Insula Dei


De koekoek staat op de Rode Lijst, categorie kwetsbaar. Sinds de jaren ’60 en vooral na 1990 zijn de aantallen gekelderd. Ik laat het nu maar aan deskundigen om uit te zoeken waarom er steeds minder koekoeken zijn. Zo er al een oorzaak is, want een reden kan het niet zijn. Geen levend wezen sterft vrijwillig uit. Of is er tussen hier en Congo opeens ergens een volk opgedoken dat koekoeken is gaan eten?

Vijf dagen ben ik nu al met die wonderlijke vogel bezig en ik keer weer terug naar het begin. We hoorden vrijdag onze eerste koekoek van dit jaar in het Diemerpark en ogenblikkelijk viel mij Nescio in de geest: “Als mijn fiets weer snort hoor ik opeens een koekoek. En rondom, voor en achter me en opzij, hoor ik den onbegrijpelijken roep. Van waar? Dertien maal roept deze stem Gods van voorbij de grenzen van het begrip.”  (Nescio, Insula Dei, vierde hoofdstuk).

Als ik mij over Nescio wèl gerechtigd voel iets op te merken  – daar heb ik tenslotte mijn hele leven voor doorgeleerd – moet ik er meteen bij zeggen dat dat onder zijn vlag van ‘ik weet niet’  is. Over de God in het citaat heb ik het dus niet, dan is dat maar duidelijk.

Nescio (J.H.F. Grönloh) schreef Insula Dei in februari 1942 en het verhaal van Dikschei die een vriend van lang geleden ontmoet speelt ook in februari 1942. Dichter op de vrieskou van de grimmige oorlogsjaren kon het niet zijn. Maar het stukje over de koekoek is een herinnering, in dat verhaal. Die releveert een fietstochtje van ‘Woensdag 9 Juli, 1941, half tien, Duitsche zomertijd’. Allicht hoor je in februari geen koekoeken, tenzij je in Congo woont. Dikschei denkt eraan terug omdat – ie de houdbaarheid aftast van de grenzen van het eiland Gods dat zijn vriend Flip heeft bedacht om te ontkomen aan de onbegrijpelijkheid van het bestaan. ‘Insula Dei’. ‘Een toevlucht voor oue mannen?’

Dat van die ‘stem Gods’ zullen we maar niet letterlijk nemen. Eerder, en elders, namelijk in Dichtertje, ook al gesitueerd in een oorlog (“In ’t derde oorlogsjaar | Bellum transit, amor manet”, 1917 dus) schreef Nescio al “De taal is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.” Dat is gewoon een manier om dingen te zeggen die niet te zeggen vallen.

Het gaat me nu even om het slot, ‘een hoofdstuk van Insula Dei, dat verhaalt hoe Dikschei vrijde met Helena den Oever, ’t nichtje van Flip’. Maar dat is heelemaal niet geschikt voor publicatie. Nescio besluit met: “Ik zal dus maar eens wachten tot uit onze beschaving zich eindelijk weer een edele onbevangenheid zal hebben ontwikkeld. Zoodat u denkt, dat ik mij verbeeld het eeuwige leven te hebben.”

Dit gaat over die ‘teedere en wilde menselijke bewogenheid, die ons allen drijft’, over levenskracht waarvan niemand weet waar die vandaan komt, zó onverwoestbaar, zó kwetsbaar, over de natuur die onbegrijpelijk is en waar wij zonneklaar deel van uitmaken, over de evidentie van het bestaan.

’t Gaat mis als mensen het leed dat wij elkaar aandoen als exclusief en onvergelijkelijk beschouwen. Dat was gisteravond bij de Nationale dodenherdenking op de Dam weer even pijnlijk zichtbaar. De bekladding van ’t monument was even stompzinnig als de haastige veroordeling daarvan.

’t Gaat mis als we denken dat alleen de vijand tot wreedheid in staat is. Lees vandaag maar in de krant welk gruwelijk lot na de oorlog ‘heulers en collaborateurs’ beschoren was.

Soms is het leven een paradijs. Al hebben we daar niet meer dan een vage notie van, en daarvan weten we niet eens of het herinnering is of een verlangen. Insula Dei, eerste hoofdstuk: Soms roept plotseling een lang vergeten vogel: “de Koekkoek roept, van heel ver, en van heel ver antwoordt een andere, het klinkt van zoo ver, gedachten kunnen nauwelijks van verder komen.”

Plaats een reactie