Bijna nooit

,

Lepelaars | foto Pieter de Geus / Vroege vogels

BIJNA NOOIT

Bijna nooit zie je een vogel in de lucht

zich bedenken, zwenken, terug.

Judith Herzberg, Dagrest, 1984

_____

Opm.

Hoe langer ik naar dit gedichtje kijk, hoe verbazingwekkender het wordt. Er staat ‘bijna nooit’, niet ‘nooit’. Hoe intrigerend dat is, blijkt als je het woordje bijna weglaat. Dan hoor je Jacob Cats, als je tenminste ook nog wat aan het metrum prutst.

Het verweesde woordje ‘terug’ krijgt dan misschien ook een zinnige bedding. Gaan die vogels nou terug? Of ziet de ‘je’ ze terug? Wie is die ‘je’ trouwens?

Mensen twijfelen, dit is een kwestie van keuzevrijheid, de vrije wil en van die dingen. Daar kun je ’s nachts wakker van liggen.

Vogels liggen niet woelend wakker. Herzberg lijkt in deze bundel vogels om hun beslistheid te benijden, al poneert ze het ook niet al te stellig: ‘bijna nooit’. Maar ja, ze is geen ornitholoog, hè? Ze is gewoon voorzichtig in oordelen.

Ik was het gedichtje nooit nauwkeuriger gaan bestuderen als Thomas Oudman er niet in De Correspondent over was begonnen. Er zijn wel degelijk vogels die zich bedenken. Terugkeren op hun schreden, zogezegd. De werkgroep Lepelaar beschrijft het intrigerende geval van PRUNUS, die nu al in Senegal zit terwijl de meeste lepelaars nog aan hun reis moeten beginnen. Dat doen ze vermoedelijk volgende week, als de wind een beetje gunstig zit. Wat gaat er in PRUNIS om? Zit die te wachten?

Vogels zijn intentionele wezens, en geen machientjes. Over de mens als kuddedier een andere keer.

Plaats een reactie