
Het paard van Oricum, Albanië (2022)
De foto die ik gisteren uit ons archief opduikelde riep veel op, ook bij mijn vrouw. Wij hebben samen al zo veel gezworven. ‘Herinner je je die paardjes nog, die daar hongerig over die ruïnes struinden?’ vroeg mijn vrouw met ogen die ver weg keken. Ze had ze te drinken willen geven, en iets te eten, want er was daar niks. Ja, genadeloze zon. En ouwe stenen. ‘Wat liepen die daar verloren!’ En wij waren de enige bezoekers op dat uitgestrekte, verlaten terrein waar tweeëneenhalf millennium geleden Grieken hadden geleefd. De aanwezigheid van een schamel informatiebord zei genoeg: geld voor opgravingen was er niet.
Het was bij Oricum en het was al een avontuur geweest om er te komen. Omdat er tegenwoordig een marinebasis is – in de 6e eeuw voor onze jaartelling trouwens ook al, Homeros was toen al een paar eeuwen dood, maar die Grieken waren heus niet gek – moesten we eerst langs een slagboom. In met veel Albanees doorspekt Engels gebaarde de dienstdoende schildwacht dat we in het dorp de gids moesten zien te vinden. Zonder toezicht kwamen we er niet in. Na een uur rondvragen vonden we die gids. Die sprak nog vloeiender Albanees.
De rit van het nieuwe Orikum naar het oude Oricum duurde een kwartier. We reden langs zeer verroeste voertuigen met verbleekte sterren. Ooit waren hier Russen gelegerd, in de enige Sovjetbasis die ze toen in de Middellandse Zee hadden. Ach, de zegeningen van Stalin, van Enver Hoxha. De duim van de gids ging naar beneden toen we hem er naar vroegen. En enthousiast omhoog toen hij een NAVO-vlag in het oog kreeg. We kregen precies een uur om de site te bekijken. Hij gebaarde op zijn horloge. Daarmee eindigde zijn toezicht. En toen moesten we nog beginnen de Oudheid leren begrijpen.
Behalve dat met die paardjes was dat uur genoeg. Wat vage resten van een akropolis, een klein theater. Uit een summier reisgidsje leerden we dat de Russen er in de jaren ’50 ook nog wat uitgegraven hadden. De rest was voor onze verbeelding. En wat we al opgestoken hadden van al die resten van de Griekse aanwezigheid rondom de hele Middellandse Zee, tot aan Empórion in het verre westen toe.
Gistermiddag bezochten we The Odyssey van Christopher Nolan (2026). Daar is al heel wat om te doen. Laat ik het hierbij houden: een spektakelfilm maken van een met goden en mythen doorweven verhaal haalt het niet bij een levende gemeenschap die elkaar die verhalen doorvertelt, elkaar aankijkend, elkaar aanstotend, elkaar bevragend, elkaar verbeterend. Zo probeerde men zichzelf te begrijpen, misschien juist als het niet te begrijpen viel. Toen Homeros die verhalen op schrift stelde, hoe kunstig ook, werd dat levende verhaal ten dode gedoemd.
Nolan ’s versie is geen moderne parabel en hij omzeilt listig de huidige politieke en morele klippen van Scylla en Charybdis. Wat bijvoorbeeld te doen met het ‘gebod’ gastvrijheid te verlenen aan iedere vreemdeling, de ‘wet van Zeus’? Over de treurnis wekkende stereotypen van mannenmoed en vrouwentrouw zal vast ook nog wel discussie oplaaien.
In het weefsel van onze beschaving zitten veel weeffoutjes en we kunnen niet, zoals Penelope, iedere nacht het gewevene weer ongedaan maken. Al zijn er mogendheden die zulks proberen. Voor het moderne Troje hoef je de krant maar open te slaan. Voor Trojaanse paarden de laptop.
Naar verluidt kostte het 200 miljoen euro om de film te maken. Naar verwacht zal de film minstens het vijfvoudige opbrengen. Het geldmonster is het enige wat ons rest uit die verre wereld.
Plaats een reactie