Benodigdheden: Chatbot (op je computer, tablet of mobieltje)
Lees / herlees het gedicht Der Zauberlehrling van J. W. von Goethe. Een vertaling mag ook en als je niet van lezen houdt, of dit (nog) niet goed kunt: de tekenfilmversie (‘Fantasia’) van Walt Disney is ook goed hoor!
Vraag aan je chatbot of die het gedicht kent. Zo nee, voer de tekst dan in op de POMPT-regel.
Vraag aan je chatbot of die nu snapt waarover je het met hem wilt hebben. Wees er zeker van dat dit het geval is!
Vraag nu of de chatbot het gedrag van de tovenaarsleerling kan beschrijven.
Vraag vervolgens aan de chatbot of de chatbot zichzelf in dit gedrag herkent.
Kopieer dit antwoord en sluit de AI-modus.
Vergelijk je antwoord met je huisgenoot / huisgenoten / buurtgenoot / plaatsgenoot / landgenoot, etc.
Het spel is afgelopen als jij of een van de andere deelnemers besluit het verhaaltje (zelf) te herschrijven.
Het spel kan opnieuw begonnen worden als je jouw versie van het verhaal op je device invoert. Open dan wel de AI-modus!
Fanfare van de 1e liefdesnacht | foto Gertruud Kruse
Al die mensen met wie wij gistermiddag door het centrum van Amsterdam de Klimaatmars liepen hoefden wij natuurlijk niet te overtuigen. Die wisten het al. Maar wat was ‘het’? ‘Zo kon het niet langer’. Maar wat was ‘zo’?
Het lukt gisteren niet om al die mede-marcheerders daarop eens te bevragen. Nou ja, marcheren? We schuifelden maar wat mee in de stoet, na het Rokin kwam de Vijzelstraat, en we stonden ook wel eens stil. Een blik in de ogen was wel voldoende, vonden we: al die mensen hebben het goede voor met deze getormenteerde aarde. Als we nu stoppen met fossiele brandstof kunnen paradijselijke tijden aanbreken. Duurzame in elk geval. Waren die niet beloofd?
Ter hoogte van de Honthorststraat stagneerde de optocht. We hoopten maar dat dat kwam omdat het Museumplein al vol was. Ook al goed. Van de sprekers op de Dam hadden we ook niet veel meer meegekregen dan wat flarden van de fossielvrije boodschap. Dat geloofden we wel.
Er speelde een orkestje en omdat we kans zagen een zitplekje te vinden gingen we zitten. De zon scheen genadiglijk op ons neer, de wolken zeilden vrolijk door het blauw boven het Museumplein en wat die muzikanten bliezen was aanstekelijk en vol plezier. Wel een half uur zaten wij daar en wij deelden in dat plezier.
Toen de laatste deelnemers het hek van de optocht sloten, en de muzikanten hun instrumenten opborgen, vonden we dat we wel genoeg gedemonstreerd hadden en na de Spiegelstraat, de Herenstraat en het Singel, na de Dam en toen het Centraal Station waar we onze fietsen weer uit de stalling haalden stapten we weer op de pont naar Noord. En daar werden we weer gewoon.
We waren met z’n 40.000-en geweest, leerden we van de media toen we weer thuis waren. Van de hoeveelste klimaatmars wel niet? Het interesseerde me wel degelijk hoe de media over de mars rapporteerden – nee, geen enkel incident, alles was heel gemoedelijk verlopen, dat hadden we zelf ook al lang vastgesteld, zag jij die blinde grootmoeder ook die door die glunderende agent door de mensenmassa naar het los gezworven groepje verontruste grootouders werd teruggeleid? – maar benieuwder was ik eigenlijk alleen maar naar de wonderlijke naam van dat orkestje dat alle deelnemers belangeloos een hart onder de riem had gestoken en waar wij zo intens van hadden genoten: ‘Fanfare van de 1e liefdesnacht’?
En ik dacht aan mijn aller- allereerste liefdesnacht, lang geleden, ik moest nog twintig worden. En dat toen alles duidelijk was. En dat dat paradijs voor altijd zou zijn. Duidelijker kon niet, de aarde niet en wij niet. Duidelijker kon het nooit gezegd. En dat dan iedere dag laten zien.
Kennismaken met mij kan, al garandeer ik niet meteen een gezellig samenzijn. Ik ben nogal op m’n zelf en heb wat je noemt ‘mijn bezigheden’. Die zijn volstrekt onbelangrijk, gelet op wat er allemaal in de wereld gebeurt, maar ik heb ze nu eenmaal. Soms denk ik wel eens dat ik mijn bezigheden ben. Dat dat baarlijke onzin is zie ik ook wel in. Ook mijn gedachten zijn volstrekt niet van belang. Noch mijn gevoelens. Maar toch, verstoring van mijn bezigheden veroorzaakt ongemak en dan ben ik heus niet altijd vriendelijk hoor.
Jeumig, wat kan ik narrig zijn! Ik kan dan geen land met mijzelf bezeilen. Als mijn kompas weer eens zoek is, sla ik wartaal uit. Geraaskal. De landkaart die ik dan teken bestaat uit louter dwaalwegen, de oceanen die ik bevaar kennen geen vasteland. Van nergens geraak ik ooit ergens.
Maar ik doe in elk geval niet alsóf. U bent gewaarschuwd.
De verantwoordelijke staatssecretaris mocht het dinsdag in Nieuwsuur uitleggen: wat ging zij doen aan de schrikbarende stand van het onderwijs? Tenminste, als je uitging van de resultaten van het PISA-onderzoek dat net op maandag gepubliceerd was. Dit deed de staatssecretaris. De interviewster ook, want anders had ze wel andere vragen gesteld.
De staatssecretaris ontweek eerst behendig de klippen en ravijnen die altijd opdoemen als je naar oorzaken gaat zoeken. Het was een lange weg. Het was een moeizaam gesprek. Daarna gebaarde de staatssecretaris weids met haar arm naar een punt op de horizon: ‘over drie jaar is de neerwaartse beweging tot stilstand gebracht’. Hoe? ‘Met z’n allen’. Dat ging zeker lukken. Zij voelde zich immers tot in haar hart en in haar ziel betrokken?
Je zult maar 15 zijn en dan van je ouders te horen krijgen dat je de op-een-na-slechtste van de klas was. Op die toets dan. Alleen in dat land waar ze de natuur hadden leren te bestuderen, en waar ze hadden leren filosoferen, en waar de literatuur begonnen was, en waar ze de democratie zo ongeveer hadden uitgevonden deden de kinderen het nog beroerder. Op diezelfde saaie toets dan. Boeien! Zijn de kaartjes voor Roxy Dekker nu al op?
Mijn herinnering kan mij bedriegen maar toen ik 15 was hield ik het voor mijn hoogste ambitie niet te deugen. Het leek mij niks lollig ‘naar mun werk te moeten’ en daar dan mijn levensvervulling in te zien. Ook vond ik het stom dat er in de klas niks gezegd werd over ‘de club van Rome’. Bij Staatsinrichting mocht ik niet eens meer vragen wat ‘we’ konden doen om de staat zelf eens naar onze zin in te richten. Van de boeken die ik toen las had de docent wel eens gehoord, ‘maar daar was hij nog niet aan toegekomen’.
Een vergelijking tussen toen en nu is nog schever dan de toren van Pisa. Het was niet beter en het was niet slechter. Wie vergelijkt eindigt altijd verongelijkt. Het alles verpletterende ‘meten=weten’ had ik al vroeg ingeruild voor het onmeetbare ‘wezen’. Ik ga maar en ben. Alleen het niet-deugen heb ik een beetje vol kunnen houden, soms. Maar altijd met hart en ziel.
Het vergt een academische studie (of twee) om het PISA-onderzoek ‘op zijn merites’ te kunnen beoordelen. Wat meet je? Het vergt een beetje nieuwsgierigheid, en vooruit, misschien een portie scepsis, om erachter te komen wie dat onderzoek laat verrichten: de OESO. En waarom: samen nóg beter economisch scoren. Zie de Binnenhoflezing van niet toevalligerwijs de partijgenoot van voornoemde staatssecretaris.
De natuur zieltoogt. De klimaatverandering kan niemand ontgaan. Wapengekletter lost menselijke geschillen niet op. Op het punt van ‘beschaving’ scoren sociaaleconomisch zogeheten ‘ontwikkelde’ landen beneden de waarden die aan medemenselijkheid gesteld mogen worden.
Het vergt wat durf, en vooruit, misschien wat avontuurlijke zin, om buiten de gebaande paden te treden. Wat weet je nu? En vooral, wat weet je nu niet? De vraag is wat mij betreft niet of 15-jarigen adequaat toegerust zijn om aan het wensenlijstje van de OESO te voldoen maar wat voor mensen zij zijn. En wat voor samenleving zij willen vormen. De vraag is: wie ben jij?
Mensen lopen over de drooggevallen bedding van de Donau nabij de stad Ruse op 21 augustus 2026 | Foto Nikolay DOYCHINOV /AFP
De bruid
Ik dacht dat ik geboren was voor verdriet
en nu ben ik opeens een lied aan ’t worden, fluisterend door het ijle morgenriet. nu smelt ik weg en voel mij openstroomen naar alle verten van den horizon, maar ik weet niet meer waar mijn loop begon.
de schaduwen van blinkend witte wolken bespelen mij en overzeilen mij; en scholen zilvren visschen bevolken mijne diepte en bliksemend voel ik ze mij doorschichten en mijne wateren alom doorkruisen en in mijn lisschen vluchten
zij zijn mijn kind’ren en mijn liefste droomen
ik ben nu volgegoten met geluk. de tranen die ik schreide en de zuchten zie ik vervluchtigen tot regenbogen die van mijn oogen springen naar de zon.
waar zijn de bergen van den horizon?
ik zie ze niet
H. Marsman, Porta Nigra, 1934
_____
Opm.
De huidige minister van Infrastructuur en Waterstaat over de penibele waterstand in onze rivieren de afgelopen hittemaand: ‘Tja, wij kunnen het niet laten regenen.’ Je zou zo iemand.
Het woord klimaat is trouwens in Den Haag ook door geen enkele andere bewindspersonen in de mond genomen. Nou ja, misschien in de samenstelling vestigingsklimaat. Je zou ze.
Vanaf zondag ben ik met een tweekolommenschema bezig: wel of niet deelnemen aan de Klimaatmars van aanstaande zaterdag? De stand in de kolom PRO is nu 271. En CONTRA: 271. Welk druppeltje doet welke emmer overlopen?
Nu ik er vanochtend nog eens naar kijk voel ik mij beteuterd. Voor boekhouden heb ik niet doorgeleerd. Juist uit mijn twijfel spinnen investeerders nylongaren.
Hier in Europa stond alles in de fik. In de Himalaya raken zelfs de hoogste bergen ontregeld. En nee, de schaarste aan water hier wordt niet in evenwicht gehouden door de vernietigende watermassa’s daar. ‘k Ben de minister niet.
En het gedicht van Marsman ga ik niet uitleggen. Al zou dit vreugdeloze en stagnerende kabinet het best als richtinggevend mogen lezen.
Nevelverscheurend kraait een haan vanuit onzichtbare tuin achter vage huizen, het rozerood van de dageraad al in top.
In een andere tuin voerde ik grootmoeders kippen nadat een andere haan mij had gewekt op de donkere vliering die geurde naar appels.
Ik hoor dit nu, ik zie dat nog. Het blijft bij me en ik kan het niet vasthouden al zou ik zelf een kippenhok gaan bouwen (ik zou dan trouwens ter vervolmaking die gedempte stinksloot achter de tuin ook opnieuw moeten graven).
Jan Eijkelboom, Wat blijft komt nooit terug, 1979
_____
Opm.
Achter vlag of vendel gaan lopen marcheren roept maar ongewenste herinneringen op, vooral voorbij Nieuweschans of Oldenzaal. Daarvan moeten de campagnestrategen van de AfD zich bewust zijn geweest. Dat zij de Simson-bromfiets nu inzetten als vertederend voertuig voor hun bedenkelijk gedachtegoed mag geniaal heten. De bedelnap van de geuzen steekt er maar schamel bij af. In Sachsen-Anhalt bettelt mann nicht. Ausweichen! In Sachsen-Anhalt beweegt men zich brommend naar een geweldige toekomst. Die lijkt sprekend op een gedroomd verleden.
Over de donkerbruinigheid van dat gedachtegoed hebben anderen zich vooral de afgelopen dagen al geschokt opgewonden. Dat was tamelijk laat: je kon de brommertjes al mijlenver horen knetteren. Ook hier te lande. En in Frankrijk. En Engeland. En de joe-es-ee. Verbijstering over de gunstige verkiezingsuitslag voor AfD (of voor Rassemblement national, Reform UK, MAGA) is ronduit naief. Over Forum voor Democratie, de PVV en andere bedenkelijke voertuigen op de rechterrijbaan, tractoren inbegrepen, al mogen die helemaal niet op de snelweg, later maar eens.
Alle mensen in Sachsen-Anhalt nu van staatswege een elektrische Volkswagen aanbieden is geen goed ID, daarmee bezweer je ‘het kwaad’ niet. Die knetteren niet. Die geuren niet naar motorolie. Die hebben geen staalborsteltje nodig om de bougie weer te laten vonken. Daarmee spreek je niet af op een troosteloos veldje ergens ver van de bedreigende wereld. Daarmee deel je niet met andere Simsonrijders het gevoel dat je er toch maar mooi op gekomen bent, diese ganze verdammte Strecke.
Hier helpt geen redeneren tegen. Nostalgie is de strategie.
Ik verlang ook wel eens naar een natuur zoals die er was vóór Thijsse daarover begon te schrijven, toen er nog nauwelijks automobielen waren. Bijna schreef ik ‘verlangde terug’ maar dat kan natuurlijk niet. In mijn jeugd verbeten de mensen zich ook al in de file op weg naar de toekomst. Het geheugen doet rare dingen met je als je iets heel erg verlangt. Zelfs als je niet precies weet waarnaar je verlangt. Of misschien juist dan.
Die brommer is niet meer dan een symbool. Maar toch, het is een krachtig symbool. Heeft de democratie voldoende vangrails?
Komende zaterdag wordt er in Amsterdam weer een Klimaatmars gehouden. Zonder klimaat is het maar niks in dit leven en er zijn toch waarachtig wel redenen om je er zo langzamerhand zorgen over te maken. Mag ik er bijvoorbeeld van uitgaan dat er morgen nog een klimaat is? En daarna ook nog de volgende week, en de week daarna, als het Prinsjesdag is, om over de langere termijn maar niet te spreken?
Ik zocht naar de bepalingen dienaangaande. Er was toch ergens een overeenkomst toen ik dit leven aanvaardde? Het heugde mij dat ik eens in zeer kleine letters iets had gelezen over geluk, en dat bij ontstentenis daarvan de directie nimmer aansprakelijk gesteld kon worden. ‘Op is op en weg is weg’, zoiets. Daar begonnen ze dus niet aan. Over het klimaat ontwikkelt zich nu bij mij een gerede twijfel.
Vermits ik geen garantiebewijs kan overleggen is reclameren geen optie. Op de escalatieladder is demonstreren dan de volgende trap. Over volksopstand durf ik voorlopig maar niet na te denken want bij een eventuele deelname aan de klimaatmars breekt mij het klamme zweet al uit. Al die mensen! En dan al dat geroep! Die ongearticuleerde herrie! Had dat zin?
Om definitieve bevestiging van deelname zo lang mogelijk uit te stellen begon ik maar met een inventarisatie van de argumenten pro en contra. Was er dit jaar weer een prikkelvrij blok? Met wat stemoefening beschreeuw ik makkelijk het hele Rokin! Wat was de weersvoorspelling? Heb ik nog goede wandelschoenen? Nee, blote voeten maakt indruk! Wat zouden de boeren hiervan wel weer niet vinden? Zouden ze ons wel zien daar in Den Haag? ‘Op is op en weg is weg’ is ook een heel goede tekst voor op mijn bord! Enfin, toen ik beide kolommen in nethandschrift uitgeschreven had kwam ik bij PRO op welgeteld zevenendertig argumenten. En bij CONTRA op precies zevenendertig. Was ik mooi klaar mee. Uitgeteld.
Omdat ik nog in de aarzelfase verkeer heb ik volgende week zaterdag maar wel vrijgehouden in mijn agenda. Mijn kolommenschema houd ik op mijn bureau. Misschien schiet mij de komende dagen nog een dingetje te binnen.
Wolf (Canis lupis lupis) | foto Ingrid Boll / Zoom.nl
Afgelopen woensdag debatteerde de Tweede Kamer over de wolf. Dat was me wat. De vlokken kamerjassenvacht vlogen in het rond. Daarna lagen er twintig emoties huilend in het rond.
Wie eenmaal een roedel wolven heeft horen huilen, vergeet dat nooit meer. Daarvoor hoef je niet meer helemaal naar de Karpaten, de Abruzzen of de Pyreneeën. Ook op de Veluwe en in Drenthe zijn ze nu wel eens te horen: https://www.youtube.com/shorts/i9OEB4qzxaU?feature=share.
Huilen is niet het goede woord, zingen is misschien een beter. Wolven stemmen hun vocalises op elkaar af. Ze harmoniëren. Ze variëren, zingen tweede en derde stem. Of vierde. Er is een gemeenschappelijke grondtoon die zij alleen kennen. Uit welke diepte die opwelt weet niemand.
De vergaderzaal van de Tweede Kamer is een naar hok. Je kunt er de lucht niet zien, de wind niet voelen. Je zou er je hond of kat niet in willen achterlaten, nog niet voor een nachtje. Misschien dat daarom de Kamerleden zulke akelige geluiden maakten. Woensdag ging het dus over wolven. Of eigenlijk ging het niet over wolven want over de echte wolven had bijna niemand iets zinnigs te zeggen. En wat er wel over hen gezegd werd strookte niet met wat we feitelijk over wolven weten. Misschien staan wolven wel te ver van onze volksvertegenwoordigers. Wetenschap ook. ‘We gaan toch zeker niet handelen vanuit wat de wetenschap is komen te weten? Dan hoeven we toch helemaal niet te debatteren?’ Dit verzin ik niet. Zelfs Roodkapje verzon dit niet, maar die kwam ook niet uit Volendam.
Nu even wat andere feiten. Er zijn in Nederland plus of min 1,8 miljoen honden (Canis lupus familiaris). In ieder vijfde huis van de straat is dus een hond te vinden. Nou ja, er zijn natuurlijk ook mensen met meer dan één hond. Later rekenen we dat nog wel eens precies uit want als het om feiten gaat komt het eropaan. Dit in verband met hoofdelijke aansprakelijkheid en dergelijke.
Die plusminus 1,8 miljoen honden zijn betrokken bij plusminus 150.000 geregistreerde bijtincidenten ’s jaarlijks. 40.000 zijn dermate ernstig dat medische verzorging wenselijk is. Het kunnen er ook meer zijn maar het zijn in elk geval mensen of mensjes van vlees en bloed. Want anders is hechten natuurlijk niet nodig, of een prik tegen tetanus of hondsdolheid.
Er zijn in Nederland plus of min 3 miljoen katten (Felis catus), de wilde katten (Felis silvestris) niet meegerekend. Achter iedere vierde deur in de straat is dus een huiskat te vinden. Die plusminus 3 miljoen katten vangen plusminus 100 miljoen prooidieren ’s jaarlijks. Nu wordt de rekenarij pas echt ingewikkeld, want schatten. Ik bedoel de cijfers.
Hoeveel vogels zijn dat wel niet? Vogelbescherming Nederland presenteert getallen tussen minimaal 14,6 en 38,3 miljoen vogeltjes. Maar het kunnen er makkelijk veel meer zijn. In elk geval, het gaat om vrije vogels.
Ik ga niet verzinnen hoe het er in de vergaderzaal der Tweede Kamer aan toe zal gaan als het er echt om gaat, om het klimaat en zo. Erg gerust ben ik er niet op. De huidige regering zegt daar ook al niks over.