Wolf (2)

,

Foto: Manja van der Heijden / Zoom.nl

Moeder

Ze beweegt haar hand naar haar 

hoofd maar lijkt ergens halverwege 

te vergeten wat ze doen zou 

aan dat dunner wordend haar.

Kon ze zo maar bij haar eigen hersens

waar haar geest huist in een

dunner wordend web:

dat te strelen en te helen

_____

Opm.

Het zal wel toeval zijn maar die Jämthund kwam gisteren niet zomaar voorbij sjokken. Zo’n soort hond figureert in de roman De kraanvogels vliegen naar het zuiden (2024) van Lisa Ridzén. Sixten heet-ie daar. Geen idee waarom je je hond zestien zou noemen, probeer maar eens in het hoofd van een ander te kijken.

Omdat het boek haar erg had geraakt vond mijn vrouw dat ik het ook maar moest lezen. Van de onnoemelijk veel redenen waarom ze dat wilde kon ik wel een paar raden. Wij worden oud. Onze broers en zussen zijn nog veel ouder. Wel een generatie ouder, grappen wij soms wrang. Maar vergeleken met hen zijn wij maar jonge honden.

Terwijl ik mij verdiepte in het verhaal van de laatste zomer van Bo en zijn hond Sixten, en zijn vader, zijn moeder, en zijn zoon, en zijn vrouw die in een verzorgingstehuis is opgenomen, en zijn kleindochter, en zijn vriend Ture die net even eerder dood gaat, dwaalden mijn gedachten wijd en zijd.

Ik dacht aan mijn moeders laatste zomer, nu al twaalf jaar geleden. Aan haar verzet tegen alles waarom ze niet had gevraagd. Aan de aantekeningen die we achterlieten als we bij haar waren geweest. Dan wisten de anderen van hoe en van wat. Die boekjes bewaar ik nog. Het gedicht hierboven vond ik daarin  terug.

Aan Het geslacht Björndal, dat bij ons thuis in de kast stond en dat mijn moeder als jonge vrouw gelezen moet hebben, en ik toen ik zestien was. Wij hebben het daar nooit over kunnen hebben. Het geslotene. De zwijgzaamheid. ‘Ik heb nooit leren praten over gevoelens,’ zei mijn moeder als ik haar in het laatst van haar leven eens naar iets vroeg. Spijt.

Aan Hersenschimmen, dat ik veel later las, allicht, want dat boek kwam uit in de jaren ’80. Toen ergens overleed mijn vader. De versplintering aan het einde van dat boek, die defragmentatie van wat een volledig leven was, en een zinvol verband. “Wil die pislucht daar inrukken?” De onomkeerbare aftakeling, de machteloosheid, de opstand. Maar mijn vader was niet dement, hij overleed ‘gewoon’,  volkomen onverwacht, met mijn moeder op reis in Duitsland.

En toen kwam opeens die hond voorbij, op het paadje langs het park. Bij iedere hond die voorbij komt denk ik wel even aan Levin, de retriever die mijn vriend was, ooit. De warmte van zijn natte snoet. Zijn ogen. In verband met Bo had ik al opgezocht wat voor hond Sixten was. Een Jämthund dus. Die zie je vaker in Zweden. Hoe zou Sixtens snoet voelen? En diep van binnen brak iets los.

‘Dus jij wilt weer naar Scandinavië,’ merkte mijn vrouw op toen zij mijn overdenking van gisteren had gelezen. Over het boek moesten we toen nog hebben. Dat kon maar beter geen kwalitatieve vergelijking van die drie boeken zijn.

Voor wat er losgebroken was zijn geen woorden te vinden. Ook niet in Scandinavië. Ook niet als ik Zweeds zou leren.

Plaats een reactie