
Turkse tortel | foto Koos Dijksterhuis
Tamelijk recent onderzoek toont aan dat duiven zichzelf in de spiegel kunnen herkennen. Van eksters en gaaien wisten we dat al, van (sommige) kraaien ook. Het is uitermate lastig slimme experimenten te verzinnen om zoiets te ‘bewijzen’. Frans de Waal beschreef in Zijn wij slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn (2016) al ons geblunder op dat vlak. Samengevat: geef een olifant een handspiegeltje en je bent het kwijt. Zet diezelfde olifant voor een spiegel van 4 bij 4 meter en hij/zij gaat zichzelf bestuderen. Het diepste raadsel openbaart zich dan olifantgroot: wat is ‘zelf’?
Voor de klippen en draaikolken van de psychologie heb ik te weinig stuurmanskunst. Mijn eigen contemplaties hebben het raadsel alleen maar vergroot: de kudde olifanten die in mij huist danst om porselein. Wie zich echt in dieren wil verdiepen, late zijn ikje thuis.
Ju ju, ik wilde mij vanmorgen alleen maar even over de duiven verbazen. Wat betekent het dat een duif zichzelf in de spiegel lijkt te herkennen, zij het met enige hulp? Eigenlijk hebben we geen flauw idee.
Zelfherkenning is weer iets anders dan zelfbewustzijn. En van daaruit is het nog weer een grotere stap je in te kunnen leven in een ander. En nog weer een grotere om van empathie te komen tot moreel gedrag. Enfin, zie De Waal, Een tijd voor empathie (2009).
Mijn vrouw zag mij de afgelopen weken studeren in de boeken over duiven die zij bij mij in de kast met vogelboeken weet te staan (Hay Wijnhoven, De Turkse tortel, De houtduif, 2019 en 2024). Zij kent mij beter dan ik en behoedt mij niet zelden voor verdwalen. ‘Maak het niet zo groot,’ zegt zij vaak. Misschien ook om mij van het zweven te genezen bracht zij een zeer aards boek mee over de stadsduif. ‘’t Is net uit en de schrijver komt ook nog uit Noord.’ Ze zei nog net niet dat ik ‘m maar eens moest opzoeken maar ik weet dat zij weet dat ik zelf ook wel eens moe word van al die boeken lezen. En dat ’t eropaan komt in deze wereld te leven. Ook mijn ongemakkelijkheid dat iedere dag gewoon te doen doorziet zij beter dan ikzelf. Zelfbewustzijn is één ding, de rest is gewoon, nou ja, de rest.
De publicist Irwan Droog bespreekt in Duif; Over een alomtegenwoordige maar ondergewaardeerde stadsgenoot (Amsterdam Thomas Rap, 2026) niet eens zozeer de stadsduif als vogelsoort, Droog is ook geen bioloog, maar vooral hoe wij stedelingen met die duif in het hier-en-nu omgaan. Daar hikte ik. Moest ik het nu ook al over ‘flock’ hebben terwijl ik ‘een vlucht duiven’ wel zo poëtisch vind?
Droog gaat uitgebreid in op het verschijnsel ‘stringfoot’. Door hun bijzondere paargedrag lopen duiven zich vast in draadjes, touwtjes, garen en mensenhaar, dat overal in de binnenstad rondzwerft. Omdat ze dat zelf niet kunnen verwijderen leidt dat tot afknelling, en als er niet ingegrepen wordt tot afsterving van het pootje. Hier aan de rand van de stad zie je dat zelden maar op de Dam valt het op. Als je je er eenmaal van bewust bent tenminste.
Wat ik niet wist is dat er hele groepen van mensen rondlopen, die zich bezighouden met het destringen. Dat zijn duivenpersonen. Droog zocht ze op en beschrijft die ontmoetingen, tot in Nijmegen, Brussel en Hannover aan toe.
Droog ’s reportage leidde tot meer bevindingen. De indringendste is dat als ik nu ’s ochtends een blik in de spiegel werp mijzelf de vraag stel of ik een duivenpersoon ben. Die spiegel antwoordt niet, nóch ik, nóch mijzelf. Ik ga het mijn vrouw vragen.

Irwan Droog op de Dam in Amsterdam | foto Saskia van den Boom / NRC
Plaats een reactie