
Wolken zeilen voort –
kraaien turen uit hun nest,
sturen nog wat bij

Wolken zeilen voort –
kraaien turen uit hun nest,
sturen nog wat bij

Hagel striemt het nest,
de eend herschikt zich – dromend
over kroos en kroost

Oosterpark 82 (Witsenhuis) waar de dichter J.C. Bloem rond 1950 woonde; Nescio woonde toen in de Linnaeushof, op een kwartiertje lopen. Tegenover ligt het Oosterpark, alweer het hek waartegen de titaantjes, enz.
Voor wie het in het hier-en-nu zoekt zijn weemoed en verlangen verleiders die je maar beter kunt weerstaan. Maar verleiders verstaan hun vak goed. Ze leiden een verborgen bestaan. Van daaruit slaan ze toe. ‘Crepusculair’ is het woord dat opkomt. Zo erg is het dus.
Omdat ik al maanden wachtte op een vogelboek, over de kemphaan, die ik mij in mijn vroegste jeugd herinner wel eens gezien te hebben, maar daarna nooit meer, ach, al die vogels die verdwenen en verdwijnen, voorbij, voorbij, en voorgoed voorbij, haastte ik mij afgelopen woensdag naar de boekhandel toen het eindelijk uit was. Ze hadden het. Nèt binnen. Ik blij. Maar toen ik ging afrekenen zat daar opeens ook nog een boek bij over de dichter Bloem. Ik moet het achteloos hebben opgepakt van de ramsjtafel buiten, kalm maar resoluut. Toen ik met mijn buit door de miezerregen naar huis fietste, de beide schouders opgetrokken en mijn hoofd in mijn kraag waar ik het water naar binnen voelde kruipen, vielen mij regels uit Grafschrift in: de schaduw van twee vleugels, die hem joegen, de felle klauw in zijn gebogen nek. Crepusculairder kon je het niet krijgen.
Thuisgekomen keek ik het boek over de kemphaan echt wel even in, dat was allemaal in orde stelde ik vast, dat kon later ook nog wel. Zodat het nu zo is dat ik de biografie van Bloem uit heb en aan het vogelboek nog moet beginnen. Nu ja, om nog ergens kemphanen te kunnen zien toernooien moet ik toch heksentoeren uithalen.
De gedichten van Bloem hebben op mij altijd wel indruk gemaakt. Ik zou er anders ook niet zomaar een paar kunnen opzeggen. Maar toch riekte er zwakjes een geur uit van een eeuw die niet zou terugkeren. Gelukkig maar, dacht ik vaak, zonder precies te weten waarom. Nu ik dat leven moeizaam door indolentie en drankzucht voorbij heb zien trekken in Slijpers biografie (Bart Slijper, Van alle dingen los; Het leven van J.C. Bloem, Amsterdam 2007 (diss.)) is mijn reserve ook wat duidelijker.
In de studies die ik daarover las werd ‘het verlangen’ bij Bloem vaak op dezelfde hoop gegooid als dat van Nescio’s ‘verlangen zonder te weten waarnaar.’ Ik weet niet meer wie het beweerd heeft, ’t zal dus Kees Fens wel weer geweest zijn. Ik vond het maar niks. Het oordeel van iemand die zelf niet weet te verlangen.
Dit zinderde tijdens mijn lezing telkens ergens op de achtergrond totdat ik bij Slijper onverhoeds een zinnetje van Nescio tegenkwam: “Bloem zit nog altijd aan het Oosterpark zoo’n beetje te dichten achter z’n bloeiende clivia,” noteert Nescio op 9 mei 1951 in wat zijn Natuurdagboek is gaan heten. Maar daar gaat het niet om, het gaat om dat éne zinnetje.
Nescio is er een paar dagen met zijn vrouw tussen uit geweest. In Limburg hebben ze ‘Den Mei ingewijd.’ Al die plekken langs de Geul waar wij laatst ook waren. De negende zijn ze terug in Amsterdam, ‘toch nu zeer blij weer.’ ‘Eigen lucht.’ En dan dat afsluitende zinnetje over Bloem. Die woonde toevalligerwijs eventjes vlakbij, maar daar gaat het nu ook al niet om. Waar het om gaat is dat Nescio niet achter de bloeiende clivia is gaan zitten klooien met verhaaltjes die maar niet van de grond kwamen maar er met zijn vrouw op uit trekt. Op 8 mei, Dinsdag noteert hij: “Om 4 uur koekoekte de koekoek als gek. Tegen half zeven wakker: weer koekoek.”
Dat is wakker en alert. En helemaal niet weemoedig.
Zo. En nu ga ik eens kijken waar ik kemphanen zou kunnen vinden.

Armando, Damals `11 – 7 – 97

Armando, Damals 11 – 7 – 97
(O ja, en ook nog dit: ‘Schoonheid is niet pluis’)

Armando (1929-2018), Der Baum, 2013
‘Ineens is iets kunst,’ zei Armando eens en ergens. ‘Ineens zijn de stoutmoedige gedachten en daden van een troosteloos mens in het domein van de kunst terecht gekomen. Dat is, ik weet het uit ervaring, een streng en wrang domein. Met eigen wetten en gevechten. Je kunt er beter niet terecht komen, want je wilt ook wel weer eens terug en dat lukt je lang niet altijd. Mij is het nooit meer gelukt.’
Stelt Der Baum een boom voor? Geen idee. Had Armando een speciale boom voor ogen? Geen idee. Een Duitse boom wellicht? Geen idee. Waarom zo rood? Geen idee. Is de boom soms een metafoor? Geen idee. Iets met de oorlog misschien? Geen idee. Wat was er eerder, het schilderij of de titel? Geen idee. Wat is de betekenis van het schilderij? Geen idee. De waarde dan?
Om duidelijk te maken dat er niets over te zeggen valt heb je veel woorden nodig. Het lijkt dan wel de explicatie van een of ander religieus ritueel. Maar het is gewoon verf.
En als ik er naar kijk kan ik niet anders dan onwillekeurig aan de maker denken. Aan wat ik weet van zijn leven.
Ik kan er ook niet naar kijken zonder dat ik alle bomen die ik ooit zag er in zie. Aan wat ik weet van mijn geschiedenis.
Het citaat komt voor in een voorstelling die Cherry Duyns een jaar na Armando’s overlijden als eerbetoon aan zijn vriend maakte: Ik hoorde dat er geluisterd werd.
Het navrante is, onder andere, dat hij begeleid wordt door de Oekraïense accordeonist Oleg Lysenko. Poetin had toen wel De Krim en grote delen van de Donetsk bezet maar moest nog aan zijn ‘speciale militaire operatie’ in Oekraïne beginnen. Het bedrog van taal. Trump ouwehoert nu over ‘een excursie’ als hij het bommentapijt bedoelt dat zijn strijdkrachten over Iran aan het leggen zijn. Pete Hegseth is onomwondener: hij is Minister van Oorlog. Epic Fury bedoelt Iran weg te vagen: Iran zal worden onderworpen aan “dood en vernietiging uit de lucht, de hele dag door.” De militairen hebben ‘maximale toestemming’ gekregen. “Dit is geen eerlijk gevecht: we slaan ze terwijl ze op de grond liggen.”
Kunst.

Cherry Duyns en Armando in de voorstelling ‘Een wesp van hout’ van Herenleed, 1997.
•
Armando en Cherry Duyns liepen in de vroege jaren ’70 samen op. Er ontspon zich het volgende gesprek:
Armando: ‘Kent u de tafel van 4 al?’
Duyns: ‘Ja, die heb ik onder de knie. Een prachtige tafel trouwens’.
Armando: ‘Dat vind ik nou ook, leuk dat ik iemand gevonden heb, die dat ook vindt’.
Duyns: ‘O, meneer, de tafel van 4 is mijn lievelingstafel. Ik kan ‘m wel dromen’.
Armando: ‘Ik vind het de mooiste van alle 4 de tafels’.
Duyns: ‘Ja, ik ook. Hoewel, ik heb gehoord, dat de tafel van 5 ook heel mooi kan zijn’.
Armando: ‘Ja, daar heb je het al, die ken ik dus niet. Ik weet er maar 4’.
Duyns: ‘Ik ook’.
(De rest is geschiedenis)
•
Op het podium verschijnen twee mannen. De ene heeft een hysterische scheiding in het midden (man 1), de ander zijn snor verkeerd om (man 2). Man 2 is zojuist met een ladder het toneel opgekomen, man 1 klimt erin en tuurt in de verte, waarna zich het volgende gesprek ontwikkelt:
Man 2: „Ziet u wat?”
Man 1: „Wat zegt?”
Man 2: „Of u iets ziet?”
Man 1: „In de verte bedoelt u?”
Man 2: „In de verte bedoel ik.”
Man 1: „Ik zie slechts de buitenkant van de duisternis.”
Man 2: „O, u bedoelt de zwartheid van het licht.”
Man 1: „Dat zeker ja, terdege.”
Man 2: „O, maar dat is de toekomst.”
Man 1: „Ja gelukkig wel.”
•
Man 1: Alles wat geweest is, kwam dat?
Man 2: Dat kwam.
Man 1: En als het kwam, komt het dan niet meer?
Man 2: Nee, het komt niet meer…
•
In Armando’s werk is vaak sprake van ‘het schuldige landschap’ en ‘de schuldige bosrand’, zoals in Dagboek van een dader: ‘Veel bosranden. Veel schuldig geboomte. Het stikt hier van de schuld, boom voor boom’. In een van de opstellen Uit Berlijn heet het: ‘Als je in Amersfoort uit de trein stapt ruik je de schuldige bossen (…)’.
Het ‘schuldige landschap’ heeft Armando in dezelfde bundel omschreven als een landschap ‘dat heeft zien gebeuren, want in landschappen, in de schone natuur, vinden vaak de afgrijselijkste opvoeringen plaats. Veldslagen. Sluipmoorden. Man tegen man. Aanleg en onderhoud van kampementen. Barakken. Plekken ter kwelling van weerloze schepsels’. Hieraan voegt hij toe: ‘Jaja, ik weet het wel, het is zinloos om de natuur schuldig te noemen, maar kunst is ook zinloos, daarom is kunst zo onontbeerlijk. Sinngebung des Sinnlosen’.
•
In 2007 ging het Armando Museum in vlammen op. Kon – ie weer opnieuw beginnen.
•
Als Armando nog geleefd zou hebben zou ik hem dat rare idee van een schuldig landschap uit z’n hoofd hebben willen praten. Volkomen zinloos natuurlijk. Hij wist het toch al.
•

•
Kleindochter (10): Er wonen 8,3 miljard mensen op aarde.
Kleindochter (7): Is dat inclusief de astronauten?

Armando (1929-2018), De ladder van het kamp, Kamp Amersfoort, 1994 52° 8′ NB, 5° 22′ OL
Het moet kennelijk zo zijn dat ik toch omhoog wil, dat ik naar iets hogers streef, al kan het vaak niet en al weet ik dat het niet kan. Vorige week was er Aristoteles’ scala naturae waar Christine Webb de mens, die arrogante aap, vanaf duwde, zondag de Tornadotrap in het Feniks kunstmuseum die toch niet voor iedere bezoeker ontworpen bleek, gisteren belandde ik via de raadselachtige omwegen van een essay over ‘trappengeluk’ bij de ladder van Armando.
De foto toont de sculptuur die hij maakte voor Kamp Amersfoort, waar hij als kind getuige was van de gruwelen van het wrede spel Herrenvolk & Untermensch. De aluminiumversie hoort niet bij de sculptuur.
Niet uit gemakzucht maar uit grote achting laat ik Armando vandaag zelf aan het woord. Ik zou zo graag zijn eigen stem nog eens horen. En wensen dat zijn broze stem dan alle fascistische sympathieën van de laatste tijd in hun smoezelige goorheid zou smoren.
‘De ladder van het kamp
Lang, lang geleden, als was het de dag van gisteren, werd dit kleine land door een groot land kwaadschiks veroverd. De veroveraar werd ‘de bezetter’ genoemd, voor velen was hij van nu af aan ‘de vijand’. Hij maakte zich meester en zette naar z’n hand, want hij meende zeker te weten wat goed was: hij verkondigde een leer. En wie denkt de wijsheid in pacht te hebben, moet andere meningen tot zwijgen brengen. Mensen die afwijkende meningen hadden, laat staan zij die tot daden overgingen, werden opgesloten in oorden, waar ze gretig vernederd werden.
Er was zo’n oord in Amersfoort, beter gezegd bij Amersfoort. Het werd ‘het kamp’ genoemd. Kamp Amersfoort.
Ik was destijds toevallig in de buurt. Regelmatig zag ik de gevangenen voorbij lopen en ik zag niet alleen, ik bekeek ze ook.
Toen men mij vroeg om over een sculptuur voor het kamp na te denken, was dat voor mij een buitengewoon indringende vraag, want het kamp is nooit een dag uit m’n gedachten geweest.
Het verzoek kwam op een merkwaardig moment, want het laatste jaar hield ik me bezig met het motief van de ladder, en er is, naar mijn mening, voor deze plek geen beter motief denkbaar dan een reusachtige ladder.
Waarom een ladder.
Een ladder verbindt laag met hoog, maar waarschijnlijk ook hoog met laag. Een ladder verbindt aarde en hemel, belichaamt het reikhalzen naar datgene wat hoger is dan het menselijke. De ladder als troost, als vluchtweg. Een ladder kan hulp van boven brengen. Velen hoopten toentertijd op hulp van boven, sommigen gaf hulp van boven kracht.
Voor mij heeft de ladder van het kamp nog een andere betekenis.
Zelfs de vijand, in de gedaante van een bewaker, had een ladder nodig om op de plaats te komen waar hij thuishoorde en huishield: de wachttoren. Daar kon hij op de gevangenen neerkijken, hij hield ze vandaaruit in toom, omdat hij een wapen en de macht had. Maar hier is slechts sprake van het armzalige laddertje dat bestemd was voor de knechten van de plek, de knechten van de kerfstok.
De gevangenen hadden geen wapens, maar ze hadden een veel hogere ladder tot hun beschikking dan de vijand, al was het dan een denkbeeldige ladder. Het was de ladder van de gedachten, want de gedachten zijn vrij. Via deze ladder vertrokken de wensen en verlangens der gevangenen en er kwamen ongetwijfeld gedachten en wensen van elders terug. De ladder was er dus al. De ladder is juist in die barse jaren ontstaan. Maar hij was tot nu toe niet zichtbaar.
Ook deze ladder is geen echte ladder. Het is een kunstwerk dat aan een ladder doet denken. Het is de ladder van het kamp, de ladder van de plek. Hij is groot en hoog, en, naar ik hoop, trots en ongenaakbaar. Hij is van brons.
Armando.’
[Uit: Armando. De thema ‘s, 1993]

Robert Indiana met zijn sculptuur ‘LOVE’ in Central Park, New York City in 1971. | foto Jack Mitchell/Getty Images
Het begon al toen we binnen waren in Fenix, maar misschien had ik mijn stemming al voorbereid door mij in te lezen. ‘Dat wordt niks Maarten, jij moet met de lift.’ Maarten had ons in zijn op maat gemaakte bus naar het Migratiemuseum gebracht. Wij waren blij dat wij eens met hém mee konden. Hij ook. Hij glunderde zijn glunderlach. ‘Ik ben niet gehandicapt, de wéreld is het,’ zegt hij vaak. En zo is het. Het begon dus al met die Tornadotrap waarmee de hemeltje schatrijke familie Van der Vorm de ganse Rotterdamse bevolking en al haar bezoekers tot ver boven de toch al bovengemiddelde havenstad wilde verheffen. Daar kon je dus met een rolstoel niet op.
Dat het in die lui van Feniks nou niet eens is opgekomen dat ook rolstoelers wel eens cultuur willen snuiven. Cultuur zijn, bedacht ik, terwijl mijn grimmigheid alleen maar toenam naarmate ik in de tentoonstelling vorderde. De bordjes Migratie, Identiteit, Geluk, Grens, Vlucht en Thuis waren bedoeld als thematische richtingaanwijzers maar ik voelde mij steeds verlatener in die gigantische loods. Geen houvast meer. Geen kompas. Dat heette bij te dragen aan de gevoelens van verlorenheid die migranten ervoeren. ’t Mocht wat, dacht ik bij het wrakke bootje dat ze van Lampedusa naar het museum hadden verscheept. En hun verhaal dan? Hun Afrikaanse identiteit? Hun ongeluk en ’t geluk dat zij hadden gezocht? De grenzen van Fort Europa? Hun thuis dat voor ontelbaren de bodem van de Middellandse Zee was geworden? Die verhalen mocht ik zelf bedenken. ’t Hele museum begon in mijn beleving steeds meer te lijken op een vlucht dat verhaal te vertellen.
Als je de politiek moet geloven is migratie het allerbelangrijkste onderwerp van deze tijd. Maar zelfs bezoekers die daarvoor een staalplaten oplossing zo hard als hun kop hebben, zullen door de tentoonstelling niet op een andere partij gaan stemmen dan die knetterrechtse die de AZC’s als geldoveronzebalkgooierij zien. Dit bedacht ik niet zelf maar zoiets had ik ergens gelezen bij een bekende schrijver die ook in Fenix had rondgedwaald. Het viel mij in toen ik voor een metershoge afbeelding stond van dat beroemde ontwerp van die letters LOVE. Waarom werd dat hier geëxposeerd? Ik moest opzoeken wie de maker ook al weer was, Robert Indiana, ook een ontheemde, terwijl zijn creatie toch heel bekend is. Van Lampedusa tot New York, van Syrië, Oekraïne en Gaza tot Amsterdam, London en Parijs. En Hardenberg.
Toen we aan het eind van de middag weer terug in Amsterdam waren en wij aan tafel onze belevenissen uitwisselden, nápraatten, óók in een loods en óók aan het water, en ik van Maarten moest uitleggen waarom dat van die trap mij zo had geërgerd, en nog wel meer, de verdorvenheid van het grootkapitaal, de bedenkelijkheid van de herkomst van al het geld waarmee Fenix toch bekostigd had moeten worden, de betekenis van het woord LOVE in die expositie, Megalomanie en Kunst, en dat we er allemaal nog steeds niks van geleerd hadden, dat de feniks wel uit de as herrezen was maar tegen welke liefdeloze prijs, ja, de hele wereldpolitiek fileerde ik met blikkerend bestek aan flarden, toen wenkte hij op z’n allervriendelijkst de serveerster bij zich of deze misschien zijn meegebrachte, op precies zijn maat toegesneden bestek in de keuken zou willen afwassen. Die wilde hij niet vies in de bak van zijn rolstoel. ‘Maak je niet druk, ouwe reus. Op het vlak van de liefde kan iedereen nog wel wat leren’.
En het bestek kwam terug. Blinkend en schoon.
Vandaag ga ik maar eens aan mijn handicap werken.

Smienten | foto Anna de Vries
Wie fluit toch het sein
onder al die smientjes
om op te breken?
_____
Opm.
Het fluitende roepen van de smientjes hoort bij de winter, de jodelende roep van de grutto bij het voorjaar. Er is geen moment afgesproken waarop de wisseling plaatsvindt. Toch weten smient en grutto van het wanneer.

zonder het vrouwelijke was de wereld onleefbaar
ik zou een rivier zonder bedding zijn, een zee zonder kust
ik zou de nacht zonder ochtend zijn, een berg zonder top
een weide zonder bloemen, beweging zonder rust