
ZWAAN
Zijn zolen slepen door het kroos.
In natte stilte onder water
gaat het op dieper stilte in.
Chr. Van Geel, Dierenalfabet (1978)
_____
Opm.
Het beeld is helder – de foto is niet meer dan een mogelijke verbeelding van dit gedichtje. Er zijn ook andere foto’s te vinden, met andere zwanen. Daarop is dan misschien die achterpoot duidelijker zichtbaar waarmee het gedicht meteen alle aandacht trekt. De soevereine gratie en rust van een zwaan die door het water gaat. Hoe doet – ie dat? Met die poot.
Misschien geeft het woordje zolen al meteen aanleiding tot zelfidentificatie. Wat nou, een zwaan met schoenen aan? Laarzen misschien, ’t is tenslotte een natte boel. Nee, beslist, wij zelf glijden daar. Niet te verstoren in onze spirituele bezigheden. Kijk maar naar de laatste regel: dieper stilte. En daar dan op in gaan. Mooi hoor.
O ja? En wat is het dan in de laatste regel? De zelfgenoegzaam in meditatie verzonkene weet hier wel raad mee. ‘Dat is het ego natuurlijk! Dat moet ten onder gaan!’ O ja? Maar er komt geen ego in het gedicht voor. ‘‘Het’ staat voor het onuitsprekelijke, de onzegbare grond van ons bestaan! Denk ook maar aan De Waterlelie van Van Eeden!’
Ja ja.
Taalkundig kan het onzijdige het in de laatste regel alleen terugslaan op kroos uit de eerste regel. Dat onaanzienlijke plantje, dat drijvende worteltje met wat drijvende blaadjes. Het is zo ongeveer het kleinste bloeiende plantje. Zéér eiwitrijk ook, waarom zouden watervogels er anders van eten?
‘Maar dat kan zo’n hooggestemd dichter als Van Geel toch niet bedoelen?’
Geen idee wat Van Geel bedoelde. Hij is dood. En het is maar taal hè? Pas jij maar op met je hoog gestemdheid. Straks wil je nog de vijver kroosvrij maken.
Plaats een reactie