
mijn duiveglans mijn glansende adder van glas
mijn viervoetige narennen mijn kneedbaar
smeltpunt op de pupillen ruworige
heester onder mijn handpalm deze
deze stem is van stamelen een lichaam
een vochtig voortvluchtig lichaam
zeg – hoor je niet dat ik dood ben
ik turner van de warwinkel
een zaal een tombe een toren ben je
en met kettingen doorspekt
denkt de rechtvaardige zingende de slechte zingende denkt hij
dat hij het tientallen vloeistoffijne meisjeslijf
in een gipsen snaar gevangen heeft
ja dat denkt hij
hij denkt dat
Lucebert, de amsterdamse school, 1952
_____
Opm.
Het zal door de duiven komen dat dit gedicht mij vanmorgen weer voor de geest kwam. De tijd dat ik Lucebert met leerlingen in de klas moest bespreken ligt ver achter mij, gelukkig. Maar nu ik het herlees . . . En als ik nou – es . . .
Je bent in de ban van je geliefde en dat wil je wel eens helemaal uitzeggen. Zo gebeurt dat als je 17, 18 bent en de liefde je voor het eerst heeft aangeraakt. Uitzeggen? Je wilt het uitzíngen, je hart moet eruit En dat kan natuurlijk niet.
En het leven leert je daarna dingen over de liefde die nog veel moeilijker zijn.
Gorter wist dat ook al. Zijn gedicht gaat over precies hetzelfde:
Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht –
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.
En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar ervoor.
Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.
O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees’lijk van je,
ik wou het heelemaal zeggen –
Maar ik kan het toch niet zeggen.
Herman Gorter, Verzen, 1890
‘Waarom doet die Lucebert zo gruwelijk moeilijk?’ vroegen leerlingen dan. Of nog erger: ‘Is dit voor een proefwerk?’ Dat het leven zelf het proefwerk is, was voor hen allicht geen antwoord. Zij dachten misschien aan beroemd worden, of in elk geval rijk. En het hielp ook niet als ik zei dat ze het dan zelf maar – es moesten proberen en dat, als dat uitkwam op ‘je ogen zijn blauw, ik hou van jou’ dit iets zei over de diepgang hunner relatie. En ook over de vermoedelijke duur.
Ik kijk naar de duiven die rond deze tijd altijd even het gazon voor het huis bezoeken. Iedere dag zijn er toch nog weer zaadjes te vinden, ofschoon het gras verdort. De zon schijnt op hen, en op het gras, en ik laat mij weer betoveren door de iriserende gloed van hun kragen. De gewoonste duif is al een wonder. Armoe: het onderscheid tussen echte duiven en stadsduiven. Net zo bespottelijk als tussen echte mensen en stadsmensen.
Zie die kleuren, wel twintig regenboogjes in het gras. De regenboogjes buigen met het buigen van die duiven. En geen moment zitten die stil. Regenboog in regenbogen. Dat beschrijven is geen geringere opgave dan het bezingen van de ogen van mijn liefste.
Maar als ik nou -es . . .
Plaats een reactie