muziek betekent moeten musicologen dat maar uitleggen. Ik volsta met de anekdote dat uitvoerende musici bij het openen van de partituur voor het tweede deel van Arvo Pärt ’s Tabula Rasa, Silentium, zich achter de oren krabbend afvroegen waar of de noten waren. Waren die na het speelse eerste deel, Ludus, allemaal al de hemel uit getuimeld? Nu ja, Pärt zal vanaf die etherische plek vast wel een vrome boete- of treurzang zijn aangevangen. Men kan over het spirituele gehalte van de zogenoemde minimal music er even gemakkelijk het zwijgen toe doen, als betogen dat het gewoonlijk repetitieve karakter grenst aan een dwangstoornis. Over essentialisme laat ik me al helemaal niet uit.

In mijn hoofd zwerft al dagen de gedachte rond eens iets zinnigs op te merken over 4’33”, de beroemde stiltecompositie uit 1952 van John Cage. Vermoedelijk is dat het meest minimalistische stuk over het minimalisme. Maar ik ben bang dat ik me dan overschreeuw. Over vier minuten en drieëndertig seconden stilte valt een encyclopedie te vullen. Vanwaar dan deze ingeving?

Omdat ik nu al enige weken doende ben grip te krijgen op het belang van de kwaliteiten stilte, ruimte en duisternis in de natuur zeulde ik de afgelopen weken het boek van Kester Freriks mee, dat geheel ontoevallig dezelfde titel voert (Kester Freriks, Stilte, ruimte, duisternis; Verkenningen in de natuur. Amsterdam 2018). Af en toe bladerde ik door de plaatjes maar tot (her)lezen kwam het niet. Vooral de zoutloods bij Laaxum trof mij telkens weer. Meer dan 15 keer schilderde Willem van Althuis (1926-2005) die, ik moet er een tiental hebben gezien. En iedere keer was het wéér raak. Wat Freriks daarvan vond hoefde ik eigenlijk niet zo nodig meer te weten.

Die zoutloods bij het kleinste vissershaventje van Europa bestaat nog – ik rijd er wel eens expres langs als ik mijn moeders land van herkomst bezoek. Maar om dat zieltogende vishok te zien, écht te zien, hoef je niet naar Friesland. ’t Is nu een verzamelplaats geworden voor mensen die bij droog weer niet weten waar ze anders hun bier moeten drinken. De Hang, heet ’t nu. Maar wat Van Althuis daarin toen zag. ‘De dampkring in rust.’ ‘De binnenkant van zonlicht.’

Dat ik steeds door de plaatjes blader, en dan ook nog bij Van Althuis blijf steken, en niet tot herlezen van het boek kom, heeft te maken met het inzien van wat K. Schippers zo mooi verwoordde: Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is. In het grijs van Van Althuis liggen alle kleuren van de regenboog verscholen. Met duisternis is dat net zo. Absolute duisternis bestaat niet.

Het komt ook door die 4’33”, dat ik niet verder kom. Freriks gebruikt een citaat van John Cage als motto voor zijn verkenningen: “Before we know the unknown, it inflames our hearts. – John Cage, 4’33” (‘stiltecompositie’, 1952)”. Ik bedoel, ik weet hoe dat stuk klinkt. Ik bedoel, ik weet niet hoe dat stuk klinkt als het wordt uitgevoerd. Het is iedere keer weer anders. Daarom is het zo moeilijk er iets zinnigs over te zeggen. De stilte is zo groot.

Plaats een reactie