
GENESIS
Het was de zesde dag. Adam stond klaar.
Hij zag de eiken met hun volle greep
in het niets. Macht is een kwestie van vertakkingen.
Hij had de bergen gezien, opbergruimtes van
alleen maar zichzelf, hoge leegstaande kelders.
En herten. Met poten zo dun als stethoscopen
stonden ze te luisteren aan de borst van de aarde,
en zodra ze iets hoorden, liepen ze weg,
de uitvinding van het pizzicato met zich meenemend,
verten in. Herten.
En hij had de zee gezien, het laden en lossen van drukte,
waar je rustig van werd. En de lege, hetzerige gebaren
van de wind, van kom mee, kom mee, en niemand volgde.
En diepte, afgronden waar je moeilijk van werd. En zwijgen,
want dat deed het allemaal, en te groot zijn.
En toen zei God: en nu jij. Nee, zei Adam.
Herman de Coninck, De hectaren van het geheugen, Proloog, 1985
_____
Opm.
Misschien moeten we er toch maar eens helemaal van af: het ontstaan van de wereld en alle levende wezen daarop verklaren met oude teksten die te mooi zijn om waar te zijn. Of te lelijk. Toch blijft het Bijbelboek Genesis ook voor mij een zonderlinge bekoring houden. ‘Fantastisch’, zeg dat wel.
Dat boek over het ontstaan of de wording van alles gewoon maar metaforisch opvatten helpt niet verder. ’Gewoon’? Dan staat er altijd wel weer een schriftgeleerde op die ’t ongewoon helemaal anders ziet. En wie het ook geschreven heeft – of hebben, wat veel waarschijnlijker is – Mozes was het niet. Vragen kan dus niet. En dan nog.
Die astronauten die onlangs nog een rondje in de ruimte hebben gevlogen, en de aarde hebben zien opkomen vanaf de achterkant van de maan, en weer veilig terugkeerden, hebben ’t onlangs nog maar weer eens gezegd: wat is die aarde klein in die ontzaggelijke ruimte. En kwetsbaar. En kostbaar.
Zo is het. Wie de ogen en oren open houdt wist dat ook al. Hier moeten we het mee doen. Er is geen andere aarde. En nou niet verkloten.
Plaats een reactie