“Een psychiater stelde Suzuki Roshi vragen over de aard van het bewustzijn.
‘Ik weet helemaal niets van bewustzijn,’ zei Suzuki. ‘Ik leer mijn leerlingen alleen maar hoe ze moeten luisteren naar het gezang van de vogels.’”
In: Shunryu Suzuki, Jullie zijn allemaal verlicht . . . tot je je mond open doet. Uitspraken van Shunryu Suzuki, verzameld door David Chadwick. Haarlem 2001
Reinbert de Leeuw durfde het in 2010 aan in een volle studio van De wereld draait door het stuk 4’33” uit te voeren. Ik vond de opname terug en verbaas me er vooral over hoe de wereld sindsdien is veranderd. De partituur van 4’33” is nog even fris als vóór de wereld begon, het programma werd om onfrisse redenen beëindigd. ‘Doordraaien’ blijft inderdaad dubbelzinnig.
Wat er in De Leeuw omging toen hij achter de vleugel plaatsnam valt moeilijk van zijn gezicht af te lezen. De camera’s registreerden hoe het publiek reageerde op die iets meer dan viereneenhalve minuut stilte, met De Leeuw achter de toetsen van een blinkende vleugel. Die blijft onaangeraakt, alleen de klep gaat open en dicht. Een timer houdt de tijd bij. Ik hoor: iemand die gaat verzitten, geritsel, een vaag gezoem, gefluister, een kuchje, een lach die gesmoord wordt, ademhalen. Ik zie: ongeloof, achter de hand lachen, irritatie, verwondering, afschuw, in zichzelf verzonkenheid, boosheid, vrolijkheid, ‘is dit nou alles?’, ‘leg dat maar eens uit!’ Ik voel: toenemend ongemak van een harde stoel, de warmte van lampen die op mij gericht zijn. Wat is ik?
Hoe ik dit zo zeker denk af te kunnen lezen van de gezichten van de aanwezigen? Dit is wat er met mij gebeurt als ik ga zitten voor een meditatie.
Het is bekend dat John Cage (1912-1992) zich in de jaren ’40 heeft verdiept in het Zenboeddhisme. Ook het Boek der Veranderingen (I Tjing) had zijn ernstige belangstelling. Hoe? Geen flauw idee. In welke mate dat een rol speelde bij zijn composities? Nog minder. En laat ik mijzelf maar niks wijs maken dat ik iets begrijp van de avant-gardemuziek. Of van het Zenboeddhisme.
Héél soms begrijp ik de Hartsoetra. ‘Leegte is vorm, vorm is leegte’: een makkie, wat anders? Maar meestal blijft die tekst zo toegankelijk als het gemoed van een brok steen. En even aaibaar.
Iedere ochtend begin ik met even op het balkon te zitten. Als ik thuis ben tenminste, want ik ben ook wel eens ‘weg’. Ik zie het lichter worden, luister naar de vogels. De kraaien waren vroeg vanmorgen, de jonkies bedelden luidruchtig. Ik hoorde de zwartkop maar zag ‘m niet. Er was een triller van de roodborst, één enkele maar. Een reiger vloog telkens aan met een tak in zijn bek. Sinds dit jaar heeft hij een nest in de bosrand tegenover. Ik vermoed een broedsel.
Ik hoor de stad op gang komen: gedruis van installaties, een optrekkende vrachtauto, een dichtklappend portier, een haperende startmotor, een scheepshoorn van over het IJ. Onder mij gaat een telefoon over, naaldhakken van iemand die over straat loopt. De echo raapt gehaast haar stappen op.
En vreemd, ik denk: dat is muziek. En nog vreemder, ik denk zeker te weten dat Cage dát bedoelde. Zo is het.
Willem van Althuis, Laaxum (één van de vele schilderijen die Van Althuis in de jaren 1976-1985 van de zoutloods maakte)
Erik Satie (1866-1925) wordt vaak genoemd als de voorbereider van het minimalisme. Ofschoon je meteen begrijpt wat dat voor de muziek betekent moeten musicologen dat maar uitleggen. Ik volsta met de anekdote dat uitvoerende musici bij het openen van de partituur voor het tweede deel van Arvo Pärt ’s Tabula Rasa, Silentium, zich achter de oren krabbend afvroegen waar of de noten waren. Waren die na het speelse eerste deel, Ludus, allemaal al de hemel uit getuimeld? Nu ja, Pärt zal vanaf die etherische plek vast wel een vrome boete- of treurzang zijn aangevangen. Men kan over het spirituele gehalte van de zogenoemde minimal music er even gemakkelijk het zwijgen toe doen, als betogen dat het gewoonlijk repetitieve karakter grenst aan een dwangstoornis. Over essentialisme laat ik me al helemaal niet uit.
In mijn hoofd zwerft al dagen de gedachte rond eens iets zinnigs op te merken over 4’33”, de beroemde stiltecompositie uit 1952 van John Cage. Vermoedelijk is dat het meest minimalistische stuk over het minimalisme. Maar ik ben bang dat ik me dan overschreeuw. Over vier minuten en drieëndertig seconden stilte valt een encyclopedie te vullen. Vanwaar dan deze ingeving?
Omdat ik nu al enige weken doende ben grip te krijgen op het belang van de kwaliteiten stilte, ruimte en duisternis in de natuur zeulde ik de afgelopen weken het boek van Kester Freriks mee, dat geheel ontoevallig dezelfde titel voert (Kester Freriks, Stilte, ruimte, duisternis; Verkenningen in de natuur. Amsterdam 2018). Af en toe bladerde ik door de plaatjes maar tot (her)lezen kwam het niet. Vooral de zoutloods bij Laaxum trof mij telkens weer. Meer dan 15 keer schilderde Willem van Althuis (1926-2005) die, ik moet er een tiental hebben gezien. En iedere keer was het wéér raak. Wat Freriks daarvan vond hoefde ik eigenlijk niet zo nodig meer te weten.
Die zoutloods bij het kleinste vissershaventje van Europa bestaat nog – ik rijd er wel eens expres langs als ik mijn moeders land van herkomst bezoek. Maar om dat zieltogende vishok te zien, écht te zien, hoef je niet naar Friesland. ’t Is nu een verzamelplaats geworden voor mensen die bij droog weer niet weten waar ze anders hun bier moeten drinken. De Hang, heet ’t nu. Maar wat Van Althuis daarin toen zag. ‘De dampkring in rust.’ ‘De binnenkant van zonlicht.’
Dat ik steeds door de plaatjes blader, en dan ook nog bij Van Althuis blijf steken, en niet tot herlezen van het boek kom, heeft te maken met het inzien van wat K. Schippers zo mooi verwoordde: Als je goed kijkt zie je dat alles gekleurd is. In het grijs van Van Althuis liggen alle kleuren van de regenboog verscholen. Met duisternis is dat net zo. Absolute duisternis bestaat niet.
Het komt ook door die 4’33”, dat ik niet verder kom. Freriks gebruikt een citaat van John Cage als motto voor zijn verkenningen: “Before we know the unknown, it inflames our hearts. – John Cage, 4’33” (‘stiltecompositie’, 1952)”. Ik bedoel, ik weet hoe dat stuk klinkt. Ik bedoel, ik weet niet hoe dat stuk klinkt als het wordt uitgevoerd. Het is iedere keer weer anders. Daarom is het zo moeilijk er iets zinnigs over te zeggen. De stilte is zo groot.
Over de Deltawerken reden we van Walcheren terug naar huis – de wielingen in het water bij de Oosterscheldekering waren onstuimig. Hoeveel watersnood had Zeeland wel niet gekend? Wij reden veilig over de weg, een verrassend smal koord dat rivier en zee gescheiden moest houden. Een wonder van waterbouwkundig vernuft, de wereld houdt de adem in. De kering zou het allemaal wel houden. Nog wel.
Bij Rotterdam blonken de pijpen en buizen van de petrochemische industrie in het zonnetje dat ondanks een sombere voorspelling toch nog duchtig scheen. Andere voorspellingen drongen zich op, men ziet oorzakelijk verband. Er was veel rook. Of was het stoom? Meeuwen wiekten op de aantrekkende wind en kantelden in het zonlicht. De wolken kondigden verandering van weer aan.
Voorbij de nieuwe tunnel onder de Maas leek de radio even te haperen. Het was althans lang stil. Toen klonk opeens de eerste Gnossienne van Satie. Reinbert de Leeuw, onmiskenbaar, want niemand speelde Satie zo langzaam als hij. De klanken waren allang weggestorven toen de presentator afkondigde. Hij had zich helemaal mee laten voeren door de verstilling, verklaarde hij. Waarvoor excuus.
Maar ik zat weer midden in mijn studententijd, toen De Leeuw die muziek mijn wereld binnen liet zeilen. Het rumoer rond het rapport De grenzen aan de groei was toen nog geenszins gestopt. We discussieerden ernstig en nachtenlang. Het moest allemaal anders, terug naar een oerbegin, wisten we, deze planeet bezweek onder de kortzichtigheid en de hebzucht van de mensen die haar bevolken. Maar hoe?
Ach, ik studeerde letteren. ‘Ik hoor dit nu, ik zie dat nog. Het blijft bij me en ik kan het niet vasthouden.’ Jan Eijkelboom: Wat blijft komt nooit terug (1979).
‘Je moet deze stukken zéér langzaam spelen,’ verklaarde De Leeuw, want dat staat erboven: ‘Lent’. En ook nog dat Satie volgens hem de tijd stil had willen zetten, een beschutte plek om te ontkomen aan de dynamische heksenketel van trein en elektriciteit. Gek, andere regieaanwijzingen boven Satie ’s pianostukken nam hij niet zo serieus: “Drie onderscheiden walsen van precieuze wansmaak”, “Schetsen en stekeligheden van een dikke goeierd van hout”, “Uren, eeuwenoud en kortstondig”, “Uitgedroogde embryo’s”.
Toen we onder de ringvaart door de Haarlemmermeer in reden, en verderop vliegtuigen hun landing op Schiphol zagen inzetten, viel me de absurditeit van die verdwaasde gehaastheid in. Zeker, een wonder van aerodynamisch vernuft, maar het haalde het niet bij de moeiteloze wendbaarheid van de meeuwen, de soevereine rust van de wolken.
Weer thuisgekomen zocht ik nog even de Petite ouverture à danser op. Wat zich ná 1900 nog allemaal zou voltrekken kon Satie natuurlijk niet weten. Een dansje op een absurd smal koord, meer is het niet. Twee minuten eeuwigheid. Daarop moet je dansen.
Over Zeeland valt veel te vertellen, wat ik nochtans niet zal doen. Het beproefdste recept voor volkstoeloop is een roffelende brochure met de belofte dat hier de stilte nog te beleven is. Of een reisgids die voor je bewegwijzert welke weg je moet bewandelen om een notie van de oneindige ruimte op te doen.
Ik graaf in mijn herinnering om te achterhalen wanneer in mijn leven Zeeland begon te wenken. Door Nescio misschien, die Bavink Japi, de uitvreter, laat leren kennen op de boot naar de Zeeuwse eilanden. Dat was lang voor de Deltawerken, zo rond vóórvorige eeuwwisseling. Nescio is daar niet erg precies in, ofschoon hij zelf graag in Veere logeerde. Maar deze kennismakingsvraag: ‘is u niet die heer uit Amsterdam die altijd maar aan den waterkant zit?’ Dat valt nogal mee, Japi moet ook nog slapen. Ik was nog geen zeventien toen ik dit voor het eerst las en het doordrong mij alleszins van het besef dat je geen lid van een hengelsportvereniging hoefde te zijn om in het water te turen. Het betoverende spel van het licht, het water dat maar golft, het licht dat zelf een golf is.
In dezelfde tijd leerde ik Van Schagen kennen, Narrenwijsheid (1925). In de zomer verbleef hij in Domburg, ik wil nog eens uitzoeken waar precies. ’s Winters keek hij er in Deventer op toe hoe de regen de IJssel vulde. Met die hele zogenoemde kunstenaarskolonie had hij niet van doen, zoals ook zijn poëzie zich niet in een school laat onderbrengen. Ja, die van Lao Zi misschien. ‘Je moet het zwijgen.’ Allicht.
Intrigerend heb ik altijd gevonden dat Van Schagen gepromoveerd is op stellingen op het gebied van de visserij. Dat was nog voor hij Narrenwijsheid publiceerde. Voor een jurist, én Zeeuw, is dat geen vreemd onderwerp. Maar dan, uit mijn hoofd en van veel later datum, deze haiku:
Zie mijn goede net,
alle vis zwemt er doorhéén –
zo moet je vissen
Het boodschapperige van deze haiku maakt dat ik ‘m makkelijk kan onthouden. Maar dat maakt ‘m ook ietwat pedant, zélfs als je goochelt met de begrippen letterlijk en figuurlijk. Al hoop ik dat vissers niet verder komen dan een letterlijke lezing. Met de Schrift zijn ze daar tenslotte ook niet kinderachtig in. Of juist wel.
Ik bedoelde juist iets kleiners, iets wat maar nét in een haiku past en toch aan de randen van de eeuwigheid raakt:
windje komt uit zee strijkt laag door het helmgras en valt daar in slaap
Kijk, dat gebeurt mij nou weer: wil ik iets duidelijk uitleggen, verdwaal ik toch weer. Vanmiddag moesten we maar eens op Veere aanfietsen en kijken of de Campveerse toren er nog staat. En de grote kerk. Nee, nergens om.
Piet Mondriaan, Compositie 10 in zwart wit, 1915 (Pier en Oceaan)
We verblijven een weekje op Walcheren en hebben het nogal aardig naar ons zin. Het weer is zomers en alles bloeit alsof dit de mooiste meimaand ooit moet zijn. Gaza, Oekraïne en Iran zijn ver weg, of AZC’s, als we het nieuws tenminste niet aanzetten. Wij luisteren naar de golfslag, laten ons vervoeren door het lijnenspel van de strekdammetjes, het licht erop dat ieder uur weer anders is, het geklots, we volgen de lotgevallen van wat windveren in het oneindige blauw.
Gisteren kwamen wij door Domburg. Alle terrassen waren vol. Er was veel geroezemoes. Luidrucht. Enkele uithalen verrieden Duitse herkomst. ’t Zal zijn om dat ‘het seizoen’ opeens begonnen is. Wij hadden geen weet van het seizoen. Nou ja, ’t was nu warm, tropisch bijna. Maar in het najaar en in de winter komen wij hier ook vaak. Dan zie je ze niet en kun je rustig naast elkaar fietsen. Als wij het voor het zeggen hadden verboden we die vakantiewoningen. Der Tourist ist ein Säugetier, das im Sommer Löcher am Strand gräbt. Nee, de natuur riep niet louter edele gevoelens op.
Hier ergens moet Mondriaan met zijn spannende zoektocht naar het wezen der dingen begonnen zijn, bedacht ik. Dat werd een lange reis. Maar hier, in Domburg, op Walcheren, lag dus het startpunt. Ook toen stond de wereld in brand. Aan de andere kant van de Schelde beschoten soldaten elkaar op leven en dood en Mondriaan zat hier naar dezelfde pieren en strekdammen te koekeloeren als wij nu. ‘Het fundament der dingen’ wilde hij schilderen. Ik verzin dit niet. Het werden horizontale en verticale streepjes. Het ritme van de natuur. Weglaten wat er niet toe deed. Hele reeksen tekende en schilderde hij.
De reis naar nieuwe beelding eindigde met de Victory Boogie Woogie dat nu in het Kunstmuseum in Den Haag hangt te pronken. ’t Ding was nog niet af toen Mondriaan in 1944 aan de overkant van de oceaan met stukjes gekleurd tape aan het prutsen was om het dynamische levenstempo van New York te vangen. De dood ving hem. Ook natuur, maar wel dood. Er was toen ook een oorlog gaande.
Over deze geschiedenis peinsde ik terwijl wij langs de duinen richting Zoutelande fietsten. Daar vonden wij een nog leeg terras. Van de werkelijkheid kun je van alles vinden maar je moet ook af en toe geluk hebben.