
Reinbert de Leeuw (1938-2020) dirigeert John Cage | © ANP
Reinbert de Leeuw durfde het in 2010 aan in een volle studio van De wereld draait door het stuk 4’33” uit te voeren. Ik vond de opname terug en verbaas me er vooral over hoe de wereld sindsdien is veranderd. De partituur van 4’33” is nog even fris als vóór de wereld begon, het programma werd om onfrisse redenen beëindigd. ‘Doordraaien’ blijft inderdaad dubbelzinnig.
Wat er in De Leeuw omging toen hij achter de vleugel plaatsnam valt moeilijk van zijn gezicht af te lezen. De camera’s registreerden hoe het publiek reageerde op die iets meer dan viereneenhalve minuut stilte, met De Leeuw achter de toetsen van een blinkende vleugel. Die blijft onaangeraakt, alleen de klep gaat open en dicht. Een timer houdt de tijd bij. Ik hoor: iemand die gaat verzitten, geritsel, een vaag gezoem, gefluister, een kuchje, een lach die gesmoord wordt, ademhalen. Ik zie: ongeloof, achter de hand lachen, irritatie, verwondering, afschuw, in zichzelf verzonkenheid, boosheid, vrolijkheid, ‘is dit nou alles?’, ‘leg dat maar eens uit!’ Ik voel: toenemend ongemak van een harde stoel, de warmte van lampen die op mij gericht zijn. Wat is ik?
Hoe ik dit zo zeker denk af te kunnen lezen van de gezichten van de aanwezigen? Dit is wat er met mij gebeurt als ik ga zitten voor een meditatie.
Het is bekend dat John Cage (1912-1992) zich in de jaren ’40 heeft verdiept in het Zenboeddhisme. Ook het Boek der Veranderingen (I Tjing) had zijn ernstige belangstelling. Hoe? Geen flauw idee. In welke mate dat een rol speelde bij zijn composities? Nog minder. En laat ik mijzelf maar niks wijs maken dat ik iets begrijp van de avant-gardemuziek. Of van het Zenboeddhisme.
Héél soms begrijp ik de Hartsoetra. ‘Leegte is vorm, vorm is leegte’: een makkie, wat anders? Maar meestal blijft die tekst zo toegankelijk als het gemoed van een brok steen. En even aaibaar.
Iedere ochtend begin ik met even op het balkon te zitten. Als ik thuis ben tenminste, want ik ben ook wel eens ‘weg’. Ik zie het lichter worden, luister naar de vogels. De kraaien waren vroeg vanmorgen, de jonkies bedelden luidruchtig. Ik hoorde de zwartkop maar zag ‘m niet. Er was een triller van de roodborst, één enkele maar. Een reiger vloog telkens aan met een tak in zijn bek. Sinds dit jaar heeft hij een nest in de bosrand tegenover. Ik vermoed een broedsel.
Ik hoor de stad op gang komen: gedruis van installaties, een optrekkende vrachtauto, een dichtklappend portier, een haperende startmotor, een scheepshoorn van over het IJ. Onder mij gaat een telefoon over, naaldhakken van iemand die over straat loopt. De echo raapt gehaast haar stappen op.
En vreemd, ik denk: dat is muziek. En nog vreemder, ik denk zeker te weten dat Cage dát bedoelde. Zo is het.
Plaats een reactie