
Jan van Gils, Kanoetenonderzoeker NIOZ en bijzonder hoogleraar Global Change Ecology of Migrant Shorebirds
Waar komt de naam ‘kanoet’ vandaan? Sommigen menen dat dat te maken heeft met de legendarische Knud II de Grote (ca. 995 – 1035). Die heerste op het hoogtepunt van zijn roem over Engeland, Denemarken en Noorwegen. Hij was de vleierij van zijn hovelingen dermate zat dat hij ze meenam naar de kust om hen te tonen dat zelfs zijn macht grenzen had. Hoe hard hij het ook probeerde, de golven weken niet terug op zijn bevel – hij raakte overspoeld. In een andere versie wordt Knud voorgesteld als een hoogmoedige Vikingvorst, die werkelijk dacht over de natuurelementen te kunnen heersen. Maar ook die moet rennen om de voeten droog te houden. Vogels weten dit allemaal al lang.
Het is de drieteenstrandloper die over het strand langs de vloedlijn rent, de kanoetstrandloper scharrelt op het slikkerige wad. Als het verhaal klopt – maar machthebbers verzinnen wel meer sterke verhalen en hun belagers ook, tot eer of tot oneer – dan zou het verhaal zich in The Wash hebben kunnen afspelen. Dat is een wadachtig estuarium ten zuiden van Hull; beide soorten komen er al sinds mensenheugenis voor.
Maakt dat uit? Voor Knud niet meer, die is al een tijdje dood. Het onderscheid tussen die ondersoorten kan de vogels zelf ook niet schelen maar toch is het van belang. De drieteen broedt vooral in Groenland en Canada, de kanoet in Tajmyr, Siberië. Beide soorten komen ook op Spitsbergen tot broeden en beide soorten overwinteren ergens aan Afrikaanse kusten. Ze komen allebei in Nederland voor, niet jaarrond en maar ten dele gelijkertijd: de drieteen hoofdzakelijk aan de kust, de kanoet op het Wad, alleen rond deze tijd en weer in september. Verwarrend allemaal? Die strandlopers kiezen er helemaal zelf voor. En dan heb ik de islandica nog buiten het verhaal gehouden.
Nou en? Het onderscheid is vooral voor mensen van belang, zal straks blijken. Als je het een en ander van de vogels weet, valt er aan voorkomen en gedrag veel informatie af te lezen. De hoeveelheid strandlopers zegt niet zo veel, hoeveel precies ten opzichte van vorige jaren al wat meer, maar om welke strandlopers het gaat het meest. Nu had men al een tijdje het idee dat de kanoeten steeds kleiner leken. Daarmee namen ook hun overlevingskansen af. Je moet scherpe ogen hebben om het verschil waar te kunnen nemen. En meten, eindeloos meten en wegen. Met een impressie kun je niks, onderzoekers van het NIOZ togen dus naar Tajmyr.
De hypothese was dat de relatief snelle opwarming van het klimaat in het Arctisch gebied wel eens de oorzaak zou kunnen zijn. Dat bleek ook zo. De bodem ontdooit er eerder en daardoor komen de insecten ook zo’n twee weken eerder uit de bodem. Maar insecten vormen het belangrijkste voedsel voor kanoetenkuikens. Tegen de tijd dat de kanoeten arriveerden was de insectenpiek al voorbij voor zij aan een nest begonnen. Die kuikens vonden dus veel te weinig te eten.
Tot hun stomme verbazing hadden de onderzoekers kanoetennesten ook hoger in de heuvels gevonden, en niet langs de kust. Nogal gek. Achteraf is dat verklaarbaar: hoe hoger, hoe later de sneeuw smelt. Maar die kanoeten hadden toch ook eerder kunnen arriveren? Nou nee. De periode in september dat ze op het Wad op krachten komen en opvetten, is namelijk afhankelijk van wanneer ze uit de Banc d’ Arcuin voor de kust van Mauritanië naar het noorden kunnen trekken. En dat is weer afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel dáár. Ze moeten natuurlijk wel genoeg vetreserves hebben om die monstertocht te kunnen ondernemen. Door overbevissing is de situatie daar suboptimaal voor de kanoeten. En in het waddengebied? Alles grijpt immers in elkaar?
Dit land wordt op dit moment geregeerd door lieden die zich aan het klimaat niets gelegen laat liggen. Aan de wetenschap trouwens ook niet. En de natuur? Die zit de boeren maar in de weg. Of tanks. Hoop, Lef & Trots zijn niet genoeg om de golven van de zee terug te duwen. Het is ronduit knudde. De knoet moet er overheen.










