Eindelijk, eindelijk is de merel gaan zingen. Niet als een beloning voor het lange wachten dit jaar maar ‘gewoon’, omdat merels dat nu eenmaal doen als de temperatuur oploopt en het langer licht is. Maar er is niks gewoon.
Op https://waarneming.nl/species/150/observations/?page=1 kun je mooi zien hoe er vooral in de avondschemering een sluier van geluid over het hele land trekt. ’s Ochtends wordt er ook wel gezongen maar dan vindt-ie het kennelijk nog te koud.
Bij het ontbijt bespraken wij vanochtend de adviezen die we in onze zaterdagkrant hadden gelezen. Zouden de nieuwe bewindslieden die ook lezen? En zouden ze er iets aan hebben? En meer nog, zouden ze er iets mee doen?
Prachtige adviezen allemaal, daar niet van, maar we bevonden ons al snel op het punt waarop we onze kinderen van raad voorzagen toen zij de deur van het ouderlijk huis achter zich dicht trokken: altijd met twee woorden spreken, niet naar enge mensen luisteren, tel tot tien als je boos wordt, je kunt niet iedere dag ijsjes eten, let op de centjes, je mag altijd thuis komen hoor! We dreigden weg te dromen boven ons familiealbum. En hielden onze adviezen tegen het licht van wat er nu van hen geworden is. ’t Is toch anders gegaan allemaal.
En we wilden wel eens weten wat echt verstandige mensen nou van dit politieke experiment vonden. Mensen als Tjeenk Willink. Of Remkes. De ouwe koningin desnoods. Wij zaten stil.
‘Het kan wél’. Daar was het allemaal mee begonnen. Op een of andere manier vonden ze dat allemaal want anders zouden ze nu niet met elkaar op het bordes van Huis ten Bosch bij de koning in hun op maat gesneden nieuwe bewindsliedenpakjes staan te kleumen en te grimassen om toch maar eensgezind en voordelig op de foto te komen. Maar wat was ‘het’? En wie had er dan gezegd dat het niet kon? Wat bedoelden ze trouwens met ‘kunnen’? Hoe ⁷dan?
Ik vertrouwde mijn vrouw toe dat ik vanaf de verkiezingen stiekem steeds had moeten denken aan die uitspraak van die ontwikkelingspsycholoog die ooit eens uitlegde dat voor een puberbrein alles nieuw is, en de moeite waard eens aan een serieus onderzoek te onderwerpen. Een puber, zei die, onderzoekt volkomen argeloos het voorstel of – ie in dat zwembad met levende haaien zou durven springen. ‘Maar dat is geen vraagstuk, dat is een waagstuk,’ zei ik mijn vrouw.
‘Pedante Schoolmeester!’ repliceerde mijn vrouw pinnig. ‘Jij kijkt nu niet eens over de rand van je eigen schoolzwembadje uit! Het gaat hier wel om het Algemeen Belang, hè! Niet alleen voor Nu, maar ook voor de Toekomst. Niet alleen voor die ene partij maar voor Alle Mensen. Dus zeker niet alleen voor het Onderwijs. Of de Zorg. Of de Jongens en Meisjes die Ons Land gaan verdedigen.’ Ze was in hoofdletters gaan spreken maar had kennelijk wel mijn voorbeeld meteen herkend. Dat dateerde nog uit de tijd dat wij samen voor de klas stonden en iedere dag met pubers van doen hadden. We hadden dat indertijd een eyeopener gevonden. En wat was er van die kinderen geworden?
We vielen nog stiller.
Met dat algemeen belang had zij zeker een punt, overwoog ik, ’t zal toch niet zo zijn dat we een voortzetting krijgen van de verkiezingscampagnes. Wat ik de afgelopen weken op billboards naast de snelwegen in dit land heb zien boodschappen stelt mij niet gerust. De omgekeerde vlaggen waren nog niet eens overal weggehaald. Landschapsvervuiling. Ja, dat kon wél.
Juist wilde ik mijn vrouw gaan zeggen dat ik er ook een hard hoofd in heb of de adviezen van de Nationale Klimaatcommissie van deze week wel door het nieuwe kabinet ter harte zullen worden genomen toen zij mij onderbrak: ‘Ik moet nu weg hoor, je kunt voor vanavond de aardappeltjes wel opbakken. En anders red je je wel. Nou doe – hoeg!’ Ze haastte zich voor een afspraak met de kleinkinderen. ‘t Is iets met Bubble Planet, of zoiets. Ik word oud. En vraag mij wel vaker af in welke tijd ik ben beland. Maar misschien is Bubble Planet ook wel een goede voorbereiding op de toekomst.
Nadat hij voor-vorige week is overleden kon je geen krant of tijdschrift openslaan zonder op een necrologie van Cees Nooteboom [1933-2026] te stuiten. Bijna alle necrologen citeren dit zinnetje: ‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’. O ja, en ook nog dat hij eigenlijk de Nobelprijs voor de literatuur had moeten krijgen. Dat ze dat tenminste in het buitenland al lang vonden.
Dat zinnetje herkende ik meteen, allicht want ik heb er voor doorgeleerd. Maar vermoedelijk vooral omdat ik zelf een hond had toen ik het voor het eerst las. Leofwin heette die, een Labrador die nooit moe werd maar die op de gekste plekken neer kon ploffen, z’n kop op z’n poten leggen en dan doen alsof het spelen wel gedaan was, ondertussen mij overal met zijn hondenogen volgend: ga je nou nog mee? Nooteboom bedoelde heel iets anders over de werking van het geheugen te vertellen, dat begreep ik toen ook wel. Met het zinnetje is niks mis, het allittereert lekker en de assonantie is ook in orde. Zoiets beklijft gemakkelijk. Maar het mooiste aan de metafoor is dat – ie zo plastisch is. Hij geurt naar hondenvacht.
Nou is het merkwaardige dat als je mij er veertien dagen geleden naar gevraagd zou hebben ik Bernlef als de maker van die regel genoemd zou hebben. Met grote stelligheid, en iedereen zou het geloven. Misschien komt mijn verwarring weer doordat ik Rituelen en Hersenschimmen ongeveer tezelfdertijd gelezen zal hebben. Dat weet ik niet zeker, ik bedenk dat nu omdat die boeken ongeveer in dezelfde tijd uitkwamen. Mijn geheugen bedriegt mij vaker. Vergeetboek. Ik reconstrueer die tijd nu in mijn hoofd, beginjaren ’80: waar ik was, wat ik deed, met wie. Leofwin ploft naast mij neer. Ik zie zijn ogen, ruik zijn rulle vacht. Ik kan ‘m bijna de kop strelen.
Nu mijn onderzoekingen vanochtend tot zover gevorderd waren dacht ik: waar ging Rituelen ook al weer over? Er was iets met een kostbare theekom, iets met een Japanse theeceremonie, wat niet helemaal goed afliep. Maar waarom ook weer? En ik herinnerde mij de opkomende wrevel destijds toen ik dit bij Nooteboom las. Wist die Nooteboom daar nu ook al van alles van? Of was het alleen maar opgepoetste buitenkant? Ik was mij toentertijd danig gaan interesseren voor het zenboeddhisme.
Ik laat het nu maar even voor wat het is, ik verdwaal toch al. We zijn een half mensenleven verder, Nooteboom zou nog heel veel boeken schrijven, mooie ook wel, al kan ik mij van geen enkele goed de plot voor de geest halen, en ja, ik genoot van zijn fijnzinnige observaties tijdens zijn reizen, de plekken waar hij kwam, en ik zou nog heel veel andere boeken gaan lezen, en ook reizen, en ik zou nog heel veel moeten leren, heel veel kommen stuk slaan ook, figuurlijk dan, en heel veel mensen zouden niet ophouden te zeggen dat Nooteboom de Nobelprijs voor de literatuur verdiende. Wat herinner ik mij nog van de boeken van Nooteboom over laten we zeggen zesenveertig jaar, aangenomen dat ik er dan nog ben?
Het is maar goed niet alles te onthouden. Om in die andere beeldspraak te blijven, dan zou je kommetje maar overstromen. Alleen leeg kunnen er weer nieuwe dingen bij. Maar waarvan men hield blijft altijd stil herinnerd. Daar zijn geen prijzen voor.
Bij de avontuurlijke reis door 4000 jaar Westerse geschiedenis die ik afgelopen week maakte met Josephine Quinn als reisleidster dacht ik vaak: ‘hé, daar ben ik al eens geweest!’ En dan was ’t ook zo. Ik voelde weer de ochtendkoelte langs mijn gezicht strijken toen wij in Knossos waren, heel vroeg was dat omdat heel vroeg zo rustig is, de hitte van Agrigento waar we schaduw moesten zoeken achter de zuilen die daar nog steeds staan, de versere herinnering aan Pompeï waar we het afgelopen najaar nog de hele dag rondsjouwden, die ogenschijnlijke zachtheid van het plaveisel, dat toch keihard is als je vallen moet. Een boek als dit is de geest op vakantie.
Wat hebben wij toch uitzonderlijk veel geluk gehad dat wij daar allemaal geweest zijn, zei ik mijn vrouw. ‘Krijg iknou nog een echte recensie?’ Ze vind het nogal gemakzuchtig dat ik me er met een gedichtje van af dacht lijken te maken. ‘Je schrijft er nog net onder van wie je ’t hebt gejat. Maar jatten blijft het.’ Misschien ook verwachtte ze van mij een gedegener bespreking van ’t boek waarin ik nu al een week in ronddwaalde, compleet met verwijzingen naar al die andere lijvige werken over de geschiedenis en de beschaving die zich op mijn schrijftafel hadden opgestapeld. Torens werden het. En dat waren ook geen goedkope boeken. ‘Heb je niks lolligs te zeggen over die ouwe Grieken waar je anders altijd de mond zo vol van hebt? Pfff, de wieg van de beschaving . . . Een beschaafd bed zul je bedoelen want ik besterf het iedere ochtend van de rugpijn.’
Ik bedacht dat ik het wel had willen hebben over dat verhaal over Gandhi dat mij bij het lezen telkens te binnen was geschoten, op het hinderlijke af want Quinn heeft het helemaal niet over Gandhi of Britania rules the waves. ‘That would be a good idea,’ zou die geantwoord hebben toen hem in de voorbereidingsfase van de Indiase staat gevraagd werd wat hij van de Britse Beschaving vond. Maar toen ik het nazocht bleek het een gefantaseerd verhaal. En ze hebben daar trouwens nou wel iets anders aan hun hoofd. In India ook overigens. En al die andere staten, die van Amerika, en Rusland, en China, en Israël. Waar niet?
Ik praat geen wijsgeren na, zei ik toen maar, die leest iedereen maar lekker zelf. Of niet. En Quinn beweert niks wat anderen niet ook al hebben opgemerkt. Jij en ik hebben gewoon ontzettend mazzel gehad dat ons wiegje hier toevallig stond, in Wolvega en in Wieringerwerf. Bofkonten, dat zijn we, en op Wolvega en Wieringerwerf ga ik mij nóch beroemen, nóch over beklagen of verontschuldigen.
Beschaving moet ieder kind opnieuw uitvinden: hoe ga je met elkaar om? Meer is het eigenlijk niet. En dat dan iedere ochtend. Vandaar dat gedichtje, dat was er al en het is veel beter dan ik het kon zeggen. Leg me nou maar eens uit wie er niet jat.
‘Iedere ochtend?’ vroeg mijn vrouw toen. ‘Dus we gaan vandaag achter een nieuw bed aan?’
[Recensie: Josephine Quinn: Het westen – Een 4000-jarige geschiedenis. Uit het Engels vertaald door Brenda Mudde en Maarten van der Werf. Thomas Rap; 624 pagina’s; € 44,99]
Ready Made, twee kleuters
Jij was de goeie en ik was de slechte. Ik wil liever de slechte zijn. Nee, ik ben de slechte. Jij bent de goeie. Waarom moet ik altijd de goeie zijn?
Waarom wil jij niet de goeie zijn? Twee goeien is niet spannend. Mag ik dan straks de slechte zijn? Straks. Maar nu ben jij de goeie.