
SNEU EVENEMENT
Voetbal

Troglodytes troglodytes | foto Deeldenatuur
Vanaf zijn kansel
preekt hij het eeuwig leven,
de winterkoning

Vóór het blaasconcert
onder de boom veegt iemand
blad weg – bladmuziek

Rudi van de Wint, De Tong (van Lucifer), 1993 | foto De Nollen
De afgelopen drie dagen citeerde ik instemmend uitspraken van Shunryu Suzuki (1904-1971). Dat betekent nog niet dat ik een adept ben – voor polonaise heb ik geen natuurlijke aanleg. Toch wil ik mij ergens aan vasthouden, een grond om op te staan, een richting om te gaan.
Is die er? Nee. De wereld is een soepzootje en wat de verdeling van de soep aan gaat, is dat gemeenlijk een zaak wie de grootste bek heeft. Kom dan maar eens aan met een pleidooi voor meer stilte in de wereld, minder kunstlicht om de duisternis te kunnen ervaren, meer ruimte voor de natuur. Zoek die maar lekker in jezelf! En daarom juist citeerde ik Suzuki. Maar dat had ook een ander kunnen zijn, hoor!
Jarenlang reed ik grinnikend langs de Knardijk, die Oostelijk Flevoland scheidde van Zuidelijk. Vanaf 1993 stond daar een sculptuur van de Helderse kunstenaar Rudi van de Wint: een kolos van negen meter hoog gewikkeld draad dat met de jaren steeds groener uitsloeg. In het weidse land viel het met die kolossaliteit overigens wel mee. Alleen als je er pal naast ging staan voelde je je nietig.
‘Hoe heet ‘t ding?’ wilde iemand weten die over de kunstcatalogi gaat. Van de Wint prakkeseren, daar had ie nog niet over nagedacht. Moet alles een naam hebben? ‘De Tong’, zei hij na een poos, misschien omdat hij zelf niet zo spraakzaam was. En na nog een poos ‘De Tong van Lucifer’. Dat zou ‘s mensen aandacht wel even bezighouden en dat leek ‘m wel lollig.
Over de lotgevallen van het kunstwerk is uitvoerig bericht dus dat hoe ik niet te doen. Nu ja, toch nog dit. Iedereen weet natuurlijk wat een lucifer is. Het beeld is evenwel niet opgebouwd uit luciferhoutjes maar uit koperdraad. ‘Lucifer’, met een hoofdletter, is wat anders. ‘Dat moest de duivel zijn’, meenden sommige tongen die altijd nauwkeurig weten waar het duistere kwaad zich schuilhoudt. ‘Godslasterlijk!’ oordeelden zij. Nochtans wordt Lucifer niet genoemd in Bijbelse Geschriften, waaraan zij meenden dat deze veronderstelde blasfemie wel door de kunstenaar ontleend moest zijn. Het komt mij in dit verband komisch voor dat ‘lucifer’ lichtdrager of lichtbrenger betekent. Tot zo ver de duisternis.
Enfin, het werd een heel politiek getouwtrek of de sculptuur daar wel in die door mensenhand geschapen polder mocht staan. Of dat een eenvoudige naamswijziging zou kunnen volstaan. Koperdieven trokken aan het langste eind. Dat leverde kennelijk nogal wat op. Als de vraag in het spel is waarde of geld? is de uitkomst vrij voorspelbaar. Bijna zou ik zeggen: en nu ook de fik maar in die stukgelezen heilige boeken want als je je daar eenmaal op beroept is het eind ook niet in zicht. Tot mijn grote verdriet staat het beeld al een heel lange tijd niet meer op de Knardijk. Blijf dan nog maar eens grinniken.
Nu bereikte mij vorige week een schrijven van de erven De Wint dat de sculptuur tóch weer gerestaureerd zal worden. Als alles weer naar behoren op z’n plek zit, komt het in De Nollen te staan. (https://projectdenollen.nl/). Wind en zon zullen dan vrij spel hebben in die stille binnenduinen. De regen zal er op kletteren en sneeuw zal het in de nacht omkleden. Het zout van de zee zal geheimzinnige transformaties in het koper teweegbrengen. En langzaam zal alle ophef verstommen.
Wat dit verhaal over De Tong met die uitspraken van Suzuki te maken heeft? Ook menig kunstenaar is een roepende in de woestijn.

“Een leerling vertelde Suzuki Roshi over een ervaring waarin hij zich opgenomen voelde in een oneindige ruimte.
‘Ja,’ zei Suzuki, ‘dat zou je verlichting kunnen noemen, maar je kunt het het beste maar zo snel mogelijk vergeten. Hoe gaat het eigenlijk met je werk?’”
In: Shunryu Suzuki, Jullie zijn allemaal verlicht . . . tot je je mond open doet. Uitspraken van Shunryu Suzuki, verzameld door David Chadwick. Haarlem 2001

“Zo nu en dan wees Suzuki Roshi ons op het volgende: ‘In de Lotussoetra spoort de Boeddha ons aan een stukje van de wereld te verlichten – niet de hele wereld. Laat het licht alleen schijnen waar je bent.’”
In: Shunryu Suzuki, Jullie zijn allemaal verlicht . . . tot je je mond open doet. Uitspraken van Shunryu Suzuki, verzameld door David Chadwick. Haarlem 2001

“Een psychiater stelde Suzuki Roshi vragen over de aard van het bewustzijn.
‘Ik weet helemaal niets van bewustzijn,’ zei Suzuki. ‘Ik leer mijn leerlingen alleen maar hoe ze moeten luisteren naar het gezang van de vogels.’”
In: Shunryu Suzuki, Jullie zijn allemaal verlicht . . . tot je je mond open doet. Uitspraken van Shunryu Suzuki, verzameld door David Chadwick. Haarlem 2001

Reinbert de Leeuw (1938-2020) dirigeert John Cage | © ANP
Reinbert de Leeuw durfde het in 2010 aan in een volle studio van De wereld draait door het stuk 4’33” uit te voeren. Ik vond de opname terug en verbaas me er vooral over hoe de wereld sindsdien is veranderd. De partituur van 4’33” is nog even fris als vóór de wereld begon, het programma werd om onfrisse redenen beëindigd. ‘Doordraaien’ blijft inderdaad dubbelzinnig.
Wat er in De Leeuw omging toen hij achter de vleugel plaatsnam valt moeilijk van zijn gezicht af te lezen. De camera’s registreerden hoe het publiek reageerde op die iets meer dan viereneenhalve minuut stilte, met De Leeuw achter de toetsen van een blinkende vleugel. Die blijft onaangeraakt, alleen de klep gaat open en dicht. Een timer houdt de tijd bij. Ik hoor: iemand die gaat verzitten, geritsel, een vaag gezoem, gefluister, een kuchje, een lach die gesmoord wordt, ademhalen. Ik zie: ongeloof, achter de hand lachen, irritatie, verwondering, afschuw, in zichzelf verzonkenheid, boosheid, vrolijkheid, ‘is dit nou alles?’, ‘leg dat maar eens uit!’ Ik voel: toenemend ongemak van een harde stoel, de warmte van lampen die op mij gericht zijn. Wat is ik?
Hoe ik dit zo zeker denk af te kunnen lezen van de gezichten van de aanwezigen? Dit is wat er met mij gebeurt als ik ga zitten voor een meditatie.
Het is bekend dat John Cage (1912-1992) zich in de jaren ’40 heeft verdiept in het Zenboeddhisme. Ook het Boek der Veranderingen (I Tjing) had zijn ernstige belangstelling. Hoe? Geen flauw idee. In welke mate dat een rol speelde bij zijn composities? Nog minder. En laat ik mijzelf maar niks wijs maken dat ik iets begrijp van de avant-gardemuziek. Of van het Zenboeddhisme.
Héél soms begrijp ik de Hartsoetra. ‘Leegte is vorm, vorm is leegte’: een makkie, wat anders? Maar meestal blijft die tekst zo toegankelijk als het gemoed van een brok steen. En even aaibaar.
Iedere ochtend begin ik met even op het balkon te zitten. Als ik thuis ben tenminste, want ik ben ook wel eens ‘weg’. Ik zie het lichter worden, luister naar de vogels. De kraaien waren vroeg vanmorgen, de jonkies bedelden luidruchtig. Ik hoorde de zwartkop maar zag ‘m niet. Er was een triller van de roodborst, één enkele maar. Een reiger vloog telkens aan met een tak in zijn bek. Sinds dit jaar heeft hij een nest in de bosrand tegenover. Ik vermoed een broedsel.
Ik hoor de stad op gang komen: gedruis van installaties, een optrekkende vrachtauto, een dichtklappend portier, een haperende startmotor, een scheepshoorn van over het IJ. Onder mij gaat een telefoon over, naaldhakken van iemand die over straat loopt. De echo raapt gehaast haar stappen op.
En vreemd, ik denk: dat is muziek. En nog vreemder, ik denk zeker te weten dat Cage dát bedoelde. Zo is het.

Willem van Althuis, Laaxum (één van de vele schilderijen die Van Althuis in de jaren 1976-1985 van de zoutloods maakte)
Erik Satie (1866-1925) wordt vaak genoemd als de voorbereider van het minimalisme. Ofschoon je meteen begrijpt wat dat voor de muziek betekent moeten musicologen dat maar uitleggen. Ik volsta met de anekdote dat uitvoerende musici bij het openen van de partituur voor het tweede deel van Arvo Pärt ’s Tabula Rasa, Silentium, zich achter de oren krabbend afvroegen waar of de noten waren. Waren die na het speelse eerste deel, Ludus, allemaal al de hemel uit getuimeld? Nu ja, Pärt zal vanaf die etherische plek vast wel een vrome boete- of treurzang zijn aangevangen. Men kan over het spirituele gehalte van de zogenoemde minimal music er even gemakkelijk het zwijgen toe doen, als betogen dat het gewoonlijk repetitieve karakter grenst aan een dwangstoornis. Over essentialisme laat ik me al helemaal niet uit.
In mijn hoofd zwerft al dagen de gedachte rond eens iets zinnigs op te merken over 4’33”, de beroemde stiltecompositie uit 1952 van John Cage. Vermoedelijk is dat het meest minimalistische stuk over het minimalisme. Maar ik ben bang dat ik me dan overschreeuw. Over vier minuten en drieëndertig seconden stilte valt een encyclopedie te vullen. Vanwaar dan deze ingeving?
Omdat ik nu al enige weken doende ben grip te krijgen op het belang van de kwaliteiten stilte, ruimte en duisternis in de natuur zeulde ik de afgelopen weken het boek van Kester Freriks mee, dat geheel ontoevallig dezelfde titel voert (Kester Freriks, Stilte, ruimte, duisternis; Verkenningen in de natuur. Amsterdam 2018). Af en toe bladerde ik door de plaatjes maar tot (her)lezen kwam het niet. Vooral de zoutloods bij Laaxum trof mij telkens weer. Meer dan 15 keer schilderde Willem van Althuis (1926-2005) die, ik moet er een tiental hebben gezien. En iedere keer was het wéér raak. Wat Freriks daarvan vond hoefde ik eigenlijk niet zo nodig meer te weten.
Die zoutloods bij het kleinste vissershaventje van Europa bestaat nog – ik rijd er wel eens expres langs als ik mijn moeders land van herkomst bezoek. Maar om dat zieltogende vishok te zien, écht te zien, hoef je niet naar Friesland. ’t Is nu een verzamelplaats geworden voor mensen die bij droog weer niet weten waar ze anders hun bier moeten drinken. De Hang, heet ’t nu. Maar wat Van Althuis daarin toen zag. ‘De dampkring in rust.’ ‘De binnenkant van zonlicht.’
Dat ik steeds door de plaatjes blader, en dan ook nog bij Van Althuis blijf steken, en niet tot herlezen van het boek kom, heeft te maken met het inzien van wat K. Schippers zo mooi verwoordde: Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is. In het grijs van Van Althuis liggen alle kleuren van de regenboog verscholen. Met duisternis is dat net zo. Absolute duisternis bestaat niet.
Het komt ook door die 4’33”, dat ik niet verder kom. Freriks gebruikt een citaat van John Cage als motto voor zijn verkenningen: “Before we know the unknown, it inflames our hearts. – John Cage, 4’33” (‘stiltecompositie’, 1952)”. Ik bedoel, ik weet hoe dat stuk klinkt. Ik bedoel, ik weet niet hoe dat stuk klinkt als het wordt uitgevoerd. Het is iedere keer weer anders. Daarom is het zo moeilijk er iets zinnigs over te zeggen. De stilte is zo groot.