
Voetbal een volkssport? Daar kijk ik van op.
_____
Waar gaat het toch mis?


Voetbal een volkssport? Daar kijk ik van op.
_____
Waar gaat het toch mis?


Zondag 19 juli 2026, 21.00 uur (15.00 uur lokale tijd New York New Jersey Stadium)
Zoals een kudde krulwollige schapen als een néérspettende watergolf uit de alpenhoge bergweiden zich over de slangkronkelige paadjes stalwaarts begeven heeft – een enkeling talmde nog, zich argeloos onbewust van het vuige wolvengevaar dat tandenblikkerend achter ieder rotsblok schuilgaat, maar wordt dan spoedig meegedreven in de onstuitbare vaart der vermetele velen die de verlokkende geuren van de voederbak reeds in de opensperrende neusgaten voelen dwelmen – en waarvan de gezwindsten bereids de bescherming van het veilige verblijf hebben bereikt, hun gerechte plaats opeisend bij de immer voerverstrekkende trog – buiten de hekken hoort men nog de hoefjes van de volgers, kletterend als hagelsteentjes op een zinken dak, trommelend als druppels op een strakgespannen vel – en het mekkeren der afzonderlijke dieren zich wellustig vermengt met de echo die weerklinkt van de wanden en samenvloeit tot een éénklankige om voedsel smekende bede die de honden verschrikken doet maar die de haarloze herder nu wel horen moet, hóórt ook hij dat er dit eigenste moment gedrenkt moet worden? en gespijzigd? verkwikt? dorst gelest? honger gestild? onzegbare nood gelenigd? hunkering vervuld?
zó dromde het publiek samen in het stadion en wacht nu eendrachtig juichend en joelend op het apotheotische signaal dat er eindelijk, ja eindelijk, begonnen kan worden: ten aanval!

The Odyssey (2026) van Christopher Nolan duurt precies twee voetbalwedstrijden lang. Ik moet eerlijk zijn: 173 minuten. Maar om mijn punt te maken smokkel ik die 7 minuten er maar even bij, bij het WK gaat het er ten slotte ook niet altijd even eerlijk aan toe. Ik voorspel dat in de Directors Cut de speelduur van de film exact 180 minuten zal bedragen. Dat ik verder niks van voetbal afweet deert niks want veel recensenten weten ook weinig of niks van literatuur terwijl ze daar toch vrijmoedig hun meningen over spuien. Over wat er in die 7 minuten wel opgenomen maar niet vertoonde scenes te zien zal zijn durf ik niet te speculeren. Ik wou het eenvoudig houden.
Wedstrijden worden ‘voorbeschouwd’, om de spanning op te bouwen Dan volgt het eigenlijke spelletje (90 minuten) waarin er van alles door je lijf giert. Dan de ‘nabeschouwing’, als het goed is om weer in de gewone wereld te belanden. Voor één spelletje moet je al gauw een volle avond reserveren. ‘Avond’ moet je ruimhartig opvatten, niet vanwege het tijdsverschil met Amerika maar vanwege de veelheid der meningen die allemaal eerlijk aan bod mogen komen. Dat kan dus ook makkelijk een week duren. Of een maand.
Welnu. Van de ‘voorbeschouwing’ van The Odyssey vond ik die van Elon Musk by far het interessantst. Die had in mei alleen nog maar de trailer gezien maar beweerde toch al schuimbekkend dat Noland met zijn verfilming van het verhaaltje over die antieke Griekse zwerver op het graf van Homeros zou hebben gepist. Hoe zijn argumentatie precies in elkaar steekt weet ik alleen uit tweede hand want voor de eerste hand moet je op X. Ik speel liever op een ander bord. Niettemin: weet Musk waar dat graf van Homeros is?
Dat zou nog eens nieuws zijn want toen Socrates, Plato en Aristoteles nog rond liepen te filosoferen over het Goede, het Ware, en het Schone vroeg men zich al af of die Homeros wel een mens van vlees en bloed was! Ik bedoel, iemand met een sofinummer, een gezin misschien, belastingplichtig, wel of niet van voetbal houdend, of kickboksen desnoods, etc., kortom iemand aan wie je ook gewoon kon vragen wat – ie nou toch met dat epos voor had. Musk weet het. Naar verluidt ging Homeros al een tijdje geleden dood en dus moet Musk wel toegang hebben tot de Hades want anders kan hij toch niet weten wat Homeros in z’n kop had? Wel een beetje kinderachtig van Musk dat hij dat er niet eerlijk bij vertelt. Dat is net zoiets de uitslag van de finale morgen voorspellen, ‘omdat de goden dat zo willen’. Appearently Mars, mister Musk?
Mijn vergelijking van een film met een potje voetbal is misschien wat flauw maar dat geeft beide onderwerpen misschien wat lucht. Zelfs de meest fervente cinefielen of liefhebbers van het balspelletje zullen beamen dat nóch voetbal – wat toch vaak gelijkgesteld wordt met oorlog – nóch een re-enactment van een oorlog van lang geleden ook maar iets verandert aan de echte oorlogen die nu woeden. Maar nu word ik zwaarwichtig.
Als ik het allemaal goed begrijp bedoelde Nolan met zijn film helemaal geen moreel kompas te bieden voor onze verscheurde wereld. The Odyssey geeft weliswaar genoeg stof tot contemplatie, maar ik ben nog maar net begonnen met de voorbeschouwing.
Als ik het verder goed begrijp bedoelt Musk dat wel, anders schuimbekte hij niet zo. Misschien vindt hij genoeg gelijkgestemden om zijn morele code eens uit te proberen op de planeet die genoemd is naar de god zijn kennelijke voorkeur: Mars. Dat is nog een hele reis.

Het paard van Oricum, Albanië (2022)
De foto die ik gisteren uit ons archief opduikelde riep veel op, ook bij mijn vrouw. Wij hebben samen al zo veel gezworven. ‘Herinner je je die paardjes nog, die daar hongerig over die ruïnes struinden?’ vroeg mijn vrouw met ogen die ver weg keken. Ze had ze te drinken willen geven, en iets te eten, want er was daar niks. Ja, genadeloze zon. En ouwe stenen. ‘Wat liepen die daar verloren!’ En wij waren de enige bezoekers op dat uitgestrekte, verlaten terrein waar tweeëneenhalf millennium geleden Grieken hadden geleefd. De aanwezigheid van een schamel informatiebord zei genoeg: geld voor opgravingen was er niet.
Het was bij Oricum en het was al een avontuur geweest om er te komen. Omdat er tegenwoordig een marinebasis is – in de 6e eeuw voor onze jaartelling trouwens ook al, Homeros was toen al een paar eeuwen dood, maar die Grieken waren heus niet gek – moesten we eerst langs een slagboom. In met veel Albanees doorspekt Engels gebaarde de dienstdoende schildwacht dat we in het dorp de gids moesten zien te vinden. Zonder toezicht kwamen we er niet in. Na een uur rondvragen vonden we die gids. Die sprak nog vloeiender Albanees.
De rit van het nieuwe Orikum naar het oude Oricum duurde een kwartier. We reden langs zeer verroeste voertuigen met verbleekte sterren. Ooit waren hier Russen gelegerd, in de enige Sovjetbasis die ze toen in de Middellandse Zee hadden. Ach, de zegeningen van Stalin, van Enver Hoxha. De duim van de gids ging naar beneden toen we hem er naar vroegen. En enthousiast omhoog toen hij een NAVO-vlag in het oog kreeg. We kregen precies een uur om de site te bekijken. Hij gebaarde op zijn horloge. Daarmee eindigde zijn toezicht. En toen moesten we nog beginnen de Oudheid leren begrijpen.
Behalve dat met die paardjes was dat uur genoeg. Wat vage resten van een akropolis, een klein theater. Uit een summier reisgidsje leerden we dat de Russen er in de jaren ’50 ook nog wat uitgegraven hadden. De rest was voor onze verbeelding. En wat we al opgestoken hadden van al die resten van de Griekse aanwezigheid rondom de hele Middellandse Zee, tot aan Empórion in het verre westen toe.
Gistermiddag bezochten we The Odyssey van Christopher Nolan (2026). Daar is al heel wat om te doen. Laat ik het hierbij houden: een spektakelfilm maken van een met goden en mythen doorweven verhaal haalt het niet bij een levende gemeenschap die elkaar die verhalen doorvertelt, elkaar aankijkend, elkaar aanstotend, elkaar bevragend, elkaar verbeterend. Zo probeerde men zichzelf te begrijpen, misschien juist als het niet te begrijpen viel. Toen Homeros die verhalen op schrift stelde, hoe kunstig ook, werd dat levende verhaal ten dode gedoemd.
Nolan ’s versie is geen moderne parabel en hij omzeilt listig de huidige politieke en morele klippen van Scylla en Charybdis. Wat bijvoorbeeld te doen met het ‘gebod’ gastvrijheid te verlenen aan iedere vreemdeling, de ‘wet van Zeus’? Over de treurnis wekkende stereotypen van mannenmoed en vrouwentrouw zal vast ook nog wel discussie oplaaien.
In het weefsel van onze beschaving zitten veel weeffoutjes en we kunnen niet, zoals Penelope, iedere nacht het gewevene weer ongedaan maken. Al zijn er mogendheden die zulks proberen. Voor het moderne Troje hoef je de krant maar open te slaan. Voor Trojaanse paarden de laptop.
Naar verluidt kostte het 200 miljoen euro om de film te maken. Naar verwacht zal de film minstens het vijfvoudige opbrengen. Het geldmonster is het enige wat ons rest uit die verre wereld.

Albanië (?), 2022
Vier jaar geleden bezochten wij Albanië. Ik meende dat ik daar ergens deze foto gemaakt heb maar ’t kan ook nog wel in Zuid-Italië zijn geweest, ergens in de buurt van Bari. Hoe dan ook, aan Mare Nostrum, zoals de Romeinen in hun tijd plachten te zeggen.
Ik denk iedere dag wel even aan Albanië. Ja, ook aan Trump en diens familie, en aan Hugo de Groot, en sinds deze week weer aan Homeros. Maar laat ik niet nu al verdwalen want nog twintig jaar onderweg zijn is mij vermoedelijk niet gegeven. En vanmorgen vroeg doorschoot mij het idee dat het een roman moet worden: een reis van de foto hierboven naar de foto hieronder. Wat ik daar allemaal wel niet in kwijt kon . . . Ja, dat kon een onverbiddelijk boek worden.
Enfin, ik mijn ingevingen aan het inventariseren, zes foliovellen had ik zó vol, materiaal genoeg voor een kloeke trilogie of een speelfilm van een uurtje of drie. Toen kwam ik op het idee mijn notitieboekjes nog eens te raadplegen. Het gesprek met die Afrikaanse verkoper aan die Mediterrane kust kon ik terugvinden. Of het een beetje ging met de handel, had ik hem toen gevraagd. Zijn Senegalese Frans was lastig te verstaan. Ook zaten er gaten in zijn verhaal toen ik hem vroeg hoe hij het zo gekomen was dat hij hier luchtige omslagdoeken en sjaaltjes aan toeristen trachtte te verkopen. ‘Ah, les touristes . . . Les dames . . . Les messieurs . . ’
In het kriebelschrift van mijn notities tref ik twee pagina’s waarin ik toen probeerde zijn oogopslag bij het antwoord te beschrijven. Heel het lot van Afrika zag ik daarin weerspiegeld.
En dan, in kapitalen uitgeschreven over twee pagina’s, slechts één woord:
‘WEEF FOUT!’
Misschien dat ik het daar toch maar bij laat.

Moudou Fall, ‘L’Homme Plastique, Dakar, Senegal, 2026 | foto Anadolu / Getty Images

Waddenzee | foto Ecomare
W a d
Hij leunt met meeuwen op de wind.
Met wulpen fluit hij liederen
de nachten door; tussen de wolken
goochelt hij met golven licht.
Lichtzinnig schept hij overvloed
de hemel uit en rimpelt met het zand.
Hij scharrelt met de krabbetjes
en ligt bemosseld als het strand.
Hij waaiert met plevieren
en plooit met horizonnen;
hij murmelt ebbelijnen voor
en moermelt met de vissen.
hier rust hij met de wateren
en deint met het getij
dat heel en al bevat
hier waart en wemelt hij
en mijmert zomaar wat:
de Alom-Onbegonnene
_____
Opm.
Of ik zelf ook wel eens wat schreef, wilden leerlingen weten toen ik nog voor de klas stond. Misschien wilden ze bewijs dat wat ik hen over de poëzie probeerde bij te brengen voor mij iets levends was. En niet alleen een instrument ter geestelijke marteling. Waarin ze wat betreft de zielloosheid van het algehele curriculum mogelijk gelijk zouden kunnen hebben.
Ik liet hen dit gedicht lezen, dat ik had geschreven toen ik nog aan het wad woonde en niemand rekenschap hoefde af te leggen over mijn dwalen langs eb en vloed.
Hoe ik dat deed, dat leunen op de wind. Wat die liederen dan wel waren. En ‘ebbelijnen’. Leg dat maar eens uit aan kinderen die niet weten hoe een wulp klinkt. Of een tureluurtje. ‘Moeten wij dat weten voor de toets?’ Ik vond het zelf al moeilijk een vlucht pleviertjes van strandlopers te onderscheiden. De laatste regel gaf zelfs de meest amuzische onder hen stof tot nadenken. ‘Bedoelt u ‘God’?
Maar van ‘God’ weet ik niks. Wel dat het wad iedere dag, ieder getij, ieder uur weer anders was. En dat er geen beginnen aan was dat eindeloze spel van lucht en water, van wolken en weerspiegelingen, van al die vogels daarboven en al die dieren daarin in een paar regeltjes taal te fixeren. Ik hoopte maar dat een enkeling mijn wanhoop toch begreep.
_____
Vanmorgen las ik dat de Unesco eind deze maand een beslissing neemt of de Waddenzee nog Werelderfgoed kan blijven. Het is het vierde jaar op rij dat dit vraagstuk geagendeerd staat. De toets gaat over de inspanningen die overheden zich hebben getroost menselijke activiteit terug te dringen: visserij, toerisme, scheepvaart, gas- en zoutwinning, kabels en andere militaire verstoringen. Zal men oordelen dat het genoeg is? Of belanden die bruine borden met de ronkende tekst UNESCO Werelderfgoed Waddenzee op de schroothoop? Voor wie zijn die borden eigenlijk bedoeld?

Foto https://sijmenhendriks.com/2023/09/30/werelderfgoed-waddenzee/

Foto: Wouter Cardoen / Natuurpunt.be
Al die meningen?
Fuck! meent de halsbandparkiet,
die heb ik zelf wel
_____
Opm.
De gestage opmars van de halsbandparkiet kan mensen moeilijk ontgaan, als je in de Randstad woont tenminste, of in een andere grote stad in West-Europa. ‘Lawaaipapegaai’, hoor je hem hier wel noemen en in dat epitheton klinken zowel vertedering als verguizing door. Is er al een werkgroep Wat te doen met de parkiet? ?
Als je niet kopje onder wilt gaan in het almaar verder polariserende debat over het lot van asielzoekers in Nederland – nou ja, luidruchtige uitwisseling van opinies, gekrijs is een ander woord – dan is het verhaal van de halsbandparkiet een mooie case study om te oefenen in argumentatie. Feitelijke gegevens duikel je zo op internet op (vanaf de jaren ’70 inmiddels zo’n 4000 broedparen, en nee, niet bedreigend voor andere holenbroeders) maar daarna begint het spannende, de meningen over die feiten. Ik vat het maar even samen: die hebben te maken met wereldbeelden. Dan ben je dus wel even bezig.
De halsbandparkieten die hier voor ons huis bewoning van de treurwilg aan het water hebben verkozen, hebben inmiddels vliegvlugge jongen. ’s Ochtends vroeg zie ik ouders met hun jongen de omgeving verkennen. Als ik ze niet zie, hoor ik ze wel. Inspectierondes.
Ook mij zien ze, op het balkon. Wat willen ze mij toch zeggen?

Vroeg opgewonden
springen bij de halsbandparkieten
de veertjes al los

Chris van Geel (1917-1974) en Nescio (1882-1961) , augustus 1952 | foto Hanny Rädecker
WOLKEN
De wolken zijn gewichten,
enorme waterketels.
Wie tilt ze om te wegen?
’t Heelal een waag. Een waag?
Wie vult ze, vat de hengsels
om water aan te geven?
de tuit een hals, een zwaan?
Wie voert ze door het blauw?
Chr. Van Geel, Spinroc en andere verzen, 1958
_____
Opm.
Ik rijd nogal graag eens langs de Hollandse duinenrij. Vanuit het noorden komend passeer je na Petten de Hondsbossche Zeewering. Die strook duinen is maar smal en ’t ging vaak genoeg mis – ’t is een wonder dat het al zo lang goed gaat en Holland nog bestaat.
Na de Hondsbossche kom je door Camperduin, wat niks is, en daarna Groet, wat eigenlijk ook niks is. Maar: Chris van Geel woonde daar en aan hem moet ik dan altijd even denken, of beter, aan zijn gedichten. Zijn huis aan de Achterweg brandde in 1972 af; twee jaar daarna stierf hij. Ik heb nooit de behoefte gevoeld die plek eens op te zoeken. Van Geel leeft voor mij in zijn natuurgedichten.
De foto toont Van Geel samen met Nescio, die de zomervakantie vaak met zijn gezin in Groet doorbracht. Van Geel had toen nog geen enkele bundel gepubliceerd, Nescio ’s werk was alleen nog in kleine kring bekend. Ze konden het uitstekend met elkaar vinden.
Niet op de foto: de wolken.

D E W A T E R L E L I E
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in ’t licht.
Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer . . .
Frederik van Eeden, Van de passieloze lelie (1901)
_____
Opm.
Het bekende gedichtje van Van Eeden is een beschouwing waard. Over die waterlelies begon ik gisteren zelf. Maar voordat je er erg in hebt modder je dan zo een boek vol over de Boeddhistische grondslagen van het denkbeeld van de lotusbloem. En hoe Van Eeden dat begrepen zou kunnen hebben.
Van Eeden zelf is ook wel een beschouwing waard. Wordt hij nog gelezen? Ach, die tijd zo rond 1900. Men besefte wel dat ’t allemaal anders moest, maar hoe?
Nescio kende Van Eeden en vond ‘m een ‘wonderlijke kerel’. Zo portretteert hij hem tenminste in die beroemde openingszin van De Uitvreter (1911/1918). Veel later in zijn lange leven wordt hem es gevraagd wat Van Eeden nou eigenlijk dééd op Walden. Dit: “Hij wond de klok op.” Nescio verzwijgt veel, heel veel. Wordt Nescio nog gelezen tegenwoordig? Behalve dan door mensen die zeggen het ‘t beste voor te hebben met het landschap? Het woordje natuur verzwijg ik maar liever.
Blijft: dit wonderschone gedichtje, dat bij mij is gebleven sinds ik het op de middelbare school voor het eerst te lezen kreeg. Ik weet nog hoe het licht in dat stille lokaal op mijn boek scheen. En alles nog stiller maakte. En dat altijd weer even in mijn geheugen aanwaait als ik waterlelies zie drijven, hier nu in het Waterland, als we de straat uitfietsen. Of langs het Gein, de Waver. De Amstel, de Vecht in het Gooi. Maar ook die in Overijssel.
Door alles wat ik nadien over De Waterlelie, Van Eeden en Nescio, en die tijd te weten kwam raakt die waterlelie af en toe topzwaar. En verzuipt. Wat heel erg spijtig is want het is een mooi gedicht. Toch komt het altijd weer boven drijven. Nee, niet als voorbeeld van volmaakte schoonheid. Of als toonbeeld van een Boeddhistische levensinsteek. De hemel bewaar me.
Alles kan het verduren, zelfs dit:
Aan de aardappel
De aardappel heb ik lief daar hij,
Strevend naar volkomen rondheid,
Altijd ànders rond is,
En oogjes heeft
Als van een blindgeboren diertje.
Ik heb hem lief daar hij, zo lekker,
Door de Groten wordt miskend:
Daar zijn kruid zo lelijk
En zijn bloem zo onaanzienlijk is.
En vooral daar hij
(Alsof hij wist dat hij in vrouwenhand
Belandt)
Bescheiden en beschaamd
Zijn klootjes
Verborgen houdt onder het zand.
Ben Cami, Gedichten 1954-1983 (1984)
Van Cami ben ik tamelijk zeker dat die niet meer gelezen wordt, wat ook nogal spijtig is. Maar niets is bestendig. Wie daar in absolute termen iets over zegt kent de kracht van het water niet. Of die van de wind. Over vuur zal ik nu ook maar zwijgen.