De man roept oe-hoe-hoe-hoeoeoeoe! De vrouw antwoordt vrijwel direct met ke – wik! ke – wik! En dat gaat dan zo de nacht door.
Een nachtelijk bos zonder een bosuilenpaartje is een verzameling van boomstammen, pas mét de bosuilen wordt het een feest. Vooral nu de maan nagenoeg vol is en er ook nog sneeuw ligt zijn de omstandigheden optimaal voor een kennismaking met de bosuil. Dat kan schrikken zijn want je hoort hem of haar niet aankomen. Uilen zien wel goed maar doen het meeste toch op hun bijzondere gehoor. Als je heel stil bent, kan – ie opeens opduiken. En zie je hem. Of haar. Dat is dan schrikken. Voor een bosmuisje zal hij je niet aanzien. Maar toch, het idee dat je als mens ook prooi kunt zijn
Van alle uilen, maar ook van andere vogels, broedt de bosuil het vroegst. Soms beginnen ze al in februari. Is dit roepen dan al de baltsroep? Een aftasten hoever het is? Hmmm. Ze vormen een paar voor het leven en zijn erg honkvast. Zij kennen elkaar door en door.
Gisteren stuitte ik op een artikel waarin ronkelend werd opgegeven van de mogelijkheden om AI in te zetten voor het begrijpen van ‘dierentaal’. Sinds de jaren zestig is men al bezig te begrijpen wat walvissen elkaar met hun liederen vertellen. Men hoopt nu op een ‘doorbraak’. Waarom fascineert mij dit onderzoek en ben ik daar toch niet gerust op? Omdat zij wel weten wat ze doen en de mens vaak niet?
In Het vogeljaar uit 1903 beschrijft Jac. P. Thijsse de vijf uilensoorten die dan in Nederland voorkomen en waarvan hij vindt dat je die gezien moet hebben voor je er over mee kan praten. Hoe hij de lezer van toen bos en duin, hei en veld in probeerde te kletsen is een studie waard. Zo propageerde hij het begrip ‘natuursport’, als alternatief voor andere sporten zoals voetbal die voor een groter publiek bereikbaar werden. Ach, toen stond ANWB nog voor wielrijdersbond en moest het toerisme nog worden uitgevonden. Lang niet iedereen had overigens aan het begin van de vorige eeuw een fiets.
Het Vogeljaar is het eerste complete vogelboek in Nederland. Tussen de regels door proef je Thijsse’s inspanning om over de natuur niet in termen van nuttigheid te denken. Soms doet hij dat minder verholen, zij het schoorvoetend: “Ik word altijd enigszins verlegen onder deze enghartige “nut-en-schade” overwegingen” schrijft hij, als hij de introductie van het steenuiltje in Engeland bespreekt. Die broedde daar nog niet en het publiek vond het maar niks, ‘a pest’ zeiden ze. Maar Britse wetenschappers hadden nu vastgesteld dat de steenuil zich helemaal niet aan de eieren of de jongen van pluimvee vergreep. Die at zelfs insecten. Thijsse achtte het kennelijk wel noodzakelijk die wetenschappers er maar bij te halen om de heersende vooroordelen weg te nemen.
Natuurlijk hanteren we het schadelijkheidsprincipe nog steeds. Zie de discussies over rat en bever, over wolf en vos, over de ganzen op weilanden en akkers, niet alleen bij Schiphol, over ander gevogelte dat hier grieperig alle pluimvee ‘bedreigt.’ Dit is het aloude Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral. Soit. Al ligt het ook daar vaak nogal een beetje anders dan belanghebbenden zich graag voorstellen.
Tegen een ander type stereotypering is dan weer makkelijker iets te doen. Zeg ‘uil’ en vraag hoe die er uit ziet. Geheid dat – ie op een kerkuil lijkt. Vraag die uil eens na te doen, geheid dat je dan een bosuil te horen krijgt.
Nog een proef op de som: in griezelig bedoelde scenes zul je in films die bosuil te horen krijgen, oe-hoe-hoe-hoeoeoeoe! ofschoon een kerkuil veel angstaanjagender klinkt. Moet er een uil in beeld verschenen dan is dat eerder de kerkuil dan een andere, ofschoon de kerkuil er het aaibaarst uitziet. Over de sneeuwuil in de Harry Potterfilms wou ‘k het maar niet hebben. Die hebben weer heel ander leed veroorzaakt.
Is het erg dat veel mensen het verschil niet kennen tussen de veld-, bos-, steen-, kerk- en ransuil? Of zelfs de reusachtige oehoe, die hier nu ook al sinds 1997 broedt? Misschien niet. Maar het leven is wel zoveel rijker als je dat wel kunt. Onderscheidingsvermogen leidt tot begrip. En dat weer tot verschilligheid. En daarmee komen we een stuk verder in deze wereld.
De oude Grieken associeerden de steenuil met helderheid van geest en vernoemden die kleinste der uilen daarom naar hun godin van de wijsheid, Athena. Dat was me er eentje hoor! Godin van de oorlog en vrede ineen, en nog een aantal bezigheden die de moderne tijd niet gehaald hebben. Waarom ze dat deden is mij nooit recht duidelijk geworden. Het ligt voor de hand dat dit te maken heeft met het feit dat een uil je recht aankijkt. Onverschrokken. Zo’n ontmoeting vergeet je nooit meer. ’t Was laat op een doordeweekse namiddag, ergens aan het begin van de zomer, nu dertig jaar geleden. Ik fietste argeloos langs de Noorderdijkweg naar Wieringen, ik kwam van mijn werk, in Medemblik. Bijna bij het Gat van de Dijk gerakend keek hij mij aan vanaf een rasterpaaltje achter de sloot: ‘En wat is jóuw bestaansrecht?’
Korter kan ik het niet zeggen.
Van vogels wist ik toen niet veel, maar een uil, dáár, en dan zomaar overdag? Die mij doordringend aankeek? En dat bleef doen door zijn kop helemaal mee te draaien terwijl ik freewheelend langs gleed? Toen hij zelf wegvloog van het rommelveldje maakte hij nog minder geluid dan mijn banden op de weg.
Later, veel later, kwam ik erachter dat een steenuil in de Wieringermeer net zo bijzonder is als een koekoek op zee. Steenuiltjes hebben op die monogecultiveerde akkers helemaal niks te zoeken. Een opgeruimd erf is hun een gruwel. Ze houden van vergeten schuurtjes met onduidelijke bestemming, van overal hagen met warrig onderhout. Van paardenweitjes ertussen. Hoge fruitbomen rond de hoeve. ’s Avonds hoort men er des landmans gerusten tred, de vrouw doet de luiken toe voor de nacht. Vind dat maar eens in een door en door gerationaliseerd polderlandschap.
Romantisch? Nee hoor. Steenuilen vind je overal waar de kaalslag door de ruilverkaveling nog niet heeft huisgehouden. In het oosten van dit land dus vooral, in de Achterhoek en in Twente. Daar wordt misschien de wijsheid nog bewaard dat een kleinschalig cultuurlandschap een zegen is voor de soortenrijkdom. Tegenwoordig heet zoiets een ecologisch advies en moet je daarvoor flink betalen. Maar als je gewoon kunt zien dat het goed gaat met de steenuil is dat een prima indicator dat het ook met de biodiversiteit goed gaat.
Wonderlijker wijs kom je de steenuil ook wel tegen in West-Friesland, een enclave in een verder steenuilenloos landschap. Of misschien toch niet helemaal toevallig. Uit aardigheid hebben ze daar niet overal de hoogstamboomgaarden gerooid. Ook staan er soms nog zomaar schuurtjes waarvan niemand meer weet of ze nog ergens goed voor zijn. Daar zag ik ze later wel vaker, toen ik daar op een school kwam te werken en er in een tussenuur even op uit kon gaan. En altijd dacht ik aan die eerste keer, en schoot ik zonder erg weer in de lach. Een bangert noemen ze daar zo’n boomgaard, de bongerd. Niks om bang voor te zijn.
Een antwoord op die ene vraag zoek ik nog steeds, soms. Pas de laatste tijd houd ik rekening met de mogelijkheid dat geen antwoord natuurlijk ook een antwoord is.
Ik was op zoek naar heel iets anders maar vond dit:
De blik van Wouter Helmer bij een verhaal over een beer en een boer, Mook.
Wouter was in Griekenland geweest. Hij zat daar op een berghelling en zag op de tegenoverliggende helling een beer lopen. Die beer ging naar beneden. Over hetzelfde pad kwam op dat moment een boer naar boven. De beer die naar beneden ging, de boer die naar boven ging, het leek wel een gedicht van Paul van Ostaijen. Maar net voordat zij elkaar zouden mogen begroeten, week de beer af van zijn route. Hij verdween in het kreupelhout en kwam pas weer te voorschijn toen de boer voorbij was. Beiden vervolgden zij hun weg, de beer die naar beneden ging en de boer die naar boven ging.
Wouter vond het een prachtig verhaal om te vertellen. Zijn ogen schitterden van plezier. Want die beer was wel een boer tegengekomen, maar die boer geen beer.
Zo vergaat het ons in de natuur.
(Koos van Zomeren, Alle vogels (2017))
Wie Wouter Helmer is weet ik niet. Of Wouter belezen is en zelf bij het beschrijven van een voorval tijdens zijn vakantie het Alpenjagerslied van Van Ostaijen erbij haalde weet ik dus ook niet. Van Zomeren zal het gedicht gekend hebben want anders had hij er natuurlijk niet in zijn stukje over kunnen beginnen. Ik houd hem voor belezen, al ben ik niet helemaal zeker of zijn kennis dieper steekt dan dat dat gedicht over een dalende heer en een stijgende heer gaat: weet Van Zomeren dat de beide heren precies vóór de winkel van de beroemde hoedenmakers Hinderickx en Winderickx elkaar wel degelijk begroeten? Elk met de bloedeigen hoed? En dat ieder na dit groeten de hoed weer opzet, ’t is te zeggen ieder de bloedeigen hoed op het bloedeigen hoofd? Kennelijk is Van Zomeren zich dit ook wel bewust, want anders had hij niet opgemerkt ‘Maar net voor zij elkaar zouden mogen begroeten’.
Al is het natuurlijk niet helemaal uit te sluiten dat hij, Van Zomeren dus, én Van Ostaijen, én diens Alpenjagerslied eerst leerde kennen doordien deze Wouter Helmers hem dit vertelde naar aanleiding van diens getuigenis over de beer en de boer.
Dan nu dat laatste zinnetje. Bij korte stukjes gaat het daar om. ‘Zo vergaat het ons in de natuur’, wie zegt dat? En waar slaat het precies op? Hoor ik bij die ‘ons’? Had die beer dat gedicht van Van Ostaijen moeten kennen soms?
[p.s.
Ik was op zoek naar wat Van Zomeren in de loop der tijd allemaal over de steenuil heeft geschreven, het Jaar van de Steenuil is immers begonnen? Ik ben dus nog wel even bezig.]
Op de valreep van dit jaar kwam de bundel Binnenstebuiten nog gereed: 52 haiku over wat er buiten in de natuur van week tot week allemaal gebeurt. Net als in Wat van stilte spreekt zijn vogels weer vaak onderwerp van de haiku, maar niet meer exclusief:
Naar alle kanten
open gaan – en verwaaien
hazelt de hazelaar
Smokkelt hier de hazelaar niet een lettergreep te veel mee over de grens van 5? Jazeker, hazelaars kunnen dat! Ga maar naar buiten en zie hoe ze staan te springen om open te gaan. Wat een levensdrang! En, inderdaad, ze verwaaien door de wind, en zo krijg je nieuwe hazelaars.
De bundeling heet Binnenstebuiten maar had ook Ondersteboven of Achterstevoren kunnen heten. Dat zijn prachtige 5 – lettergreepwoorden die precies die bepaalde gesteldheid uitdrukken om een haiku te kunnen beleven. Wat is binnen en wat is buiten? Wat is onder en wat is boven?
In haiku gaat het niet om particuliere gevoelens of gedachtespinseltjes, laat staan een boodschap. Als het goed gaat wordt in de haiku het onderscheid opgeheven tussen wat gezien wordt en degene die ziet. Voor wie wil leren te verwaaien is de haiku over de hazelaar een mooi vertrekpunt.
Het onverbiddelijke haiku-voorschrift 5 / 7 / 5 laat ik wel vaker los. De natuur voltrekt zich volgens geheimzinnige regels maar het leven zelf wordt pas spannend als die doorbroken blijken te kunnen worden.
Waar het om gaat is niet te zeggen, hooguit te suggereren. Bashō dichtte:
Een wolk voor de zon –
trekvogels,
heel even
Als hij de regels wel vol had gemaakt had hij een ruimte gevuld met (talige) rommel. 5 / 3 / 3 suggereert een haiku ( 5 / 7 / 5 ) maar die vogels krijgen ruimte door die niet zelf te vullen. Zie ze voorbij trekken, héél even. Het is een zucht. Het is een eeuwigheid.
De haiku in Binnenstebuiten waren merendeel al in Zinrijk te lezen. Mocht je niettemin belangstelling hebben in een doosje dan moet je me dat maar even laten weten.
Afgelopen jaar was het Jaar van de Torenvalk, het komende zal het Jaar van de Steenuil zijn. Chinese astrologie? Nou nee. Who says? SOVON, de Stichting Ornithologisch Veldonderzoek Nederland. Who cares? Tja, het is geen Eurovisiesongfestival natuurlijk. Of het kampioenschap van een of andere moeilijke of dure sport.
Eerlijk is eerlijk, het afgelopen jaar heb ik in de gewone media geen verhoogde belangstelling voor de torenvalk opgemerkt. Maar ja, ik zit niet op Feesboek, Insta of TikTok. En het sjoernaal zit altijd al vol.
Maar ik weet dat er in het hele land heel gewone mensen met dat valkje bezig zijn geweest. Met extra aandacht: waar zitten ze precies? Als lid van een vogelclub: zullen we nestkasten ophangen? Meedoen met de tellingen? Braakballen uit elkaar pulken om te achterhalen wat ze nu precies eten?
Vaak komt mij dit zinvoller voor dan het hebben van ‘een mening over Gaza’. Of ‘een mening over AZC’. Of ‘over Vuurwerk’. Op het sjoernaal krijg je dan te zien dat het juist die MeningMensen zijn (homo non sapiens opiniens) die een onverantwoord kort lontje hebben. Vogels houden niet van vuurwerk.
Ook houd ik civil science voor heilzamer dan het lucht geven aan meningen. Hoe meer mensen oog krijgen voor alle samenhang in de natuur, hoe beter we opgewassen zijn tegen een regering die meent dat de schrikbarend teruglopende aantallen weidevogels eenvoudig aan te vullen zijn door een Gruttofokker in bezoldigde Rijksdienst aan te stellen.
Ik keek er wel even van op toen ik dit bizarre beleidsvoorbeeld tegenkwam in een analyse van de trekvogelecoloog Thomas Oudman. Niet eens zo heel erg en niet eens zo heel lang, moest ik daarna tot mijn veel grotere schrik opmerken: stupiditeit gewent. Wat zou de Minister van Landbouw en andere Lobby’s nou hebben gedacht: Makkelijk zat, we zetten die gegrasfalteerde weilanden zo weer vol, net als die geruimde pluimveestallen? Of zouden ze op dat ministerie vurig hebben gebeden dat de Europese Commissie dit zou aanmerken als krachtdadig beleid om in het kader van gemaakte afspraken iets te doen aan de onheilspellende leegte boven onze weiden?
Intussen hoop ik dat vogelliefhebbers het afgelopen jaar ook iedere gelegenheid hebben benut om uit te leggen dat het zogenoemde bidden van de torenvalk niks met vroomheid van doen heeft: het Engelse preying (= azen) werd gehoord als praying (= bidden). Of met kwade opzet verward, want in sommige kerken weet je het maar nooit en binnen het Agriculturele Vooruitgangs Geloof (AVG) blijken de wreedste opvattingen over de natuur gemeengoed. Ga maar eens in de Gelderse Vallei kijken. Of kijk anders naar het sjoernaal.
De monografie De steenuil van steenuilenkenner Ronald van Harxen heb ik inmiddels uit de kast gepakt (Atlas/Contact, 2021). Ik las het destijds met veel genoegen en hoopte maar dat ik die pret deelde met al diegenen die door de corona zachtjes richting een natuurlijker hobby geduwd werden.
En net als toen verbaas ik mij er weer over dat ik mijn allereerste steenuil in de Wieringermeer heb gezien, of all places. Dat kon eigenlijk helemaal niet, volgens de Vogelatlas van Nederland (SOVON). Maar toch was het zo. Ik zie nog steeds die indringende blik. Ik hoor weer zijn uilenroep boven dat rommelige veldje, daar bij het Gat van de Dijk. Wonderen bestaan. Daar komt geen bidden bij van pas.
Steenuil | Foto Ronald van Harxen, STONE (Steenuilenoverleg Nederland)