
D E W A T E R L E L I E
Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in ’t licht.
Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer . . .
Frederik van Eeden, Van de passieloze lelie (1901)
_____
Opm.
Het bekende gedichtje van Van Eeden is een beschouwing waard. Over die waterlelies begon ik gisteren zelf. Maar voordat je er erg in hebt modder je dan zo een boek vol over de Boeddhistische grondslagen van het denkbeeld van de lotusbloem. En hoe Van Eeden dat begrepen zou kunnen hebben.
Van Eeden zelf is ook wel een beschouwing waard. Wordt hij nog gelezen? Ach, die tijd zo rond 1900. Men besefte wel dat ’t allemaal anders moest, maar hoe?
Nescio kende Van Eeden en vond ‘m een ‘wonderlijke kerel’. Zo portretteert hij hem tenminste in die beroemde openingszin van De Uitvreter (1911/1918). Veel later in zijn lange leven wordt hem es gevraagd wat Van Eeden nou eigenlijk dééd op Walden. Dit: “Hij wond de klok op.” Nescio verzwijgt veel, heel veel. Wordt Nescio nog gelezen tegenwoordig? Behalve dan door mensen die zeggen het ‘t beste voor te hebben met het landschap? Het woordje natuur verzwijg ik maar liever.
Blijft: dit wonderschone gedichtje, dat bij mij is gebleven sinds ik het op de middelbare school voor het eerst te lezen kreeg. Ik weet nog hoe het licht in dat stille lokaal op mijn boek scheen. En alles nog stiller maakte. En dat altijd weer even in mijn geheugen aanwaait als ik waterlelies zie drijven, hier nu in het Waterland, als we de straat uitfietsen. Of langs het Gein, de Waver. De Amstel, de Vecht in het Gooi. Maar ook die in Overijssel.
Door alles wat ik nadien over De Waterlelie, Van Eeden en Nescio, en die tijd te weten kwam raakt die waterlelie af en toe topzwaar. En verzuipt. Wat heel erg spijtig is want het is een mooi gedicht. Toch komt het altijd weer boven drijven. Nee, niet als voorbeeld van volmaakte schoonheid. Of als toonbeeld van een Boeddhistische levensinsteek. De hemel bewaar me.
Alles kan het verduren, zelfs dit:
Aan de aardappel
De aardappel heb ik lief daar hij,
Strevend naar volkomen rondheid,
Altijd ànders rond is,
En oogjes heeft
Als van een blindgeboren diertje.
Ik heb hem lief daar hij, zo lekker,
Door de Groten wordt miskend:
Daar zijn kruid zo lelijk
En zijn bloem zo onaanzienlijk is.
En vooral daar hij
(Alsof hij wist dat hij in vrouwenhand
Belandt)
Bescheiden en beschaamd
Zijn klootjes
Verborgen houdt onder het zand.
Ben Cami, Gedichten 1954-1983 (1984)
Van Cami ben ik tamelijk zeker dat die niet meer gelezen wordt, wat ook nogal spijtig is. Maar niets is bestendig. Wie daar in absolute termen iets over zegt kent de kracht van het water niet. Of die van de wind. Over vuur zal ik nu ook maar zwijgen.
Plaats een reactie