[Recensie: Josephine Quinn: Het westen – Een 4000-jarige geschiedenis. Uit het Engels vertaald door Brenda Mudde en Maarten van der Werf. Thomas Rap; 624 pagina’s; € 44,99]
Ready Made, twee kleuters
Jij was de goeie en ik was de slechte. Ik wil liever de slechte zijn. Nee, ik ben de slechte. Jij bent de goeie. Waarom moet ik altijd de goeie zijn?
Waarom wil jij niet de goeie zijn? Twee goeien is niet spannend. Mag ik dan straks de slechte zijn? Straks. Maar nu ben jij de goeie.
Om de imponerende balletten van de kraanvogel te kunnen zien moet je naar het oosten van het land maar de reigers kunnen er ook wat van. Iedere keer als ik er langs fiets vind ik het verbazingwekkend dat reigers in bomen kunnen nestelen. Toch is het zo en ook nog eens gewoon in de stad. Er zit zo’n kolonie in het Baanakkerspark hier vlakbij. Ik ben gistermiddag even wezen kijken, ’t was lenteachtig en ze waren al volop met takken in de weer. Waren ze nou waarachtig al aan het broeden? Dat is ook nog zoiets wonderlijks: ze broeden in kolonies, hier met wel zo’n vijfentwintig bij elkaar. Biologen vinden daar geen sluitende verklaring voor, reigers zijn helemaal niet zulke aaibare of sociale dieren. Maar wat een elegantie als ze aan komen zeilen en dan met de vleugels breed uitwaaierend op de lucht rustend proberen de zwaartekracht te overwinnen. Die lange poten die er maar wat onder lijken te zwabberen maar precies op het juiste moment in die schijnbaar ordeloze hoop takken die het nest moet voorstellen naar houvast grijpen. Evenwicht. Gratie.
Nee, niet ‘net kraanvogels’, want als je gaat vergelijken blijf je bezig. En de vergelijking valt dan altijd beroerd uit voor degene aan wie je om heel andere redenen al even ongegrond een pest had.
Een heel andere karakterstudie toont de documentaire Schoffies (Marc van Fucht, 2006; https://npo.nl/start/afspelen/schoffies_1 ). Daarin wordt de reiger geportretteerd als echte Amsterdammer. Dan hangt ‘t er maar van af wie je vindt een ‘echte’ Amsterdammer te zijn. Een levend en af en toe vermakelijk portret levert het wel op, óók van de mensen die zich om de reigers bekommeren. Of zich daar weer gruwelijk aan ergeren vanwege de kostprijs ener koikarper. Goudvis of koikarper is hen om het even zolang er in de vijver maar vis glinstert.
De reiger een stadsbewoner? Jazeker, en dat al vanaf de dertiende eeuw. Nou ja, Amsterdam was toen nog lang geen stad maar ‘de rheygers’ zijn de eerste vogels die in het stadsarchief van de stad genoemd worden. Door Ghysbrecht van Aemstel, jawel, dezelfde. Dat is niet zo gek als je bedenkt dat de Amstel een veenrivier is en dat Amsterdam uit een moerasgebied zou verrijzen. En als je ook alle bebouwing van na 1300 even wegdenkt. Wat geen onplezierige gedachtengang is.
Naar verluidt is Amsterdam de enige hoofdstad ter wereld met zoveel reigers en reigerkolonies. De stad is daarom zelfs ‘vermaard’ beweren sommige kringen, al moet ik de toerist nog tegenkomen die deswegen de stad bezoekt. Misschien beweeg ik mij in andere kringen; ook mijd ik gewoonlijk de binnenstad. Hoe dan ook, er zijn meerdere kolonies midden in de stad (Artis, Frankeldaal) en dat lijkt nog al strijdig met bijvoorbeeld ook Thijsse’s observatie dat je een reiger niet makkelijk van nabij kunt leren kennen: “Ze zijn geen al te beste bejegening gewoon, noch van mensen, noch van dieren en zien daarom in ieder bewegend wezen een vijand, in iedere ongewone omstandigheid een gevaar.” (Jac. P. Thijsse, Het Vogeljaar, 1903). Maar toen werden reigers nog allerwegen bejaagd: als welkom boutje voor op tafel, de sierveren voor op dameshoedjes of gewoon uit broodnijd door de vissers.
Als je je er toch aan waagt natuur en cultuur te overdenken, of de scheidslijn tussen die twee tracht te tekenen, dan ben je van gisteren nog niet klaar. Ook vanmorgen laat ik het onbeslist. Het volgende gedicht gaat wel over een echte reiger die Chr. van Geel in de weilanden rond het Noord-Hollandse Groet zag rondstappen. Maar het is natuurlijk vooral een zelfportret als dichter. In meerdere opzichten herken ik mij.
Ergens in mijn hoofd huist een fenologische agenda: week 6, merels! Daar trekken die merels zich natuurlijk niks van aan. Die numerieke agenda is ook maar iets uit de tijd toen ik nog voor de klas stond en het schoolleven daardoor gedicteerd werd. Maar: mijn alert zijn op het eerste merelgezang – en het échte moment dat-ie daadwerkelijk begint te zingen. Iedereen voelt de veranderingen die al een zweem van voorjaar aankondigen.
Het komt allemaal heel precies in de natuur. Er zijn buiten geheimzinnige processen gaande waarover je niet nadenkt als je een boterham smeert of de post doorneemt. Die gaan over schimmels, zaadjes en eitjes, beestjes die je niet kunt zien maar die toch heel belangwekkend zijn. Die gaan over temperatuur en licht, beschikbaarheid, ontvankelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid, een verbijsterend aantal zaken die allemaal voor elkaar moeten zijn aleer die merel weet: Nu! En losbarst.
Lijster en merel horen tot dezelfde familie, net als trouwens de koperwiek en de kramsvogel. Waarom zingt de lijster als eerste? Waarom vertrekken de koperwiek en de kramsvogel weer richting het noordoosten als je hier weer in je hemdje buiten kunt zitten?
Het gedicht van Herman de Coninck dat ik gisteren aanhaalde kwam spontaan opwellen. Dat ligt ook ergens diep verborgen in mij, ook daar zijn geheimzinnige processen gaande. Wie dat denkt te kunnen verklaren met ‘Kunst, associaties!’ verklaart helemaal niks. De kunst niet, de mentale processen niet en het verlangen al helemaal niet.
Verlangen is de herinnering aan iets dat komen zou. Verlangen is een beekje dat met een ander beekje samen verder gaat, dat een riviertje wordt en op weg gaat naar zee. Ze hebben het geruis van de zilverfabriek van de zee gehoord. Dit alles was weer zeer nabij toen we vorige week in Zuid-Limburg rondzwierven. En het onderscheid tussen het murmelen van het beekje en de zang van de lijster weg viel.
Verlangen is de herinnering aan iets dat vertrouwd is als de hartslag, intiem als de ademhaling, als iets dat zich steeds herhaalt en nooit hetzelfde is.
Ik dacht aan een keer dat we het gedicht in de klas bespraken. Dat ‘Vingerafdrukken op het venster’ wel een heel erg treffend beeld is voor een gedichtje: dóór het taalspel, de klanken en het ritme, de stuwing van het gedicht, kijk je naar de werkelijkheid. Als door een venster, waarachter een kind vol ongeduld wacht tot de dageraad de dingen zichtbaar maakt, de wereld kleur en geluid geeft, gestalte geeft, en kracht en duur, de wereld wakker en levend wordt.
‘Moeten we bij Nederlands nou ook nog weten hoe een lijster klinkt?’ was het wederstrevende commentaar bij de laatste regel. Ja, juist bij poëzie moet je de vogels leren verstaan. Zonder poëzie is het leven een agenda.
Vingerafdrukken op het venster
Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen te wachten staat op dag. Uit aarde komt nevel,
uit verdriet een soort ach. Wolken zorgen voor vijfentwintig soorten licht. Eigenlijk houden ze het tegen. Tegenlicht.
Het is nog te vroeg om nu te zijn. Maar de rivieren vertrekken alvast. Ze hebben het geruis uit de zilverfabriek van de zee gehoord.
Dochter naast me voor het raam. Van haar houden is de gemakkelijkste manier om dit alles te onthouden. Vogels vinden in de smidse van hun geluid
uit, uit, uit.
(Herman de Coninck, Vingerafdrukken, Amsterdam 1997).
Ida Gerhardt heeft heel wat afgewandeld, alleen of samen met Marie van der Zeyde, haar levensgezellin. Die schrijft in De hand van de dichter over de periode dat Gerhardt haar eerste aanstelling in 1939 in Kampen heeft over de wandelingen langs de IJssel: “[ … ] de Zevenkolkjesweg, Zalk en de Zalkerdijk, Kamper-Nieuwstad met de hooilanden vol kievitsbloemen en morgenster, het Kampereiland, Genemuiden. Langs de IJssel was het in het voorjaar één gewemel van weidevogels, – niet alleen kieviten, maar ook grutto’s en tureluurs, dansend, kantelend met de zon op hun vleugels, roepend; je werd er haast duizelig van.”
Maar dit schrijft Van der Zeyde, en niet Gerhardt zelf. En ook nog eens dertig jaar later. En Ida was haar grote liefde. Die verdedigd moest worden tegen een onwelwillende wereld. Of somtijds kwaadwillende wereld. Gerhardt’ s biografe, Mieke Koenen, spreekt oud-leerlingen uit die tijd en tekent op: “Ze trok zich [ … ] nooit wat van het weer aan, fietste gerust met beestenweer naar het Kampereiland en terug. Ze wandelde ook veel: in een martiale houding, met krachtige pas, zwaaiende armbewegingen – het was meer marcheren dan wandelen.” Mij interesseert de vraag wat Gerhardt nu precies zag.
Volgens mij zag ze overal de schim van Leopold. Van hem had ze op het gymnasium Oude Talen gehad, samen gewandeld – wat heel bijzonder was – en de klassieken vertaald: Vergilius, de Georgica, Lucretius, De rerum naturum om er nog in de oorlogsjaren op te promoveren. Een heel gedoe, om al die elegante of gedragen klassieke metra in het bonkige Nederlands over te zetten. Volgens mij zag ze Roland Holst, met wie ze in de verte verwantschap gevoelde en die ze meermalen heeft gevraagd eens een keer iets aardigs te schrijven over haar nogal conservatief uitgevallen gedichten. Volgens mij zag Gerhardt in de natuur eerst een Platoons Idee en dan prutste ze net zo lang totdat het ding ambachtelijk samenviel met wat er zich in de buitenwereld voordeed.
De bundel De slechtvalk (1966) is grotendeels in Ierland ontstaan. Daar verbleven de dames een aantal jaren iedere zomer in een afgelegen boerderij. Er werd veel gewandeld. Ik ken de streek.
Om iets van de titel, en dus van de bundel, te begrijpen moeten we naar het laatste gedicht uit de eerste afdeling:
HET ONHERROEPELIJKE
Gij slechtvalk met het onyx oog,
gehouwen uit korrelig porfier,
weer keerde ik waar gij zijt. Gedoog
mijn nadering, zwijgend koningsdier.
Eeuwigheid, overstaar mij hier
die nauwelijks te ademen waag,
die in het hart mijn dode draag
in de gesloten sarkophaag.
Wat Gerhardt hier ook ziet, een levendige slechtvalk is het niet. Maar ja, de bundel vervolgt met een afdeling (‘Keltisch’, ‘geïnspireerd door een oud kerkhof met Keltische grafkruisen. Wales, 1800’). Staat ze op een kerkhof, aanschouwt ze een grafornament? Om welke dode het gaat blijft ongewis, er zijn te veel kandidaten als ik de biografie volg. Maar Gerhardt houdt de sarcofaag potdicht. Daarin heerst Egyptische duisternis. ‘En Ik Doe NIET Open!’ Jammer.
Uit de jaren zestig stamt een van de aangrijpendste boeken over vogels dat ik ken, The Peregrine van John A. Baker (De slechtvalk, Atlas / Contact vogelserie). Dat gaat over de slechtvalk. En over de dood, die Baker op de hielen zat.
Deze vergelijking geeft natuurlijk geen pas. Van vergelijken is niemand ooit gelukkig geworden. Als de schaduw van voorgangers over de wereld valt zie je de levende wereld niet.
Die documentaire van Cherry Duyns (De wording, 1988) heb ik nog niet terug kunnen vinden en dat vind ik wel jammer. Langs omwegen vond ik het gedicht waaraan Ida Gerhardt lopende de opnamen heeft gewerkt. Ze was toen al 83 en behoorlijk blind aan het worden. Haar levensgezellin zou niet lang daarna overlijden. Tot aan haar eigen dood in 1997 heeft Gerhardt het met het innerlijk licht moeten doen. Of dat gelukt is weet ik niet.
In mijn editie van de Verzamelde Gedichten staat het gedicht nog niet, die is van 1980. Daarna heb ik kennelijk niets meer van Gerhardt gelezen. Zo gaan die dingen.
Het titelloze gedicht gaat over het ontstaan van een gedicht.
Langzaam opent zich het inzicht
dat een werkelijk vers iets levends
is, van stonden aan een wonder.
Langzaam opent zich het inzicht
dat het licht van binnenin is
wat die wisseling geeft van tinten.
Langzaam opent zich het inzicht
dat geen mensenkind kan weten
waar de herkomst van het vers ligt.
Ida Gerhardt, De adelaarsvarens, 1988
Ik zou het anders zeggen. Maar ja, ‘k ben Ida Gerhardt niet, ik zal wel moeten. Wat ik wel weet is dat je het gedicht de ruimte moet geven. Anders blijft het een fossiel.
Ik was op zoek naar heel iets anders maar vond dit:
De blik van Wouter Helmer bij een verhaal over een beer en een boer, Mook.
Wouter was in Griekenland geweest. Hij zat daar op een berghelling en zag op de tegenoverliggende helling een beer lopen. Die beer ging naar beneden. Over hetzelfde pad kwam op dat moment een boer naar boven. De beer die naar beneden ging, de boer die naar boven ging, het leek wel een gedicht van Paul van Ostaijen. Maar net voordat zij elkaar zouden mogen begroeten, week de beer af van zijn route. Hij verdween in het kreupelhout en kwam pas weer te voorschijn toen de boer voorbij was. Beiden vervolgden zij hun weg, de beer die naar beneden ging en de boer die naar boven ging.
Wouter vond het een prachtig verhaal om te vertellen. Zijn ogen schitterden van plezier. Want die beer was wel een boer tegengekomen, maar die boer geen beer.
Zo vergaat het ons in de natuur.
(Koos van Zomeren, Alle vogels (2017))
Wie Wouter Helmer is weet ik niet. Of Wouter belezen is en zelf bij het beschrijven van een voorval tijdens zijn vakantie het Alpenjagerslied van Van Ostaijen erbij haalde weet ik dus ook niet. Van Zomeren zal het gedicht gekend hebben want anders had hij er natuurlijk niet in zijn stukje over kunnen beginnen. Ik houd hem voor belezen, al ben ik niet helemaal zeker of zijn kennis dieper steekt dan dat dat gedicht over een dalende heer en een stijgende heer gaat: weet Van Zomeren dat de beide heren precies vóór de winkel van de beroemde hoedenmakers Hinderickx en Winderickx elkaar wel degelijk begroeten? Elk met de bloedeigen hoed? En dat ieder na dit groeten de hoed weer opzet, ’t is te zeggen ieder de bloedeigen hoed op het bloedeigen hoofd? Kennelijk is Van Zomeren zich dit ook wel bewust, want anders had hij niet opgemerkt ‘Maar net voor zij elkaar zouden mogen begroeten’.
Al is het natuurlijk niet helemaal uit te sluiten dat hij, Van Zomeren dus, én Van Ostaijen, én diens Alpenjagerslied eerst leerde kennen doordien deze Wouter Helmers hem dit vertelde naar aanleiding van diens getuigenis over de beer en de boer.
Dan nu dat laatste zinnetje. Bij korte stukjes gaat het daar om. ‘Zo vergaat het ons in de natuur’, wie zegt dat? En waar slaat het precies op? Hoor ik bij die ‘ons’? Had die beer dat gedicht van Van Ostaijen moeten kennen soms?
[p.s.
Ik was op zoek naar wat Van Zomeren in de loop der tijd allemaal over de steenuil heeft geschreven, het Jaar van de Steenuil is immers begonnen? Ik ben dus nog wel even bezig.]