Om te geraken waar wij dit weekend doorbrengen reden wij over de Sallandse Heuvelrug. Daar wist ik korhoenders strijden voor hun voortbestaan, althans in onze streken. Ze zijn er wel, in Zweden en Finland, maar hier te lande dreigen ze uit te sterven. Daarom worden ze nu in tientallen uit Scandinavië geïmporteerd, al een aantal jaren achtereen. Dat is een heilloze onderneming, niet eens vanwege de kosten maar omdat je dan het hele Salland terug moet brengen naar een staat die het al lang niet meer heeft.
Vanmorgen pas las ik het bericht in de krant dat vogelpark Avifauna grutto-eieren in een broedmachine laat uitkomen. Voor de wetenschap, zegt men. We weten te weinig van onze ‘nationale vogel’. Dat geloof ik meteen. Maar dat de schrikbarende terugval van het aantal grutto’s te maken heeft met de manier waarop wij dit land hebben ingericht, kan toch niemand ontgaan zijn.
Ik ga niks bewijzen, daar zijn wetenschappers voor. Anekdotisch bewijs is geen bewijs, maar toch. Toen wij gisteravond neerstreken op ons tijdelijk adres was een boer bezig zijn weiland met vloeibare mest te injecteren. De trekker zou een vervaarlijke indruk maken tijdens een speciale militaire operatie. Oogcontact met de bestuurder was niet mogelijk: hij zat veel te hoog. En denderde veel te snel. We konden hem niet vragen hoe hij over de avifauna van zijn agrarische productieperceel oordeelde.
Vanmorgen scheen de zon! Ik maakte de foto hierboven. Er viel geen vogel te ontwaren. Pastorale rust. Dodelijke stilte.
En nu waren we van zins de rest van de Achterhoek nog op de fiets verkennen.
Natural historian David Attenborough scans the ocean tide. National Geographic/Silverback. Photo by Conor McDonnell
Van mij mag iedereen koning zijn. Of koningin. Vooropgesteld dat je je dan ook koninklijk gedraagt, ’t is te zeggen: edel van gevoelens, edelmoedig in gedrag. ’t Is ook te zeggen: dat je goed voor alles en iedereen zorgt. En het koninkrijk moet er natuurlijk fatsoenlijk uitzien. Als het goed is, geeft een indruk van een land je meteen een idee van de koning die alles bestiert. Een koning die alleen denkt aan de parels op zijn eigen kroon is dat hoofddeksel niet waard, die stoot je subiet van de troon.
Toen ik kind was bestonden zulke koningen alleen in sprookjes. Nu ik tot wasdom ben gekomen – nee, ik zeg niet volwassen, alleen maar ouder, die zaken moet men goed uit elkaar weten te houden – vrees ik dat ik er toen niet ver af zat. Niet heel ver tenminste.
Ik moet het over Karel de Derde hebben, de koning der Britten. Ik houd Karel voor een verstandig mens. Onlangs nog attendeerde hij er een gelieerd staatshoofd – nee, ik zeg niet bevriend, vrienden en zakenrelaties kun je maar beter goed uit elkaar houden – nog op dat diens zelf opgezette kroon nogal potsierlijk stond. Dat deed hij hoffelijk kun je wel zeggen. En ook nog met koninklijke grapjes. Ja, de allure van Karel was ronduit koninklijk. Dat moet ook gezegd.
Karel is al oud maar beslist bij de tijd. Nóg ouder is zijn vriend. Die werd vorige week honderd. Stel je voor, een ééuw geleefd! Wat heeft die wel niet van de wereld en het leven daarop gezien?! Tijd voor een feestje, een gróót feest, want honderd worden niet niks en het ging om een grote vriend. Jammer dat hij er zelf niet bij kon zijn!
Karel dacht na. Een felicitatiekaart dan maar? Hij in zijn kasteel aan het schrijven, met zijn koninklijke vulpen. Gefeliciteerd! En dat je nog maar lang . . . Klaar. Hup, op de bus. Nou ja, die moest de lakei maar naar de brievenbus brengen. Maar daar en toen ging het mis.
Zijn handgeschreven felicitatiekaart strandde bij een boom die dwars over de koninklijke oprijlaan in het verre Schotland was komen te vallen. Daar kon de Landrover van zijn lakei niet over heen. Gelukkig was de hond van Karels vrouw mee. Dat is een zeer slimme hond, een bordercollie. Die aarzelde geen moment en nam met een elegante sprong de hindernis, overgenomen brief in de bek. Hond aan het rennen, dwars door het ganse koninkrijk. Dat lag er zeer fraai bij.
Maar ja, waar bergen zich verheffen houden zich ook dalen op. Een duizelingwekkende klif bleek een hindernis te veel voor de hond. Een arend zag dit evenwel, en toen, en toen . . .
Ik kan dit hele sprookje nu wel navertellen maar iedereen kan ook gewoon het filmpje bekijken dat koning Karel van de postbestelling had laten maken en dat hij bij het eeuwfeest aan de illustere genodigden van het eeuwfeest in de Royal Albert Hall liet vertonen ter compensatie van zijn eigen afwezigheid. Er kwamen aan te pas: voornoemde hond, een arend, een egel, een eekhoorn, een wezel, een das, ganzen, een otter, een zwaan, een eend, een vos, een hert en een uil. Voor wie het niet geloven wil, die oordele zelf: https://www.youtube.com/watch?v=r9mmSgMh6ws
Over de kwaliteit van het filmpje zal niemand mij horen. Ook niet over al die films die de honderdjarige vriend zelf in zijn lange leven over de natuur in The British Empire, ja, op onze hele planeet heeft gemaakt. Een samenvatting van al dat werk maakte die zelf al en die kun je gewoon op Netflix bekijken: David Attenborough: A Life on Our Planet (Een leven op onze planeet, 2020).
Wat mij ten aanzien van het koningschap van Karel dwarszit is hoe hij de BBC, óók een instituut, zo ver heeft kunnen krijgen een hele filmploeg het koninkrijk in te sturen om eens fraaie opnames te maken van een met voorbedachte rade in het honderd te lopen postbestelling. Wist hij dan tóch dat de posterijen in zijn koninkrijk suboptimaal werken? Maar dan had hij toch gewoon alsnog zelf de trein naar London kunnen nemen om zijn bijzondere vriendschap te eren? Nee, dit dunkt mij helemaal niet koninklijk.
Met de liefde van J. C. Bloem voor de natuur viel ’t nogal mee. Hij kon ook in de Dapperstraat wel gelukkig zijn. Geen kwaad woord over de Dapperstraat maar veel natuur vind je er niet. Over de innerlijke natuur van Bloem zal ik het maar niet hebben.
En dit overbekende kwatrijn dan?
Ik heb van ’t leven vrijwel niets verwacht, ’t Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen. Wat geeft het? – In de koude voorjaarsnacht Zingen de onsterfelijke nachtegalen.
(J. C. Bloem, Avond, 1950)
Zeker, het gezang van die nachtegalen kan balsem voor de ziel zijn in een leeg en bitter bestaan maar volgens mij moet je bij Bloem ’s troost in de nood vooral denken aan Bloem ’s gedichten. Aan Bloem dus. En niet aan die luidkeelse zanger. Onsterfelijk was Bloem evenwel niet.
’t Kan ook anders. Twintig jaar ná Bloem dichtte Kopland dit:
OUD BUITEN
Het was zo mooi vroeger.
Maar de freule met de lekkere
kont is verdwenen met de tuinman
in de weiden, naar de geheimen van
bloemen en bijen op zoek zei ze.
De jachtopziener heeft de laatste
nachtegalen doodgeschoten voor
de schoorsteenmantel. Je lag
er maar wakker van zei hij.
Nesten hangen open en bloot in
de bomen. Iedereen kan het zien.
En in de nacht strompelt een koe
als een oude dichter uit de sloot
en doet op de stoep, bijgelicht
door makker maan, haar klappende
boodschap van vrede.
(Rutger Kopland, Alles op de fiets, 1970)
Hier wordt een illusie naar de schoorsteenmantel geschoten, en nog wel meer – er hangt vast ook zo’n hertengewei boven de schouw – maar met de Luscinia megarhynchos heeft ook dit gedicht niet veel van doen. Terwijl Kopland toch beslist veel meer van de natuur wist dan Bloem. Hij woonde in de grazige weiden. Maar dat is een ander verhaal.
Welk gedicht is beter? Bij welk levensinzicht voel ik mij het beste thuis? Kom zeg, het is het Songfestival niet.
En intussen denk ik terug aan de nachtegaal die we vorige week in het Diemerpark hoorde zingen, precies op in dat struwelige hoekje, vlak bij de Nesciobrug waar ik hem verwachtte. En aan die keer dat we ergens bij Egmond langs de duinen fietsten en er om de vijfentwintig meter een nachtegaal zijn nachtegaalste best deed. De vrouwtjes lieten nog op zich wachten.
En ik denk na over de terloopse opmerking die ik onlangs in een boek over vogelgedrag las dat het een rare misvatting is dat alleen de mannetjes zingen. En dat als dat in onze streken al wel zo lijkt te zijn dat vermoedelijk een heel recente evolutionaire ontwikkeling is. Het is meer zo dat de vrouwtjes nietmeer zingen. Dat is een proces van eeuwen, van millennia. Of langer. En niemand weet goed uit te leggen waarom dit zo is.
In het park voor ons huis zitten geen nachtegalen. Wel hoor ik al bijna een uur lang een lijster boven het ochtendkoor uitkomen. Tjuwie, tjuwie, tjuwie!
Ik maak mijn vrouw er opmerkzaam op: hoor, die lijster! Maar ze heeft haar oortjes in. Het is niet zo dat vogelzang haar onberoerd laat maar ze wil mij gewoon niet storen in mijn matineuze overdenking. Lieve, lieve vrouw.
Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel. Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten. Een opening en niets daarbuiten, maar wijd open.
Ik hoef niet te wachten op een heldere nacht, noch mijn hoofd in de nek leggen om de hemel te aanschouwen. Hij is achter de rug, bij de hand en op de oogleden. De hemel omwindt me strak en tilt me van onderen op.
Zelfs de hoogste bergen
zijn niet dichter bij de hemel dan de diepste dalen. Op geen enkele plaats is meer hemel
dan op enige andere. De hemel drukt even absoluut op een wolk als op een graf. De mol kan zich even hemels voelen als de uil die zijn vleugels wiegt. Een ding dat uit de afgrond valt valt van hemel in hemel.
Korrelige en rotsachtige, vloeibare, vlammende en vluchtige lappen hemel, kruimels hemel, vlagen hemel, stapels. De hemel is alomtegenwoordig zelfs in het onderhuidse duister. Ik neem hemel op, scheid hemel af. Ik ben een val in een val, een bewoonde bewoner een omhelsde omhelzing, een vraag in antwoord op een vraag.
De scheiding in aarde en hemel is geen geschikte manier om aan dit geheel te denken. Ik kan er alleen mee overleven op een preciezer adres dat sneller is te vinden, mocht ik worden gezocht. Mijn bijzondere kenmerken zijn geestdrift en vertwijfeling.
(Wisława Szymborska, Einde en begin (1993) / Vert. Gerard Rasch
_____
Opm.
Wisława Szymborska (1923-2012) werd in 1996 verrast met de Nobelprijs voor de Literatuur. De zelfverklaarde letterheren en letterdames keken daar van op: ‘huisvrouwenpoëzie’, meenden ze. Vermoedelijk hadden die zich niet zo in de geschiedenis van Polen verdiept. Of waren ze ongevoelig voor de subtiele ironie, waarvoor je trouwens ook weet van die verdrietige geschiedenis moet hebben. Meer dan om wat gezegd wordt gaat het toch altijd om wat niet gezegd kan worden, het verzwegene?
Laat ik nou maar niet beginnen over de deskundigheid van de jury. Straks verzeil ik nog in gebakkelei over de literaire kwaliteiten van de versjes van Bob Dylan. Die kreeg die prijs ook en daar keek ik nogal van op. Over de uitslag van het Songfestival houd ik ook op voorhand ferm mijn mond.
Mijn moeder was van precies dezelfde generatie als Szymborska. Zij was huisvrouw en ook nog zakenvrouw. Zij heeft veel van de wereld gezien en wat niet al. Maar gedichten schreef zij niet. In Polen is zij nooit geweest.
Gisteravond werd bekend wie er een belangrijke literaire prijs in Nederland heeft gewonnen. In een vorig leven had ik mij daarover beroepshalve al lang een oordeel over gevormd, ten einde daar leerlingen van te verwittigen. Maar ik heb geen beroep meer, goddank.
’t Is winderig, er waaien wolken over. Zeilwolken. Statig trekken zij als een vloot naar ’t zuidoosten. Misschien regenen ze ergens uit. Misschien keren ze ook om, eens ze daar gearriveerd zijn.
Het was de zesde dag. Adam stond klaar. Hij zag de eiken met hun volle greep in het niets. Macht is een kwestie van vertakkingen. Hij had de bergen gezien, opbergruimtes van alleen maar zichzelf, hoge leegstaande kelders. En herten. Met poten zo dun als stethoscopen stonden ze te luisteren aan de borst van de aarde, en zodra ze iets hoorden, liepen ze weg, de uitvinding van het pizzicato met zich meenemend, verten in. Herten. En hij had de zee gezien, het laden en lossen van drukte, waar je rustig van werd. En de lege, hetzerige gebaren van de wind, van kom mee, kom mee, en niemand volgde. En diepte, afgronden waar je moeilijk van werd. En zwijgen, want dat deed het allemaal, en te groot zijn. En toen zei God: en nu jij. Nee, zei Adam.
Herman de Coninck, De hectaren van het geheugen, Proloog, 1985
_____
Opm.
Misschien moeten we er toch maar eens helemaal van af: het ontstaan van de wereld en alle levende wezen daarop verklaren met oude teksten die te mooi zijn om waar te zijn. Of te lelijk. Toch blijft het Bijbelboek Genesis ook voor mij een zonderlinge bekoring houden. ‘Fantastisch’, zeg dat wel.
Dat boek over het ontstaan of de wording van alles gewoon maar metaforisch opvatten helpt niet verder. ’Gewoon’? Dan staat er altijd wel weer een schriftgeleerde op die ’t ongewoon helemaal anders ziet. En wie het ook geschreven heeft – of hebben, wat veel waarschijnlijker is – Mozes was het niet. Vragen kan dus niet. En dan nog.
Die astronauten die onlangs nog een rondje in de ruimte hebben gevlogen, en de aarde hebben zien opkomen vanaf de achterkant van de maan, en weer veilig terugkeerden, hebben ’t onlangs nog maar weer eens gezegd: wat is die aarde klein in die ontzaggelijke ruimte. En kwetsbaar. En kostbaar.
Zo is het. Wie de ogen en oren open houdt wist dat ook al. Hier moeten we het mee doen. Er is geen andere aarde. En nou niet verkloten.
Zoals je soms een kamer ingaat, niet weet waarvoor, en dan terug moet langs het spoor van je bedoeling, zoals je zonder tasten snel iets uit de kast pakt en pas als je het hebt, weet wat het was, dat je soms een pakje ergens heen brengt en, bij het weggaan, steeds weer denkt, schrikt, dat je te licht bent, zoals je je, wachtend, minutenlang hevig verlieft in elk nieuw mens maar toch het meest wachtend bent, zoals je weet: ik ken het hier, maar niet waarom het ging en je een geur te binnen schiet bij wijze van herinnering, zoals je weet bij wie je op alert en bij wie niet, bij wie je kan gaan liggen, zo, denk ik, denken dieren, kennen dieren de weg.
Judith Herzberg, Zoals (1992)
__________________ Opm.
Denken dieren? We hebben geen flauw benul, Duiven kunnen rekenen, kraaien lossen ingewikkelde vraagstukken op. Apen hebben besef van tijd, hebben notie van rechtvaardigheid, kunnen rouwen, net als olifanten. Honden kennen schuldgevoelens. Walvissen zingen hun liederen in complexe structuren. Is dat denken? De vraag stellen komt voort uit verwondering. Antwoorden zijn meestal te haastig, en als het om de wetenschap gaat uiterst voorlopig. Je komt er niet met begrippen als instinct, natuur, bewustzijn, theory of mind: die verleggen het probleem alleen maar. Denken mensen? Dat zouden we wel willen. Maar als ik (bijvoorbeeld) ’s avonds in mijn bedje de dag overdenk, lukt het maar zelden mijzelf op ‘een gedachte’ te betrappen die ik het meedelen de moeite waard acht. Kronkels. Brij. Chaos. Watten. Wat? Ja, zo is het.
Kan een dier dit mensengedachtelijk gedicht begrijpen? Vermoedelijk niet zoals ik dit doe. En ik heb er al moeite mee, al weet ik perfect waar dit gedicht over gaat. Een dier zou, denk ik, op Herzberg afkomen. Behoedzaam snuffelend misschien, nog een beetje op de hoede. Maar dan bij haar gaan liggen: Herzberg kun je vertrouwen. Die denkt met haar hart.
[Alberto Giacometti (1901-1966), Hond (1951)]; Verdwaald, Eva Gerlach]
Verdwaald
Een hond liep in de tuin, die was daar niet
besteld. Hij zocht, zijn neus dicht bij de grond, een weg
die daar niet liep, groef soms vlug in de aarde,
vooral bij de heg, waar hij niet terug wou. Hee zei ik
ga je
hier weg. Hij keek niet eens op
van wat hij juist aan het doen was, heen en weer draven
tussen schuur en terras, schoppend met zijn voeten of
hij overal kleine
dieren af moest jagen. Ik deed het hek los en later
liep hij daar ook voorbij, het straatje uit,
schuddend met zijn zware hoofd, verstrooide
onophoudelijke rukjes alsof zo
de plaats van alles terecht zou komen in de bedoelde
omgekeerde volgorde, horizon open, hij
gewoon van geur naar geur naar huis zou lopen.
Eva Gerlach, Wat zoekraakt, 1994
___
Opm.
Het spannende bij de interpretatie van het gedicht van Gerlach begint bij het zevende woordje: slaat ‘die’ nu op ‘een hond’ of op ‘de tuin’?
In de eerste lezing ligt het perspectief bij de ‘ik’ die in de vierde regel de hond wil wegjagen: die hond hoort niet in die tuin, de ‘ik’ had die bij de inrichting van die tuin niet besteld. Wegwezen uit mijn hof! Het gedicht gaat dan vooral over de buitenkant die de ‘ik’ registreert. Zo doet een hond. Je ziet ‘m (of ‘r) voor je. Je identificeert je met de ‘ik’.
De tweede lezing kan ook: voor de hond is die tuin niet ‘besteld’: die was een onderbreking in een hondse zoektocht om langs het geurspoor weer de weg naar huis te vinden. En dan ook nog allerlei andere kleine dieren die de aandacht maar afleiden: wéér het spoor bijster! Het gedicht gaat dan vooral over binnenkant: hoe kom je thuis?
Natuurlijk is ‘thuiskomen’ dan ook metaforisch op te vatten en slaat die zoektocht op zowel hond als ‘ik’. Die metafoor verdiept de betekenismogelijkheden: wat is dan ‘een weg die daar niet liep’? Enzovoorts.
Ik zeg ‘ik’, en niet de dichter, of Gerlach. Ik moet mij tenslotte ook zelf kunnen identificeren.
Bij de sculptuur van Giacometti is iets soortgelijks aan de hand. Buitenkant of binnenkant?
Er was een man, ik zeg niet wie hij was, die hield van de natuur,
althans dat dacht hij, want hij had gehoord dat daar zoveel te vinden was,
de stilte, vrijheid, blijheid en jezelf en zo. Genoeg in elk geval om daar
eens heen te gaan. Hij ging en kwam behouden aan.
En toen hij zijn boterhammen op had?
Stilte. Wie stilte wil beschrijven moet zijn mond maar houden. Wie niets hoort luistert niet en heeft niets te vertellen.
Vrijheid. Het zou een heel leuke boel worden als de vrijheid eens een beetje doorzette, ja jezelf zijn, eindelijk zou niemand ons begrijpen. Maar wij begrijpen elkaar helaas uitstekend. Ook in de meest luxueuze bittertaal van dichters spreekt alles vanzelf.
Blijheid. De blijheid waar wij naar verlangen is er gelukkig niet. We zouden dodelijk getroffen worden door een herfstblad, tegen de aarde gesmakt door de wiekslag van een duif, verbrand door de zon. Wie niet sterk is moet bedroefd zijn.
Nee, toen hij zijn boterhammen op had hoorde hij de regen die zijn hele leven door gevallen was, rook hij het gras waar hij zijn hele leven koekhappend en zaklopend door heen gestrompeld was onder het gelach van grote mensen, hoorde de regen en de stem van moeder uil die in de olmen huilde en riep om hem.