De Waddenzee bij Schiermonnikoog. Foto Kees van de Veen
O v e r h e t w a d
De avond valt
op weergaloze wijze.
Er zijn geen woorden voor
dit wad – en dan:
hoe zou ik sprakeloos
nog namen kunnen geven?
De wind, de wind
hij fluistert, vat mij aan
hij voert mij door dit al
___
Overweging
Men hoort wel beweren dat de grootste zegening van het afgetreden kabinet is dat het zo verrekte weinig voor elkaar heeft gekregen. Dit is niet zo. Ook niks doen is een handeling. Of daar onverschilligheid onder schuilt, of roekeloosheid, of gewetenloosheid, weet ik niet maar ook dat heeft een prijs. Al is die niet in centjes uit te drukken.
Bij het woordje ‘migratie’ was tot voor kort de Waddenzee het eerste wat mij te binnen schoot: die miljoenen en miljoenen vogels die daar in eindeloze variaties komen en gaan, hun kostje bij elkaar scharrelen, en weer verder trekken: naar het Noorden als het zomer wordt, naar het Zuiden als het hier wintert. Mauritanië, Zuid-Afrika en Groenland, Siberië zijn buurlanden. Zogezegd, want grenzen zijn er niet voor vogels. De kanoetstrandloper heeft geen paspoort. Over de andere dieren en over de vissen heb ik het nog niet eens maar het lijkt mij moeilijk iemand te vinden die nog nooit van kraamkamer heeft gehoord. Volgens de politiek dien ik nu bij ‘migratie’ aan iets heel anders te denken. Iets met de strafbaarstelling van het verstrekken van een kommetje soep aan een vreemdeling, als ik het moet geloven. Dat is in elk geval het gevolg van een probleem dat gezien wordt als een probleem dat geen probleem is. Men kraamt maar wat uit.
De kanoetstrandloper bijvoorbeeld bestaat niet omdat hij of zij een goochemerd is die listig van de mogelijkheden profiteert (buikje volvreten op het Wad, lekker rustig jongen grootbrengen op een afgelegen taiga, terugkomen naar het Wad om weer op te vetten, doortrekken naar een net zo rijk voedselgebied waar het zonnetje lekker schijnt, hetzelfde maar dan anders, weer terug naar het Wad, enzoverder enzovoorts), de oneindige mogelijkheden máken dat een vogel als de kanoetstrandloper kan bestaan: precies zo, met dat verenkleed, met die snavel, die poten, met dat foerageergedrag, met die behoeften, met die gewoonten, met die broedcyclus. Hoe dit allemaal zit is een groot mysterie, zoals het hele leven een groot mysterie is. Stel eens argeloos een vraag (‘wat doet die vogel daar?’) en het mysterie zal nog groter blijken, de eigen onbenulligheid nog onbenulliger.
Zo-even beweerde ik dat de Club van Hoop, Lef en Trots niks gedaan heeft. Dat klopt niet helemaal. De staatssecretaris van Landbouw, Visserij en andere Lobby’s heeft op 18 juni jl. definitieve vergunningen verleend voor garnalenvisserij in natuurgebieden. Met een ongekend lange looptijd van 20,5 jaar. Da’s mooi, brood op de plank voor die beroepsgroep! Ho even, brood, want al die garnalen vreten de vissers natuurlijk niet zelf op. Die worden gegeten door die kanoetstrandlopertjes, als ze die nog vinden ten minste. En al die andere vogels.
Dat er voor een complex probleem simpele oplossingen zouden bestaan, hoort niemand mij beweren. Dat de Unesco mede op grond van een rapport als Staat van de Waddenzee voor de Waddenzee de status van Werelderfgoed (let op het woordje status) overweegt in te trekken, zal ook wel niet genoeg zijn om dit idiote staatssecretariële besluit terug te draaien.
Het zal vloed worden, en weer eb. Vogels zullen komen, en weer vertrekken. De wind zal uit het westen waaien, krimpen en ruimen, draaien naar het oosten. En de Waddenzee zal niet eeuwig bestaan. Niet de tijd gaat voorbij, de mens gaat voorbij. Ook ik.
Komt een duif van honderd pond, een olijfboom in zijn klauwen, bij mijn oren met zijn mond vol van koren zoete vrouwen, vol van kirrende verhalen hoe de oorlog is verdwenen en herhaalt ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.
Sinds ik mij zo onverwacht in een taxi had gestort dat ik in de nacht een gat naliet dat steeds groter wordt, sinds mijn zacht betraande schat, droogte blozend van ellende staan bleef, zo bleef stilstaan dat keisteen ketste in haar lenden, ben ik te dicht en droog van vel om uit te zweten in gebeden, kreukels knijpend evenwel, en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede’.
Liefde is een stinkend wonder van onthoofde wulpsigheden als ik voort moet leven zonder vrede, godverdomme, vrede; want het scheurende geluid waar ik van mijn lief mee scheidde schrikt mij nu het bed nog uit waar wij soms in dromen beiden dat de oorlog van weleer wederkeert op vilten voeten, dat we eigenlijk al niet meer kunnend alles, toch weer moeten liggen rennen en daarnaast gillend in elkanders oren, zo wanhopig dat wij haast dromen ons te kunnen horen.
Mag ik niet vloeken als het vuur van een stad, sinds lang herbouwd, voortrolt uit een kamermuur, rondlaait en mij wakker houdt? Doch het versgebraden kind, vuurwerk wordend, is het niet wat ik vreselijk, vreselijk vind: het is de eeuw dat niets geschiedt, nadat eensklaps, midden door het huis, een toren is komen te staan van vuil, lang vergeten keldermodder, snel onbruikbaar wordend huisraad, bloedrode vlammen en vlammend rood bloed, de lucht eromheen behangen met levende delen van dode doch aardige mensen, de eeuwige stilte voor- dat het verbaasde kind in deze zuil gewurgd wordt en reeds de armpjes opheft.
Kom vanavond met verhalen hoe de oorlog is verdwenen, en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen.
Leo Vroman, De Gids, 1954
_____
Opm.
Dit vaak geciteerde Vrede van ‘de vlakbijste dichter’ van Nederland (Kees Fens) kent net zoveel interpretaties als er lezers zijn. ‘Vlakbij’: wie herkent niet dat een trauma levenslang meegedragen wordt? En dat je daar zelfs in de liefde alleen mee bent? Kennelijk legt het gedicht de vinger op zo’n niet te helen wond. Iedereen begrijpt ook onmiddellijk: je kunt een kind wel uit de oorlog halen maar de oorlog niet uit een kind.
De oorlog, intussen, ‘verdwijnt’ niet zomaar: een olijftakje in het snaveltje van een duifje is niet genoeg. Zie Gaza, Israël, Iran, Oekraïne, Rusland, Darfur. Al die andere plaatsen.
Wenen helpt ook niet. Het zit nog dieper dan vlakbij.
De Denker der Nederlanden, David van Reybrouck, merkte het gisteren nog even fijntjes op in Buitenhof: ons politieke stelsel gelijkt een ouwerwetse koets uit de tijd van Thorbecke. Ik had wat zitten dromen bij de verhalen van de politici die hadden mogen uitleggen hoe het allemaal zat na de val van het kabinet. Wat ze ook zeiden, over het oplossen van het stikstofprobleem hadden ze het niet. Ik noem maar iets. Aan de oorzaken kwamen ze dus al helemaal niet toe. De koets denderde hotsebotsend voort.
In mijn valiezen bewaar ik al heel lang het pamflet Aan het volk van Nederland. Dat werd in de nacht van 25 op 26 september 1781 over alle grote steden van het land verspreid vanuit geblindeerde koetsen. Toen Van Reybrouck over die koets begon, dacht ik daar weer aan en terstond was het gedaan met mijn dromerij. De paarden van mijn eigen koetsje sloegen op hol. Wanneer werd het volk van Nederland nou es wakker?
Ik ga Van Reybroucks pamflet Pleidooi voor populisme (2008) nu maar even niet vergelijken met dat van Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol, indertijd. Het gaat mij er ook niet om de gelukkigheid van Van Reybroucks beeldspraak van die koets te prijzen. Of de ongelukkigheid ervan te laken. De vraag is: hoe word je wakker?
Van Reybrouck schreef nog iets, een paar week geleden al. Wanneer wordt de wereld daar nou es wakker van?
Ik kan het niet meer aanzien
Ik kan het niet meer aanzien. De grijze lichamen. De rode vlekken. De gebouwen die ooit scholen waren en nu nog slechts plekken Waar het puin opklautert tegen het puin.
Ik kan het niet meer aanzien. De zwarte handen die verkrampten In een godvergeten gebaar. De kapotte ogen. De kapotte mond. Het witte kinderhaar.
Ik kan het niet meer aanzien hoe een land dat zo goed weet Wat lijden is, de donkerste nacht heeft overleefd, nu zelf zoveel vergeten is.
Ik kan het niet meer aanzien hoe elke poging tot gesprek Vastloopt in hetzelfde getrek van wel en niet en wel en niet Terwijl een volk wordt uitgemoord.
Ik kan het niet meer aanzien hoe de waarden waarmee wij zwaaien Geen woorden worden, geen akkoorden breken, geen verboden geven Maar hoe wij blijven draaien rond onze oude spijt.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij melktanden uit monden slaan Vingerkootjes maaien hoe we kinderbuikjes openscheuren en daar Dorst en honger zaaien.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij zo van schuld doordrongen Zo verwrongen kijken naar zij die op ons lijken En naar de bergen lijken.
Ik ween om kandelaren die onnoemelijk hebben geleden Ik ween om hoefijzerbogen die geen gebed meer zullen horen Ik ween om het geprevel van veel te vele lippen.
Ik kan het niet meer aanzien. De stoffige lijven. Het donkerrode kaakgewricht. Maar ergens op een heuvelkam staat een geitje met een lam Dat mekkert, mekkert naar het ochtendlicht.
O, hoe gebrekkig sluiten de grenzen van de mensenstaten! Hoeveel wolken drijven straffeloos over, hoeveel woestijnzand sijpelt niet van land tot land, hoeveel steentjes rollen in provocerende sprongetjes bergafwaarts naar vreemde landouwen.
Moet ik hier elke vogel noemen, zeggen hoe hij vliegt of uitgerekend neerstrijkt op de slagboom aan de grens? Al is het maar een mus –zijn staart hangt buitenslands, terwijl zijn snavel thuis is. En stilzitten is er niet bij!
Van de ontelbare insecten beperk ik me tot de mier die zich tussen de linker- en de rechterschoen van de grenswacht niet geroepen voelt te antwoorden op diens ‘waarvandaan? waarheen?’
Ach, als je heel die chaos precies kon overzien, op alle continenten tegelijk! Smokkelt de liguster van de overkant niet net blaadje nummer honderdduizend over de rivier? Wie anders dan de inktvis met zijn brutaal lange armen schendt de heilige zone van de territoriale wateren?
Kunnen we eigenlijk wel van enige orde spreken, als zelfs de sterren niet uit elkaar te schuiven zijn en we dus nooit zullen weten welke voor wie schijnt?
En dan nog dat verfoeilijke neerdalen van mist overal! En dat stuiven van de steppe waar je ook maar kijkt. alsof hij nergens recht doormidden wordt gesneden! En die stemmen die op gedienstige luchtgolven weerklinken: Dat gepiep dat om iets roept, gepruttel dat niets betekent!
Waarlijk vreemd vermag alleen te zijn wat menselijk is, De rest is gemengd bos, mollenwerk, wind.
Er was een man, ik zeg niet wie hij was, die hield van de natuur,
althans dat dacht hij, want hij had gehoord dat daar zoveel te vinden was,
de stilte, vrijheid, blijheid en jezelf en zo. Genoeg in elk geval om daar
eens heen te gaan. Hij ging en kwam behouden aan.
En toen hij zijn boterhammen op had?
Stilte. Wie stilte wil beschrijven moet zijn mond maar houden. Wie niets hoort luistert niet en heeft niets te vertellen.
Vrijheid. Het zou een heel leuke boel worden als de vrijheid eens een beetje doorzette, ja jezelf zijn, eindelijk zou niemand ons begrijpen. Maar wij begrijpen elkaar helaas uitstekend. Ook in de meest luxueuze bittertaal van dichters spreekt alles vanzelf.
Blijheid. De blijheid waar wij naar verlangen is er gelukkig niet. We zouden dodelijk getroffen worden door een herfstblad, tegen de aarde gesmakt door de wiekslag van een duif, verbrand door de zon. Wie niet sterk is moet bedroefd zijn.
Nee, toen hij zijn boterhammen op had hoorde hij de regen die zijn hele leven door gevallen was, rook hij het gras waar hij zijn hele leven koekhappend en zaklopend door heen gestrompeld was onder het gelach van grote mensen, hoorde de regen en de stem van moeder uil die in de olmen huilde en riep om hem.
Rutger Kopland, Alles op de fiets, 1969
_____
Misschien niet het sterkste gedicht van Kopland, maar ja, hij moest zichzelf toen als dichter nog uitvinden. Midden dertig was hij toen hij het schreef, en nog volop bezig zich als psychiater te ontwikkelen. Toch zit in de kiem al alles waar hij later betere woorden voor vond: de beloften van die grazige weiden, die maar niet ingelost leken te kunnen worden.
Ik fietste vaak langs waar hij woonde, het stroomdal van de Drentse Aa. Ach, wat zijn woorden als je het over stilte wilt hebben.
Geluk is, schrijft Kopland ergens later, als twee woorden bij elkaar willen horen. Daar spreekt de dichter. In dit gedicht lijkt meer de psychiater te spreken. Soms vallen die samen. Soms ook niet.
Maar wie niet elk dag in zijn ziel roert, zegt een andere schrijver (Gerrit Krol), bevriest.
Vandaag raakt mij het beeld van het strompelend koekhappen en zaklopen. Wat een leven!