
Boomsilhouetten
in het eerste blauw
van de dageraad:
zij ademen de ruimte
in
aderen
venen
geduld

Sergei Rachmaninov, Vsénoshchnoye bdéniye, 1915
Uit Kyyiv las ik gisteren het Bericht uit de schuilkelder in de Volkskrant: “Het was in tijden niet zo’n koude winter geweest, ’s nachts had het steeds zo’n 15 graden gevroren en ook overdag bleef het vaak zo’n 10 graden onder nul.” Elena (70) en haar van oorsprong Hongaarse man Akos verlaten Kyyiv nadat de Oekraïense hoofdstad opnieuw doelwit was van Russische aanvallen. Burgemeester Klitsjko had de bevolking gemaand de stad te verlaten. Enfin, ’t was allemaal op het Journaal. En wegkijken kan niet.
Ik probeer mij een voorstelling te maken. Dat valt niet mee. Van de kou lukt dat nog wel maar van de opzettelijke, onmenselijke wreedheid van Poetin en zijn gevolg niet. Al bijna vier jaar duurt deze waanzin, die in de Donbas nog veel langer. Die kleine berichten, dáár gaat het om. Wegkijken kan ik niet. De verhalen van heel gewone mensen, hoe ze vermorzeld worden door de zieke denkbeelden van hun leiders, door de zieke systemen die door die denkbeelden opgetuigd zijn en in stand gehouden worden. Brrr.
Ik zou iets ter vertroosting willen kunnen zeggen. Iets ter bemoediging in deze bittere tijd.
Hoe die opname van Rachmaninovs Nachtwake in mijn bezit kwam is een lang verhaal dat er nu niet toe doet. De bizarre lotgevallen van die opname al evenmin. Of dat ik juist die opname prefereer. Pfff.
Hoe Rachmaninov er met zijn zeer geringe religieuze overtuiging toe kwam dit werk in 1915 te schrijven doet er al iets meer toe. Rusland raakte betrokken in de Eerste Wereldoorlog en hij wilde de soldaten iets mee kunnen geven. Maar in 1917 brak de ellende in Rusland pas goed uit en Rachmaninov moest zijn land ontvluchten. Zelfs vertroosting werd de bevolking ontzegd. Die hele bittere, waanzinnige twintigste eeuw. De wrede waanzin die in de onze nog niet is uitgewoed, en niet alleen in die streken.
Ik zat nog op de lagere school toen ik die Russische liederen voor het eerst hoorde. De teksten begreep ik allicht niet maar de oneindige compassie die uit de muziek klinkt wel. Nog weer later leerde ik begrijpen dat het uiteindelijk ook helemaal niet om die teksten gaat maar om wat voorbij de woorden ligt. Rachmaninov gebruikte die oude teksten alleen maar, het gaat om de compassie.
Je hoeft niet gelovig te zijn om die te ervaren. Velichit dusha moya Gospoda. Magnificat, het elfde gezang. Chestneyshuyu heruvim. De oneindige zachtheid die op deze aarde zo moeilijk te vinden is. Moge die over allen neerdalen. Over hen die de koude moeten ontvluchten. Maar moge die ook vooral de harten ontdooien van alle onderdrukkers.

https://www.youtube.com/watch?v=GjnM4ujeUPM&list=RDGjnM4ujeUPM&start_radio=1

Zilverreiger | foto Brigitte van Krimpen
Nu de sneeuw al weer weg is zie je weer hoeveel zilverreigers er wel niet in dit land zijn. Is dit goed of slecht nieuws?
Soms lijken het er wel meer te zijn dan blauwe reigers. In de jaren ’90 was dit onvoorstelbaar. Maar er is wel meer onvoorstelbaar in deze wereld. Als je beter kijkt, had je het misschien eerder kunnen zien aankomen.
Sovon veronderstelt dat twee factoren vooral van belang zijn voor het ‘succes’ van deze reigersoort: de klimaatverandering en het moerasbeheer, in het bijzonder in de Oostvaardersplassen. Voor de eerste zijn we wel verantwoordelijk maar we kunnen er weinig concreets aan doen om de schade te beperken, althans niet op korte termijn. Hadden we in Belém maar beter ons best moeten doen. Er zullen zich wel meer soorten gaan vestigen die onze streken nu nog onaantrekkelijk vinden. Met de krokodillen zal het overigens wel niet zo’n vaart lopen.
Bij weloverwogen waterbeheer is al op heel korte termijn effect te zien. Maar ja, de een ziet liever het ene effect en de ander het andere. Aan het welzijn van bijvoorbeeld de grutto kun je aflezen hoe eigenbelangelijkheid het ‘succes’ van die soort beïnvloedt.
Het verhaal is bekend. Het was de hoedjesmode aan het einde van de 19e eeuw die enkele invloedrijkere dames de wenkbrauwen deed fronsen: moesten die veren van de zilverreiger daar nu echt op? Hoeveel reigers waren er wel niet nodig voor één hoed? Die geschiedenis is boeiend genoeg. Samengevat: er kwam gelukkig wetgeving. Voor gekke hoedjes moet je de derde dinsdag van september in Den Haag zijn en bij mijn weten worden daar geen vogels voor geslacht, althans de laatste decennia niet. Toch kan ik mij maar moeilijk aan de indruk onttrekken dat men zich er daar meer om bekommert of het hoedje wel goed zit dan om wat er door onze landerijen en moerassen rondstapt of -sluipt.

Zilverreiger | foto Chris van Rijswijk
Alleen in de sneeuw
banjert hij ongezien rond,
de zilverreiger
_____
Opm.
Geen opmerkingen. Ga zelf maar buiten kijken.

Qeqertarsuup tunua, Ilulissat (Groenland)
Afgelopen vrijdag vergeleek de oprichter van de Correspondent, Rob Wijnberg, in een column de huidige president van de Verenigde Staten van Amerika, Donald J. Trump, met de voormalige Rijkskanselier van het Derde Rijk, Adolf Hitler. Dat is nogal ongebruikelijk. Ik bedoel niet de vergelijking maar wel dat de hoofdredacteur zijn standpunt zo fel uitdraagt.
Of Trump dat stuk te lezen krijgt weet ik niet. Voor de zekerheid deel ik maar even de link:
Met Google Translate moet hier toch uit te komen zijn. En anders kan iemand hem dit voorlezen. Want of Trump zelf leest weet ik niet.
Als – ie even tijd kan vrijmaken, tenminste. Als je zo in je spel opgaat vergeet je natuurlijk de wereld. Misschien kan iemand hem ook uitleggen wie die Adolf Hitler ook al weer was.

László Krasznahorkai, De melancholie van het verzet (1989)
Het was of de duvel gistermiddag met mij wilde dansen. Ik was ruimschoots op tijd voor mijn wekelijkse koffie-afspraak met de Syrische vluchteling die ik wegwijs probeer te maken in het Nederlands toen ik er bij de IJ-pont achter kwam dat hij mij intussen had gewhatsappt dat – ie verstek moest laten gaan wegens oplopende snotterigheid. Dan maar even doorgefietst naar Scheltema, besloot ik, om te zien wat daar van László Krasznahorkai in vertaling te verkrijgen was. Béla Tarr’s beelden van Sátántangó (het boek is van 1985, de film van 1994; Tarr en Krasznahorkai werkten heel veel samen) dwarrelden mij nog voor ogen. Het regende. Nu ja, na een week van sneeuwige kledderzooi was het gaan regenen. Het mocht ook dooi heten.
Op de pont schuilde ik huiverend onder de brug. Een jonge vrouw wrong zich tussen de fietsers naar het voordek, een geplastificeerd A-viertje voor zich uit strekkend: Jesus loves you. Haar beate glimlach verried haar verdere bedoelingen. Toen zij geen aanspraak kreeg hield zij haar boodschap omhoog naar het IJ, ofschoon er geen andere schepen voeren vanwaaraf dit bericht gelezen zou kunnen worden. Misschien ook verwachtte zij dat de Verlosser zelf over het water lopend haar blijdschap zou komen bevestigen.
Bij Scheltema was een klein hoekje op een tafel voor Krasznahorkai ingericht. Het portret van de auteur was erboven geplaatst, pontificaal, bijna een zerk, alsof niet Béla Tarr maar hij naar een andere wereld was afgereisd. Oorlog en oorlog (2022) liet ik wachten tot een andere keer, voor nu even te veel oorlog. Maar De melancholie van het verzet (1989) wenkte onweerstaanbaar. Het is nu eenmaal zo dat ik mij in melancholie beter tot deze absurde wereld verhoud dan in naïeve devotie.
Terwijl ik mij verbaasde over de Van Ostaijen-aandoende achterflap dacht ik aan Mari Alföldy. Die heb ik ontmoet, mijmerde ik, vaak zelfs. Zij studeerde ook in Groningen toen ik Hongaars als bijvak deed. En zij sloeg later aan ’t vertalen, talloze Hongaarse schrijvers vertaalde zij die hier vanwege de nogal ontoegankelijke taal volstrekt onbekend waren. Daaronder dus alle boeken van Krasznahorkai. Haar vertalingen worden zeer geprezen. Zo niet te eniger tijd met die van Nobel dan toch wel met de Nijhoffprijs.
In die tijd, toen Mari nog geen faam als vertaalster had gemaakt, verdiepte ik mij in de Hongaarse volksmuziek. Zij wist mij de geheimen van de herlevende Táncház te ontsluieren, kende de achtergronden, doorgrondde de code en de gebruiken, begreep hoe Hongaarse jongeren zich door de muziek eind jaren ’70 uit de naargeestige beklemming van een zich dood marcherend ideologisch experiment konden bevrijden en zichzelf daarin konden uitvinden. Met patriottisme had dit niets van doen. Orbán begon pas later vals te zingen.
Mari tolkte levendig als Muzsikás Együttes weer eens in Nederland was, in Stad, dan wel in Warffum bij Op Roalkeldais. Of Kolinda Együttes, tot mijn onuitsprekelijke vreugde. Szerelem zongen die op de langspeelplaat die ik had weten te bemachtigen, in Hongarije zelf was die niet verkrijgbaar. Ik draaide die grijs. In een meerstemmige versie met een onpeilbare droef- en schoonheid: ‘Szerelem, Szerelem, átkozott gyötrelem’, liefde, liefde, vervloekte pijn. Dát was het verzet.
Nog weer veel later ontmoette ik haar nog zo maar eens toevallig in Budapest. Daar kende zij de weg en wist ook de onduidelijke gelegenheid te vinden waar een Táncház werd georganiseerd. Sátántangó had ze toen nog niet vertaald en Tarr had die roman nog niet verfilmd. Nagyon jól éreztük magunkat, we hadden veel lol samen.
Die wonderwarme avond kwam weer even boven borrelen toen ik door de verkleumende stad naar huis fietste. De regen was weer natte sneeuw geworden. Het deerde niet. In het Noorderpark zag ik hoe de narcisjes zich al geel boven de oude en de nieuwe sneeuw naar de hemel uitstrekten. Van Ostaijen is toch ook al meer dan een eeuw dood, viel mij in. En wat voor een eeuw. En wat voor een circus.

Paul van Ostaijen, Bezette stad, 1921

Still uit Sátántangó van Béla Tarr, 1994
In de openingsscène van de film Sátántangó sjokken koeien door de prut. Het moet heel vroeg zijn, de wereld is nog kleurloos. Mensen komen niet in beeld, die koeien lijken doel en weg te weten. Of niet, af en toe keert een om. De gebouwen waar zij langs komen zijn van een mistroostig stemmende functionaliteit. Liefdeloos, haveloos. De modder zuigt. Dat is het enige geluid: het zuigen van die modder als zo’n koe haar poot eruit trekt. Na een minuut of tien realiseer je je dat de film zwart-wit is; dat zal – ie 7 uur blijven.
Afgelopen dinsdag overleed Béla Tarr (1955-2025). Allerwegen wordt breed uitgemeten wat zijn betekenis voor de cinematografie was. Ik recenseer geen films. Ik kan alleen maar zeggen dat ik zeven uur steeds stiller wordend naar Sátántangó heb zitten kijken. En naar de andere acht films van Tarr. Mijn bespreking houd ik kort: in Het paard van Turijn (A torinói ló / The Turin Horse, 2011) onderzoekt Tarr wat er met het paard gebeurde nadat Friedrich Nietzsche dat dier op 3 januari 1889 in Turijn om de hals vloog omdat hij niet kon aanzien dat de eigenaar het beest afranselde. Vermoedelijk is dat verhaal apocrief maar Nietzsche’s geestelijke ineenstorting was wel een feit. En dat net nadat hij God dood had verklaard. Wat nu?
Het einde van de wereld breekt niet aan omdat God zulks behaagde (een dooie God?!) maar omdat de mens het verkloot heeft, lijkt Tarr te zeggen. Of misschien toch beide als God niet helemaal dood is. Interpreten bakkeleien daar nog steeds over. Tja, als je er de filosofie bij haalt, of de theologie, of de politiek, dan ben je nog wel even bezig.
In het land dat Tarr laat zien heb ik zelf rondgereisd. Ik heb er zelfs gewoond. Ofschoon ik wat Hongaars heb leren spreken kan ik niet zeggen dat dat hielp de mensen te begrijpen. Kennis van het land en haar geschiedenis dan? Hmmm, matig. Maar deze ervaring kwam boven drijven:
Ergens in de vroege jaren ’80 fietste ik met mijn lief van toen in het oosten van Hongarije, tegen de Russische grens aan. Oekraïne was toen nog de Oekraïne. De zegeningen van het communisme drukten zwaar boven het land. Het geval wilde dat ik in die verlatenheid iets met mijn fiets kreeg: een remkabel brak. Wat te doen?
Een fietsenmaker was er allicht niet, maar die kolchoz daar had toch wel zeker een werkplaats? De boel lag er verlaten bij, een kettinghond sloeg aan. Achter een openstaande deur klonken wat hamerslagen. ‘Hallo?’ Een man verscheen. In ons gebrekkig Hongaars legden wij onze nood uit. Hij bleef maar niets zeggen. En naar onze fietsen kijken. Die zag je daar niet zo.
Toen blies hij op z’n vingers. Van overal kwamen opeens mannen vandaan, zeker twintig. Ze dromden om ons heen, raakten de fiets aan, de tassen die daar aan hingen. Er werd gelachen en we voelden ons geenszins bedreigd. Zouden ze ons nog helpen?
Iemand kwam met een kratje aanzetten. En daarin bier. Er kwam meer kratjes, en meer bier. Het was ochtendkoffietijd maar om ons heen zat de hele kolchoz te toosten en te kletsen. Iemand moet de fietsen de werkplaats binnen hebben gebracht. En wij maar vertellen, over het leven in ‘Het Westen’. Net twintig waren we. Aan het einde van de middag reden we het pad weer af. De remmen deden het weer.
Nog voor ik de film Sátántangó in de bioscoop had gezien kende ik daar een fragment van. Een goede ziel uit een of ander land had het Salve Regina van Arvo Pärt daaronder gezet. Dat harmonieerde wonderwel.
Ik vermoed dat Tarr het misschien maar niks vind misschien maar dan had hij die film maar niet Sátántangó moeten noemen. Wellicht vond hij Pärt een gelovig dwaallicht. Ik wil hem hiermee vanochtend alleen maar even eren. En Tarr heeft daar niks meer over te zeggen. Over de geloofwaardigheid van een duivel die zou bestaan doe ik ook geen uitspraken.

Houtsnede: Ohara Koson (1877-1945)
Vijf reigers zwijgend
bijeen in het rietlandje –
het gaat over kou

‘Minder wreedheid’, zou de Amerikaanse filosoof Richard Rorty hebben geantwoord op de vraag wat hij de mensheid ten diepste en het meeste toewenste. Het schoot de laatste dagen steeds door mij heen, ik herinnerde me dit ooit eens opgekrabbeld te hebben, (Less cruelty! Rorty! ), had me ooit voorgenomen eens uitzoeken in welke context Rorty dit zei, uit welke overwegingen en langs welke gedachtelijnen dit voortkwam. Vanmorgen vroeg vond ik het krabbeltje terug, het stak uit Varlam Sjalamov’s verhalenbundel Kolyma; verhalen uit de Goelag Archipel (1982).
Sneeuw jaagt langs de straten, vlokken kleven aan de ramen, de parkrand is nog nauwelijks zichtbaar, geen mens waagt zich buiten. Ja toch, een enkeling durft het aan, moeizaam vorderend, gebogen tegen de gure wind, fiets aan de hand. Het voorwiel glijdt steeds weg. Geen doorkomen aan.
Ik kan heel nauwkeurig duiden waarom ik juist in Sjalamov vond wat ik vanmorgen zocht. Maar het vergt een boek om dat uit te leggen, een eeuw om dat te schrijven, vermoedelijk nog ettelijke meer om dat te begrijpen. Ik volsta er nu maar even mee dat Lisa Weeda’s verhaal over haar grootmoeder (Aleksandra, 2021) de aanzet gaf. De gruwelen die in de jaren dertig werden begaan in dat deel van Europa dat door een andere Amerikaan, Timothy Snyder, Bloodlands heeft genoemd. De holodomor. De waanzin van de nazi’s die daarop volgde. De repressie van alle jaren daarvoor en daarna. Solzjenitsyn’s documentatie Goelag Archipel, die pas in de jaren ’70 het Westen bereikte. Al die beschrijvingen van onvoorstelbaar leed. Vasili Grossman. Primo Levi. Imre Kertész. Al die anderen. Over Auschwitz. Over Sobibor. Maar vooral Sjalamov. Over Kolyma. Dat is geen plaats. Dat is de gesteldheid van ultieme wreedheid.
In het verhaal Een “makkie” beschrijft Sjalamov hoe hij eens als taak kreeg de naalden van een dwergden te verzamelen, de stlanik. Volgens de raadselachtigheid van sovjetwetenschap kon daar vitamine C uit worden gewonnen. Ofschoon daar geen enkel bewijs voor was gold de Moskouse doctrine dat het extract dat uit de naalden werd gebrouwen in die omstandigheden levensreddend zou zijn. Iedereen doorzag het bedrog maar toch was het verzamelen van die dennennaalden in de sneeuwwoestenij als een zegen te verkiezen boven het moeten afdalen in de ijskoude mijnschachten om daar goud te delven. Eigenlijk was dat vakantie. Ook al kreeg je na een dag ploeteren in de sneeuw alleen waterige soep: “Voor licht werk als dit kreeg je alleen soep.”
Ik herlas het verhaal, rillend. Maar dat ik het weer opzocht was vooral omdat ik mij herinnerde dat Sjalamov nog meer over die den vermeldt. Die stlanik voorspelde het weer. Als niets er nog op wees ging hij liggen. Dan kwam er sneeuw en grotere narigheid. Als hij zich in de oneindige poolwinter opeens oprichtte was er lente op komst. De bergroos, ‘de enige bloem hier die ook als bloem rook’, zou dan spoedig verschijnen in die arctische leegte.
Sjalamov zal niet zonder opzet zijn schetsen over Kolyma met dit verhaal zijn begonnen. En al helemaal niet om te suggereren dat achter de wolken de zon schijnt. Van mensen verwachtte hij niets meer, niet veel tenminste, en als je zijn verhalen leest ontzinkt je de moed dat wel te doen. Hoe hij in zichzelf veerkracht vond om na 17 jaar mensontering dit op te tekenen, en waarom, is bijkans onbevattelijk.
Op de radio hoor ik berichten over gestrande reizigers. Er is iets met de-icing fuel. Er is veel leed, begrijp ik. Treinverkeer komt niet op gang. In Kramatorsk sneeuwt het aanhoudend, de temperaturen dalen de komende week tot ver onder nul. In het Moskouse Kremlin blijft het grimmig stil. Trump bespreekt ijzig de optie zich Greenland gewapenderhand toe te eigenen.
Over heel de wereld lijkt eigen leed wreder.

Jagende kerkuil | foto Ron Dudley, Feathered Photography
Stiller dan de nacht
zweeft een kerkuil het bos in –
om er te krijsen