
Feestelijk gekraagd
– nog een blik in de spiegel –
naar het futenbal!

Feestelijk gekraagd
– nog een blik in de spiegel –
naar het futenbal!

Grutto’s op het landje van Geijsel | foto Sijmen Hendriks
Groots weerklinkt de lucht
nu er weer grutto’s roepen
boven de velden

Gewone vink; foto René de Waal
Het was afgelopen woensdag al zo alomlenteachtig lenteweer dat het me niet eens opviel dat het wel de allereerste keer dit jaar was dat ik de vinkenslag weer hoorde. Gek, op de komst van andere vogels kan ik mij eindeloos hunkerend verheugen. We zágen ze ook, duikelend van de ene bomenrij in het laantje naar de andere. Ze volgden elkaar, en ons. Op een of andere manier sprak dat allemaal vanzelf. Nu is alles in de natuur ook wel vanzelfsprekend – tot je erover na gaat denken.
Alle omstandigheden moeten in orde zijn: licht, temperatuur, beschikbaarheid van voedsel. Kleine veranderingen doen ertoe. Maar een grote verandering zoals die van afgelopen woensdag – en opeens was het geen grijze winter meer maar een uit z’n voegen barstende lente – is kennelijk té groot, er gebeurt te veel om allemaal te registreren. Alles stond open als bij liefde op het eerste gezicht. Een ongekend weldadig en intens thuiskomen. Alleen diepe meditatie vermag dat ook op te roepen.
We hoorden woensdag alleen de vinkjes, en dan ook alleen omdat ik mij er nu bewust over verwonder, maar misschien roerden zich al veel meer vogels. Dan heb ik die niet gehoord, niet kúnnen horen. Mijn gehoor ‘slijt’. Van alle natuurlijke dingen vind ik dat een van de moeilijkste dingen om te aanvaarden. En ik ben er nog niet aan toe me met spijtige gelatenheid dan maar te werpen op de zeevogels, die zich zoveel kenbaarder maken dan kbv-tjes. (‘Een wat?!‘ wil mijn vrouw weten als ik op haar vragen welke vogel daar voorbijvloog ‘een kbv-tje’ suggereer, een klein bruin vogeltje. Dat worden er steeds meer. Ook komen er gbv’s bij, al kan ik van de grote de kleur vaak nog goed onderscheiden.)
Het ging vanmorgen eigenlijk nog anders. Gisteravond las ik in een interview met Koos van Zomeren in De Groene Amsterdammer dat hij nog steeds nadenkt hoe hij het geluid van een vogel in taal kan vangen. Dat kan natuurlijk niet, maar toch. Bij de zilvermeeuw kwam hij uit op ‘smalende keelklanken’ en dat vond hij uiteindelijk toch goed gevonden. Soit. Van Zomeren heeft mooiere omschrijvingen bedacht, bijvoorbeeld die over het foerageergedrag van de kanoeten: ‘ze naaiden modder aan het wad.’
Maar over de mooi- of lelijkheid van de vergelijking gaat het me niet. Over goed en kwaad gaat het in de natuur evenmin, en nee, de natuur is geen spiegel. Misschien is dat ook wel het bevrijdende van in de natuur rond banjeren. Je kunt er thuis komen.
Ik ging slapen met de gedachte dat Van Zomeren zich nu hij eerdaags tachtig wordt ook is gaan toeleggen op de zeevogels. Het is dan gewoon moeilijker om de staartmezen of de goudhaantjes nog te horen. Over de hinderlijk toenemende beperkingen met het vorderen der jaren heeft hij uitvoerig verteld in We gaan zo (Privé-domein nr. 335, 2025). Dat aanvaarden is trouwens ook een vorm van thuiskomen.
Vanmorgen zag ik dat interview weer geopend terug op mijn schrijftafel. En nu bedenk ik dus dat we woensdag die vinkjes ook gehóórd moeten hebben. Ik weet het zeker. Ik hoor ze eigenlijk nu pas, met mijn innerlijk gehoor.

52° 06′ 03.42″ N, 5° 38′ 46.38″ O
Wij wandelden gisteren bij Ede. Ede ligt net wél of net níet in de Gelderse Vallei. Wij waren bij De Ginkel aan de noordoostkant, dus dat was aan de droge, aan de net-niet-kant. In elk geval, ten noorden van Ede is evenveel Nederland als ten zuiden ervan. En ten oosten ligt niet meer dan ten westen.
Er is daar een militair oefenterrein maar we zagen geen soldaten, geen Jongens en geen Meisjes die ons land zullen verdedigen als de Vijand komt. We dachten wel af en toe geschiet te horen, ver weg. De autoweg was nogal lawaaiig, die overstemde ook ruimschoots de vinkjes. Zelfs op ons balkon in Amsterdam-Noord is het stiller. Er waren veel wandelaars, wat niet gek was gezien het lenteweer. Zij hadden elkaar veel te zeggen. Ook kwamen wij veel paarden tegen.
Ede is een keurige plaats met keurige mensen, van wier gewoonten ik slechts deze wil noemen: Edenaren houden van kippen. Dat moet wel, want in de hele gemeente wonen net zoveel mensen als in Amsterdam-Noord (ongeveer 125.000) terwijl er meer dan drie-en-een-half miljoen kippen wonen. Met een evenredige verdeling zouden wij dan 28 kippen op het balkon moeten houden. Al onze buren zouden ook 28 kippen houden dus bij klachten was het meteen gelijkspel.
Nu doe ik voorkomen alsof dit een eenvoudige rekensom is maar dat is niet zo. Eergisteren bijvoorbeeld werden er bij een leghennenbedrijf tussen Ede en Veenendaal nog 23.000 kippen vergast omdat er Vogelgriep was geconstateerd. Hoe de stand vandaag is weet ik niet. En verder, in Amsterdam-Noord staat af en toe ook wel eens een woning leeg. Niet vaak, toegegeven, en ook niet lang, maar toch. Die getallen ga ik niet iedere dag wijzigen. Ik ben de voormalige minister van Landbouw niet. Die zou allang onnavolgbaar gejongleerd hebben met scheikundeboekachtige formules.
Er is trouwens een nieuwe minister. Die oogt pienter. Hij komt uit Twente, bijna Duitsland dus al. ‘Kiek’n wattet wordt’ zeggen ze daar als iemand met iets geheel nieuws begint en ze de poging niet op voorhand als kansloos willen afschieten. Wie hem kent, roemt ‘m om het hardst om zijn pienterheid, het zal dus wel niet alleen zijn brilletje zijn. Het nieuwe kabinet verwacht veel van ‘m, anders hadden ze hem niet het rottigste dossier gegeven.
Terwijl ik gisteren zo aan de kippendichtheidsratio liep te hoofdrekenen en de zaken alleen verder compliceerde door te denken aan de geitendichtheid, die in deze streek nog ongelimiteerd mag groeien (hoeveel geiten gaan er op het balkon?) gunde ik de kakelverse minister méér dan de pienterheid die hem op voorhand wordt toegeschreven. Véél meer. Naast de gigantische aantallen kippen en geiten gaat het tenslotte ook nog om runderen en varkens. Dat zijn er ook niet weinig hoor! Die zullen de minister nog meer hoofdbrekens geven. Op het balkon kunnen wij ze niet hebben.
Wij wisten wel dat Ede in het Hart van Nederland lag. We hoopten op een markering, een mooie steen of zo waar je dan omheen kon lopen en je dan pas op en top Nederlander voelen. Nu weet ik dat we dan bij Lunteren hadden moeten gaan wandelen. Maar daar heerst Vogelgriep.

Turdus merula | foto Jan Slaats
Nog even lustig
verkondigt de merel het
eeuwige leven
_____
Opm.
Eindelijk, eindelijk is de merel gaan zingen. Niet als een beloning voor het lange wachten dit jaar maar ‘gewoon’, omdat merels dat nu eenmaal doen als de temperatuur oploopt en het langer licht is. Maar er is niks gewoon.
Op https://waarneming.nl/species/150/observations/?page=1 kun je mooi zien hoe er vooral in de avondschemering een sluier van geluid over het hele land trekt. ’s Ochtends wordt er ook wel gezongen maar dan vindt-ie het kennelijk nog te koud.

Monachivka | Foto Serhii Bolinov
V e r w o e s t e s t a d
Geen steen meer op een ander
en uit alle gaten walmt een gore rook
van verbrand hout en van huisraad
speelgoed, lijken van het laatste uur –
heel de stad werd graf
nadat zij belegerd werd als een in te nemen slot
dat eerst ingesloten wordt, afgesloten
van wat leven geeft, water, brood
wapens als een laatste hoop
nadat de bommen vielen, dag na dag
granaten het hart belaagden
honger dorst de mens wegvrat
nadat de laatste strijder de vlag streek
en zijn beide handen ten hemel hief
nadat er niets menselijks meer over was
nadat
de stenen weer op elkaar gelegd
de huizen weer beglaasd, straten nieuw benoemd
en mensen die betrekken in een ander licht
en stemmen kennismaken over heggen
die tuinen omgeven met bomen beplant
waarachter kinderen zich verstoppen
de bakker weer brood bakt voor de buurt
en appels aan elkaar gegeven kaas en wijn
en vliegers uitgepakt en opgelaten
in een wolkenloze lucht
Zal de pijn het bloed vergeten kunnen zijn
zullen mensen weer argeloos hun hart
laten ontdekken door een ander hart
zal er weer eenvoud kunnen zijn
en weer schuldeloos bemind?

Boetsja, iets ten noordoosten van Kyiv, nadat Russische troepen er hadden huisgehouden | Foto Felipe Dana / AP
B e l e g e r d e s t a d
De mensen eten sneeuw
en warmen zich door flessen te vullen
met de brandstof die hen nog rest
om de vijand te begroeten
die hun stad belaagt
terwijl aan het front nog haastig een huwelijk wordt
gesloten – hij proeft nog hun eerste huiverende kus
en zij ziet nog de hemel in zijn ogen
voor zij zich aan elkaar overgaven
terwijl de trillende soldaat aan zijn moeder
denkt, aan de gevulde broodtrommel,
die zij hem gaf toen hij vertrok, de te dunne sokken
terwijl de eindeloze stoet ontheemden
alleen nog zorg heeft voor het vege lijf
terwijl het kind ontredderd ouders zoekt
terwijl
de leiders dromen van een land dat hooguit in hun hoofd bestaat
de ratten knagen achter de vochtige wanden van gedachten
er geen draaiboek blijkt voor de wanhopige dienaar van het volk
de barbarij zich monotoon herhaalt:
van Antwerpen, ooit, London, Berlijn, Dresden
Moskou, Stalingrad, Grozny, Aleppo; van Kyiv?
de grimmige oorlog in hun hoofden woedt
en in die van allen die hun vaandels volgen
en die in die strijd aan kogels, aan vuur
als held, als voer ten onder gaan
Zullen er ooit weer, toch weer opnieuw
nadat de knallen van het slachtveld weggestorven zijn
lichamen geborgen, kruisen opgericht
uit de kraters, op de weiden onder de leeuweriken
zullen er ooit weer klaprozen bloeien?