
Bij de laatste wei
krijst de reiger de nacht toe –
toch nog geschrokken

Jonge kwakreiger | foto Adri de Groot
De foto toont een kwak, een jónge kwak nog. Een juveniele kwak zeggen vogelaars onder elkaar maar ’t is niks om duur te doen. Als hij ongeveer drie jaar is verliest hij het gespikkelde jeugdkleed en krijgt hij een volledig grijs bovenkleed met een zwarte mantel. Die rode ogen houdt- ie: daarmee kan -ie goed in het donker kijken.
Hij schijnt ook wel nachtreiger genoemd te worden omdat hij vooral ’s nachts actief is. Een kleine reiger dus en als je even goed kijkt zie je dat meteen. Zijn Latijnse naam (Nycticorax nycticorax) betekent overigens nachtraaf. Die werd ‘m ooit gegeven vanwege zijn luide “kro-AAk!“. Er waren toen veel meer raven.
De kwak leidt een tamelijk geheimzinnig leven dat zich vooral in de duisternis afspeelt. Vind ‘m dan maar eens. Toch hebben veel mensen ‘m gezien: hij broedt namelijk in Artis, niet in een kooi gelukkig en ook niet aan een touwtje. Ze kunnen dus ook wel door de stad zwerven, en dat doen ze ook. Dán kun je hem dus zomaar tegenkomen.
Ik kreeg de foto in mijn mailbox omdat ik geabonneerd ben op de vogeldagboeken van Adri de Groot (https://www.vogeldagboek.nl/). Anders zou ik dit allemaal niet zo gauw weten. Hij meldt ook nog de opname gemaakt te hebben bij Avifauna, Leiden. Daar zal-ie dan wel ontsnapt zijn.
Over reigers valt veel te vertellen, er zijn hier wel negen verschillende ondersoorten, maar vandaag intrigeert mij de vraag waarom de kwak nooit het Journaal haalt. Van de kwak worden namelijk ook zo’n 50 broedgevallen per jaar gemeld. Precies evenveel dus als van die zeearend van gisteren.
Als ik zo’n beetje mijn best doe dan kan ik ook wel de overwegingen op de redactie bedenken waarom de ene wel en de andere niet. Alleen spektakel mag op het nieuws. En die kwakken zitten daar al sinds mensenheugenis onopvallend kwak te wezen. Nou ja, van dat “kro-AAk!” schrik je wel. Het punt is dat die kwakken bij Artis halftam zijn. Ze kennen de voordelen van Artis en zijn kennelijk aan alle menselijk bedrijf eromheen gewend geraakt. Ze scharrelen rond zoals de blauwe reiger bij de viskraam.
Voor de ‘wilde’ kwak moet je het moeras in, de Biesbosch bijvoorbeeld. SOVON meldt: ‘Rode lijst: Ernstig bedreigd’. Dat heeft dan vermoedelijk niet zo veel te maken met de situatie hier te lande want met de zilverreigers gaat het namelijk wel goed. Met de koereiger ook. Maar zilverreigers blijven in de winter in Europa; ten gevolge van de klimaatverandering verlaten ze zelfs veel vaker hier het land niet. Vergelijken met de purperreiger dan? Die trekken in het najaar net als de kwak wel over de Sahara naar de Sahel. Daar schijnt de laatste jaren erg weinig neerslag te zijn gevallen. Maar gek genoeg gaat het met de purperreiger wèl redelijk goed. En hoe zit ’t met de nog veel zeldzamere ralreiger?
We weten het eigenlijk allemaal niet zo goed. En dat mag best in de krant. Of je moet vinden dat wat je in Artis ziet een goed beeld geeft van het dierenleven op deze planeet.

Kwak bij Artis; er zit een kolonie boven de uilenkooien en in de buurt van de pelikanen

Zeearend | foto Milena Huender
In haar boek over de zeearend (De zeearend. Atlas/Contact, Amsterdam 2021) beschrijft de biologe en wetenschapsjournaliste Nienke Beintema het verhaal welke beproevingen de natuurfotograaf Scott Nielsen in de jaren ’80 van de vorige eeuw moest doorstaan om een heel seizoen lang een nestelend paartje bald eagles te kunnen fotograferen. Op dertig meter hoogte in een zwiepende boomhut in een sneeuwstorm verzeild raken is natuurlijk geen pretje. Maar het leverde een fraai boek op (A Season with Eagles, 1991).
Ik heb het boek nog nooit gezien. Tweedehands is het nog wel te verkrijgen bij Amazon, maar ik heb lust Amazon te boycotten. Ook ga ik niet naar het grensgebied van Minnesota en Wisconsin waar Nielsen die foto’s maakte. Amerika is geen vakantieland meer: daar gebeuren tegenwoordig de wildste dingen.
Beintema is nog wel op zoek gegaan naar Nielsen maar dat was tevergeefs. Het verhaal over die boomhut vertelt ze eigenlijk vooral om duidelijk te maken hoe sterk zij de zeearend met ‘de echte wildernis’ in verband bracht. Na een jarenlang verblijf in Canada – waar ook haar fascinatie voor die imposante predator ontstond – komt zij in Nederland tot de ontdekking dat je om die zeearend zelf van dichtbij te zien gewoon naar de Oostvaarderplassen kunt gaan. Of naar de Biesbosch. Het Lauwersmeer. Bingo binnen een halfuurtje. Vanuit een fluisterbootje.
De zeearend doet het dermate goed dat de legprestaties van die grootste roofvogel van Europa vorige week zelfs het Journaal haalden: het 100ste ei wordt dit jaar in Flevoland verwacht! Tjongejonge! Honderd broedgevallen in Nederland!
Gelukkig geeft Beintema wel context. Heel veel zelfs. Dat levert een boeiende en complete monografie op. Een boek ook met kritische kanttekeningen, want hoe blij kun je zijn met het ogenschijnlijke succes van de zeearend als dat het gevolg is van nogal veel toevallige factoren?
Die Oostvaardersplassen zijn ontegenzeggelijk prachtig. Maar wel volkomen toevallig ontstaan omdat die strook drooggemalen IJsselmeer nou eenmaal niet zo geschikt was voor de landbouw. Noch voor een industrie. Bestuurderen wisten niet wat ermee te doen. De natuur zelf wel. Dat zagen die bestuurderen ook. Maar een hek eromheen en dat dan plechtig verklaren tot De Nieuwe Wildernis? Het maatschappelijk gedonder met het bijvoeren of afschieten van al die verkommerende dieren had iedereen genoeg te denken moeten geven dat dieren geen stoffering van dat rare wildernis-idee zijn. Dat is allicht geen natuurlijk landschap, geen volwaardig ecosysteem. Aan die kassa bij de toegangspoort zal de zeearend zich trouwens allerminst storen. Als er maar ganzen zijn. En vis. En een rustige boom voor een nest.
Mijn gevoelens bij de foto van de zeearend hierboven zijn gemengd: jeumig wat een mooi wezen! En dat gewoon in een weiland waar je net nog soezelend op een grasstengel lag te sabbelen! Maar ook: van zo dichtbij krijg je een zeearend natuurlijk van je never nooit niet te zien. Je hoeft jezelf wel niet een halfjaar hoog in een zwiepende boomhut vast te sjorren, maar toch. Enige afstand tot de wildernis is gewenst.
Ik kwam de foto tegen in een artikeltje bij Vogelbescherming.nl, als uitverkozen foto van de maand februari 2023. En later dezelfde foto nog een keer bij het bericht dat de Universiteit van Amsterdam studenten een summer-course Vogelen aanbiedt ( https://www.uva.nl/en/programmes/summer-courses/birds/birds.html ). Die twee zaken hebben niets met elkaar te maken. Nu hoop ik maar dat studenten die zich hiervoor intekenen de juiste verbanden leren te leggen. Het lijkt mij een geweldig verrijkende cursus. De ontmoeting met een echte zeearend ook.

Ergens in mijn hoofd huist een fenologische agenda: week 6, merels! Daar trekken die merels zich natuurlijk niks van aan. Die numerieke agenda is ook maar iets uit de tijd toen ik nog voor de klas stond en het schoolleven daardoor gedicteerd werd. Maar: mijn alert zijn op het eerste merelgezang – en het échte moment dat-ie daadwerkelijk begint te zingen. Iedereen voelt de veranderingen die al een zweem van voorjaar aankondigen.
Het komt allemaal heel precies in de natuur. Er zijn buiten geheimzinnige processen gaande waarover je niet nadenkt als je een boterham smeert of de post doorneemt. Die gaan over schimmels, zaadjes en eitjes, beestjes die je niet kunt zien maar die toch heel belangwekkend zijn. Die gaan over temperatuur en licht, beschikbaarheid, ontvankelijkheid, wederzijdse afhankelijkheid, een verbijsterend aantal zaken die allemaal voor elkaar moeten zijn aleer die merel weet: Nu! En losbarst.
Lijster en merel horen tot dezelfde familie, net als trouwens de koperwiek en de kramsvogel. Waarom zingt de lijster als eerste? Waarom vertrekken de koperwiek en de kramsvogel weer richting het noordoosten als je hier weer in je hemdje buiten kunt zitten?
Het gedicht van Herman de Coninck dat ik gisteren aanhaalde kwam spontaan opwellen. Dat ligt ook ergens diep verborgen in mij, ook daar zijn geheimzinnige processen gaande. Wie dat denkt te kunnen verklaren met ‘Kunst, associaties!’ verklaart helemaal niks. De kunst niet, de mentale processen niet en het verlangen al helemaal niet.
Verlangen is de herinnering aan iets dat komen zou. Verlangen is een beekje dat met een ander beekje samen verder gaat, dat een riviertje wordt en op weg gaat naar zee. Ze hebben het geruis van de zilverfabriek van de zee gehoord. Dit alles was weer zeer nabij toen we vorige week in Zuid-Limburg rondzwierven. En het onderscheid tussen het murmelen van het beekje en de zang van de lijster weg viel.
Verlangen is de herinnering aan iets dat vertrouwd is als de hartslag, intiem als de ademhaling, als iets dat zich steeds herhaalt en nooit hetzelfde is.
Ik dacht aan een keer dat we het gedicht in de klas bespraken. Dat ‘Vingerafdrukken op het venster’ wel een heel erg treffend beeld is voor een gedichtje: dóór het taalspel, de klanken en het ritme, de stuwing van het gedicht, kijk je naar de werkelijkheid. Als door een venster, waarachter een kind vol ongeduld wacht tot de dageraad de dingen zichtbaar maakt, de wereld kleur en geluid geeft, gestalte geeft, en kracht en duur, de wereld wakker en levend wordt.
‘Moeten we bij Nederlands nou ook nog weten hoe een lijster klinkt?’ was het wederstrevende commentaar bij de laatste regel. Ja, juist bij poëzie moet je de vogels leren verstaan. Zonder poëzie is het leven een agenda.
Vingerafdrukken op het venster
Ik denk dat poëzie iets is als vingerafdrukken
op het venster, waarachter een kind dat niet kan slapen
te wachten staat op dag. Uit aarde komt nevel,
uit verdriet een soort ach. Wolken
zorgen voor vijfentwintig soorten licht.
Eigenlijk houden ze het tegen. Tegenlicht.
Het is nog te vroeg om nu te zijn. Maar de rivieren
vertrekken alvast. Ze hebben het geruis
uit de zilverfabriek van de zee gehoord.
Dochter naast me voor het raam. Van haar houden
is de gemakkelijkste manier om dit alles te onthouden.
Vogels vinden in de smidse van hun geluid
uit, uit, uit.
(Herman de Coninck, Vingerafdrukken, Amsterdam 1997).

In allervroegte
lucht de lijster zijn gemoed:
tttrrrr! tjuwie?! tjuwie?!
_____
Opm.
Afgelopen week waren we in Zuid-Limburg. Het heuvelland. Nee, het dalenland zeggen geologen, die er toch weer anders naar kijken. Het Mergelland dan. De Geul, de Gulp, al die beekjes. Een landschap waar je in bent, waar je mijmerend kunt gaan. Of fietsen, want die hadden we deze keer mee. De holle wegen, de stegelkes, de kruuskes, de kapelletjes langs de weg. De maretakken in de populieren.
Waar we verbleven keken we vrij uit op de tuin, daarachter ging een pad omhoog. Verderop, onzichtbaar achter een bocht, lag de Sousberg. Dat bleek nog een hele klim. De jaren beginnen te tellen.
Aan de tuinvogeltelling zouden we niet meedoen. Dit was onze tuin niet, we hebben niet eens een tuin. Dat vond ik zelf ook wel een flauwekulargument en naar de vogels kijken deden we toch. Er kwamen vooral koolmeesjes op de voederplek aangestoven, vinken en enkele pimpeltjes. Was het erg dat die nu niet meegeteld werden?
Terwijl ik zo in die tuin kijkend stond te peinzen over de relevantie van deze prachtige vorm van burgerwetenschap – er kunnen niet genoeg mensen mee bezig zijn! – merkte ik dat mijn oren vooral gespitst waren op het horen van de eerste merel dit jaar. Dan zou alles weer goed zijn. Het onbarmhartige knarsen van de raderen van deze krankzinnige tijd zou tot stilstand kunnen komen. De omstandigheden waren goed, de mezen buitelden al over elkaar met het voorjaar in hun kop. Het was misschien alleen nog wat vroeg in het jaar.
Toen weerklonken in de ochtendstilte opeens de repeterende strofen van een zanglijster. Hij zat ergens voorbij de bocht, je kon ‘m niet zien maar zijn roep vulde het hele dal, tot waar ik achter het venster stond, boven de tuin. Vogels vinden in de smidse van hun geluid, viel mij in, naar het gedicht van Herman de Coninck. En, je kunt verlangen wat je wilt, het leven zelf tovert altijd weer iets anders.
uit, uit, uit.

Sneeuw nog in de lucht
maar mezen tikkeren al
over lentelicht

Roodhalsgans temidden van brandganzen | foto Adri de Groot
Zou die ene gans met die rode hals het besef hebben dat – ie ver van huis is? Verdwaald? Wanderlust? In z’n eentje? En zouden die andere ganzen zijn anders zijn meteen opmerken? Of mag – ie er gewoon bij, zonder vragen? Waarom dan? Of is er geen waarom?
Ik zit al twee grijze dagen geboeid te lezen in de aanstekelijke reisverslagen van de ecoloog Herbert Prins (De wijsheid van eksters; over de rand van de wereld. Amsterdam 2024). Het vertrekpunt van al zijn reizen door heel Eurazië is weinig verrassend: thuis. Maar wat is ‘thuis’ eigenlijk? Hoeveel flora, fauna en landschap moet er veranderen als het niet meer als thuis aanvoelt? Die vraag gaat voorbij het trekken van biogeografische grenzen. En nog veel verder voorbij die van staatsgrenzen, al blijken die bij de roodhalsgans merkwaardigerwijs toch wel van betekenis.
De pagina’s die Prins wijdt aan de roodhalsgans hadden nooit zozeer mijn aandacht gehad als ik die vogel niet zelf wel eens had opgemerkt op Wieringen. Je herkent ‘m meteen. Hé, een gans met een rode hals. Hoe zou die nou heten? Ik zocht het even na op http://www.wierhaven.waarneming.nl van de Natuurvereniging op Wieringen en ja hoor, daar is – ie de afgelopen week weer gesignaleerd. Het blijkt een paartje. Die heb ik nu dus niet zelf gezien, ik zwerf in de geest zogezegd.
In deel II van zijn boek trekt Prins met een aantal collega’s op zoek naar die ganzen door de Koema-Manytsjlaagte. Die laagvlakte ligt ten noorden van de Kaukasus, tussen de Zwarte en de Kaspische Zee in. Dat er in de Sovjettijd groot gedacht werd herinnerde ik mij levendig bij Westerman in Ingenieurs van de ziel gelezen te hebben. De sovjets draaiden er hun hand niet voor om rivieren van loop te doen veranderen. Maar ik wou het even helemaal niet hebben over Paustovski. Of over de 30.000 dwangarbeidkampen van de Goelagarchipel waarvan de bewoners dat grote denken allemaal ten uitvoer moesten brengen.
De roodhalsgans broedt tijdens de korte zomer in de arctische toendra op het Siberische Tajmyr, waar ook rotganzen en brandganzen broeden. Prins verwachtte ze nu in het vroege voorjaar nog in die laagvlakte te zien. Maar daar waren ze niet.
Een Russische collega weet dan het volgende te vertellen. Na de ineenstorting van de USSR stortte er nog veel meer in. Zo viel de irrigatie in Zuid-Rusland weg en verdwenen tienduizenden hectares wintertarwegebied. Het werd een wildernis. Iets anders gold voor het zuidelijker gelegen Azerbeidzjan waar ook veel tarwe verbouwd werd. Dat land had zich los gemaakt van de USSR en, niet langer onder de knoet van een centraal gezag, gingen boeren zich toeleggen op de wijnbouw. Enfin, einde wintervoedselgebieden voor de ganzen. Waar moesten ze in het najaar nou heen?
In 2007 werd Bulgarije lid van EU. Dat bleek vanwege de landbouwsubsidies goed voor de Bulgaarse boeren en voor de ontwikkeling van de akkerbouw. Dáárheen dus. Zo ver is dat tenslotte niet voor een gans. En een enkeling durft dus nog verder te vliegen. Al kan dat ook zomaar te maken hebben met de nauwe verwantschap tussen roodhalsganzen, brandganzen en rotganzen. Die verschillende ganzen delen meer dan je op het eerste oog zou zeggen.
Jeumig, denk ik dan. Wij krijgen die roodhalsgans hier te zien door wat er zich ver van huis allemaal afspeelt. Ver is ook maar betrekkelijk.

Gısteravond laat kwam het berıcht bınnen dat de formerende partıjen er ın prıncıpe uıt zıjn: er ıs een regeerakkoord! Nu alleen nog de puntjes op de ı. “Wıj hebben er zın ın!” En ja hoor, je kon ze zıen glımmen van de zın. Nu dus alleen dıe puntjes nog.
Beroepshalve heb ık mıj lang met taal bezıggehouden. Nu ben ık ın ruste, zoals dat heet. Maar de taal houdt zıch nog wel ıedere dag met mıj bezıg. Ik weet van dıe puntjes. Dıe zıjn het lastıgst.
Over de polıtiek zal ık mıj nu maar niet uıtlaten. Geen zın ın. Ieder zıjn stıel. En ık kijk ook alleen maar naar de plannen door mıjn eıgen rıetje. Maar zal het lukken uıt de stıkstofcrısıs te geraken?

O v e r h e t w a d
De ochtend wordt
op weergaloze wijze.
Er zijn geen woorden voor
dit wad. En dan:
Hoe zou ik sprakeloos
nog namen kunnen geven?
De wind, de wind
hij fluistert, vat mij aan
hij voert mij door dit al

Kanoeten op het Wad op zoek naar schelpdieren | Foto © Jan van de Kam
In het midden van de jaren ’70 besloot een eigenzinnige bioloog onderzoek te gaan doen naar de trekroute van een vogeltje dat hij kende van de Waddenzee. Dat vogeltje was de kanoet, die onderzoeker was Theunis Piersma.
In de jaren ’90 woonde ik in mijn eentje op Wieringen. Mijn ramen keken uit op het Wad, Mijn dagelijkse wandeling ging langs de dijk van Oosterland naar het schor bij Den Oever. Daar leerde ik de kracht van de getijden kennen. En met het komen en gaan van het water de vogels. Hoe die allemaal uit elkaar te houden?! Ik leerde hoe iedere soort in dat oneindige spel van water en aarde, van lucht en licht, zout en slib een plekje onder de zon vindt.
Het was daar en toen dat het inzicht in het belang van de trekvogelecologie mij op zekere dag zonneklaar werd. Bijna schreef ik ‘geopenbaard’ maar dan verzeil ik ongewild in te etherische sferen. Ik bedoel, het eerste hoofdstuk van het boek Genesis kan er literair misschien nog wel mee door maar bij wat zich iedere dag op het Wad aan wonderen voltrekt verbleken die versregels als uitgesproken armoedig. Om van de godsdienstige claims maar helemaal te zwijgen. Ik leerde mij verwonderen.
Wat heeft Piersma in die halve eeuw gedaan? Ik vat het maar even oneerbiedig samen: kijken. En meten en wegen. Overdenken. Om zijn bevindingen vervolgens te publiceren. Die ga ik dus niet overschrijven. Hij verzamelde mensen uit tal van landen om zich heen die door zijn geestdrift werden aangestoken. En die hij nu als hoogleraar trekvogelecologie aan de RUG begeleidt als postdoc of promovendus.
Een ietsepietsie van al zijn inzichten werd mij geopenbaard aan de Wieringse waddenkust toen ik mij voor het eerst realiseerde dat dat vogeltje dat ik had leren onderscheiden als kanoetstrandloper helemaal in Siberië broedde, in het najaar op het Wad kwam opvetten en daarna doorvloog naar de Banc d’ Arguin voor de kust van Mauritanië of nog verder. Of die andere kanoet, die hier overwintert en dan via IJsland over Groenland heen naar het broedgebied in Noordwest Canada trekt. Vlak voor mijn huis stonden vier continenten rechtstreeks met elkaar in verbinding. En dat waren nog maar twee van de zes ondersoorten. Op de kaart:

Trekroutes van de zes kanoetstrandlopers. De Aziatische ondersoort is inderdaad naar Piersma vernoemd. Maar zie vooral https://www.globalflywaynetwork.org/ en https://www.birdeyes.org/
Wie denkt dat het onderscheiden van die ondersoorten alleen iets is voor ornithologen met een passie voor kruidenieren vergist zich. De vogels zelf interesseert het geen fluit, dat is waar, maar door die onderscheiding in ondersoorten kunnen specifieke beschermingsmaatregelen worden genomen. En afgedwongen. Is dat nodig? Ja.
Op het vlak van onze menselijke verantwoordelijkheid voor de natuurlijke leefomgeving heeft Piersma zich ook onderscheiden. Door zijn inspanningen werd de wet op mechanische kokkelvisserij in 2005 van kracht.
Maar fundamenteler nog zijn de inzichten die Piersma presenteerde met één van zijn promovendi, Thomas Oudman. In hun gezamenlijk geschreven De ontsnapping van de natuur; Een nieuwe kijk op kennis (Amsterdam 2018) laten zij op grond van hun onderzoekingen zien dat met het ontrafelen van het DNA het hele verhaal over bijvoorbeeld een kanoet nog lang niet verteld is. Ecologie (wat is waar voor wie aan eten ‘beschikbaar’ en hoe hangt dat allemaal samen?) is al een ingewikkeld verhaal, maar wat nou als dat DNA helemaal niet zo vast ligt als doorgaans wordt gesteld?
Voor wat ik nu ervan begrijp: de kanoet die ik op het wad zijn kostje bij elkaar zie scharrelen is daar omdat ik er ben. Nou ja, omdat wij er met z’n allen zijn, daar aan de Waddenkust. Want wie denkt dat – ie alleen is heeft nog veel te leren.