Monumenten en musea


Gevelsteen aan het Spinozahuis in Rijnsburg

Ik lees nu al dagen in de brieven die Jac. P. Thijsse in z’n lange leven heeft geschreven. De mensen aan wie hij schreef moeten nu in voetnoten aan ons worden voorgesteld. Dat zijn heel veel mensen. Veel mensen die ‘iets betekend hebben’. Ik lees langzaam, iedere dag een paar brieven. Maar dat is dan toch nog weer aanzienlijk sneller dan het tempo waarin de afgelopen eeuw de gedachte groeide dat natuurbescherming noodzaak is en geen linksige luxe. Thijsse is inmiddels zelf een monument maar wie kent Piet van Tienhoven nog? Thijsse schrijft hem omdat die van begin af aan betrokken was bij Natuurmonumenten. Hem vertrouwde hij alles toe. Piet was een vriend.

In één van die brieven verzucht Thijsse: “Ach,  waren alle Menschen wijs.” Piet moest het verder zelf maar aanvullen. Die zal dat gekund hebben. Ieder vogeltje zingt zoals . . . Kennelijk veronderstelde Thijsse ook dat Piet het levensinzicht deelde dat onder deze zinsspreuk schuilt.

Maar zonder een voetnoot was ik niet op de gedachte gekomen eens in het dichtwerk van Dirk Camphuysen te zoeken naar die sententie. Terwijl Camphuysen in zijn tijd toch net zo beroemd was als Jacob Cats. Al wil mij van diens rijmpjes momenteel trouwens ook even geen enkele te binnen schieten. Nog geen beginregel. Wel bracht mij dit op de gedachte dat het met de wijsheid net zo gesteld is als met de natuur zelf: als je iets niet gekend hebt, kun je het ook niet missen. Ook dat is een typisch geval van het Shifting Baseline Syndrome. Schrijf ik nou ‘typisch’? ‘Tragisch’, bedoel ik. Ach waren alle mensen wijs . . .

Intussen begon mij dat gedichtje van Camphuysen danig te interesseren. Hoe zou Thijsse dat hebben gekend? Kende hij het helemaal? En deelde hijzelf echt het inzicht dat eruit spreekt? Aan de eerste regel kon hij zich bij niemand een buil vallen en Thijsse wilde niemand uitsluiten bij zijn kolossale missie de natuur voor iedereen te behouden. Maar het vervolg roept dan toch ongetwijfeld verontwaardigd protest op bij zwartkousige gelovigen. Camphuysen was namelijk een gekend remonstrant, vandaar ook die Stichtelijcke Rymen waarvan dit er dus eentje is. Thijsse moet dat van die godsdiensttwisten in de 17e eeuw als onderwijzer allemaal geweten hebben. Partij kiezen lag niet in zijn aard. Behalve voor de natuur dan, maar dat dan ook hartstochtelijk.

Het zou ook zomaar kunnen zijn dat Thijsse de spreuk kende omdat – ie die had gelezen op het Spinozahuis in Rijnsburg. Veel mensen zouden kunnen denken dat dat een uitspraak van Spinoza zelf is, wat velen ook daadwerkelijk doen en wat helemaal niet zo gek is. Wie de natuur en God voor hetzelfde houdt ziet uit zichzelf wel hoe wij het op deze droevige planeet steeds maar weer verkloten. En kijken kon Thijsse.

’t Komt dus dicht in de buurt. Maar de steen werd pas aangebracht toen Spinoza al weer verhuisd was. Die kan ‘m nog wel gezien hebben, en de inhoud misschien ook wel onderschreven. Dat huisje waar Spinoza met zijn beroemde Ethica begon, is al sinds 1899 een museum en Thijsse zwierf graag rond in het er vlakbij gelegen Meijendel. Hij zal ervan geweten hebben. Maar of hij zich ook in de Ethica heeft verdiept?

Je kunt zomaar een mooie spreuk tegenkomen en denken ‘goh, da’s mooi verwoord’. En menen dat iedereen dat ook wel vindt. Dat je dat niet hoeft uit te leggen. Pfff. De evidentie . . .

Maar dat is dan niet zo.

Het is goed dat er monumenten zijn. En musea.

Spinozahuis in Rijnsburg. Spinoza (1632-1677) woonde en werkte hier van de zomer van 1661 tot de lente van 1663. De gevelsteen (in het midden) werd in 1667 aangebracht. ’t Museum werd vorige week weer heropend.

Plaats een reactie