[Recensie: Josephine Quinn: Het westen – Een 4000-jarige geschiedenis. Uit het Engels vertaald door Brenda Mudde en Maarten van der Werf. Thomas Rap; 624 pagina’s; € 44,99]
Ready Made, twee kleuters
Jij was de goeie en ik was de slechte. Ik wil liever de slechte zijn. Nee, ik ben de slechte. Jij bent de goeie. Waarom moet ik altijd de goeie zijn?
Waarom wil jij niet de goeie zijn? Twee goeien is niet spannend. Mag ik dan straks de slechte zijn? Straks. Maar nu ben jij de goeie.
De hele zondagmiddag ging zowat op aan wat Marco Rubio nou precies gezegd heeft in de Bayerischer Hof. Jeumig, wat werd ik daar sikkeneurig van. Drie keer heb ik zijn speech * bekeken en toen ik mij ten derde male nog steeds in het ootje genomen voelde, ben ik ‘m maar gaan uitschrijven. Met de vulpen. Was het nou werkelijk zo’n goed betoog dat ‘t zo’n instemmend applaus verdiende?
Het viel mij op dat Rubio een aantal keren haperde. Ook maakt hij af en toe slikbewegingen die ik niet helemaal thuis kon brengen. Wellicht onverteerde pitjes van vruchten die onlangs genuttigd waren en die nog in de mond rondzwierven. Nou ja, Demosthenes sprak met steentjes in de mond.
Haperingen of zelfs versprekingen zijn op zich niet erg natuurlijk, dat kan de besten overkomen. Onze eigen koning bijvoorbeeld toen hij het ganse Indonesische volk excuses aanbood voor in het verleden geleden ongemak. Maar dan hebben we het over voordrachtskunst, over hoe je de boodschap brengt. En de koning heeft niet op de toneelschool gezeten, die studeerde geschiedenis. Rubio ook niet, die is jurist. Ach, ’t zijn ook maar ‘Fehlleistungen’, bedacht ik tijdig, een kniesoor die daar zout in wrijft.
Terzake de inhoud raadpleegde ik alle handboeken over de redeneerkunst, te beginnen bij Aristoteles’ onovertroffen Retorica. Haalde Rubio er tenslotte zelf niet ook de hele Westerse Beschaving bij? Dat trof want met dat boek van Quinn ben ik juist bezig me daarover eens een ferme en houdbare mening te vormen. Met welke Logos, Ethos en Pathos wist Rubio de handen van zijn gehoor gelijkgestemd op elkaar te krijgen?
Ik ga nu niet recapituleren tot welke bevindingen ik kwam maar alles in de redevoering klopte! De logos, de ethos en de pathos konden niet anders dan tot handgeklap leiden! De hele speech geleek ook tot in de kleinste details op andere redevoeringen, bijvoorbeeld die waarmee Poetin zijn claim op Oekraïne het wereldpubliek als legitiem voorschotelt. Of die van Xi Jinping die Taiwan fijntjes aan haar provinciale status herinnerde. Verdienden die niet ook warm applaus? Misschien, zo bedacht ik terwijl ik in mijn geanalyseer vorderde, hebben zij wel van de diensten van dezelfde voortreffelijke ghostwriter gebruik gemaakt. Want uit ervaring weet ik, zo’n redevoering schrijf je niet zomaar, dat is een vak.
Mijn vrouw bezag mij. En zag met groeien van de volgeschreven papieren ook mijn radeloosheid toenemen. En had zorg over ons voorgenomen museumbezoek op de zondagmiddag. Zij kent mij zoveel beter dan ik mijzelf ken. Zij kent ook mijn neiging dat als ik op een boek, of een redevoering, iets aan te merken heb dat meestal gaat om iets waarover het in dat boek of die redevoering nou juist niet te doen was. ‘Zie ik je vanmiddagnog op deze aarde?’
Dat zei ze dus, woordelijk, met nadruk op deze. Ik hoorde wel dat ze graag naar ’t museum wilde en ook nog dat ze iets zei over dat ik niet had doorgeleerd voor de geopolitiek. Maar mijn aandacht bleef hangen op het woordje aarde.
Een bliksem uit de hemel had mijn schrijftafel niet helderder kunnen verlichten. Dat was het! Rubio had het niet over de aarde, hij had het over de globe. De aarde, dat is kracht en kwetsbaarheid. De globe, dat zijn staten en machtspolitiek.
Ik prijs nog de dag dat David van Reybrouck, de Denker der Nederlanden, mij dat onderscheid duidelijk maakte. En mijn vrouw natuurlijk, dat die mij daaraan weer even liefdevol herinnerde. Over beschaving maar weer een andere keer.
Mijn onrust, ongemak en wrevel kwamen voort uit een kolossaal misverstand. Van mij, want ik las gewoon niet goed. Bij deze planeet denk ik aan de aarde en Rubio aan de globe. Maar Rubio kwam niet helemaal naar het Bayerischer Hof om tuinadviezen te geven. Daarvoor heeft hij ook niet doorgeleerd.
Van het museumbezoek kwam niks meer. Maar dat had andere redenen. Of oorzaken, daar wil ik van af zijn.
Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1569), De (kleine) toren van Babel, 1563
Het is nogal moeilijk bij ‘de toren van Babel’ niet aan dat ene schilderij van Pieter Bruegel denken. En het is net zo moeilijk niet te menen dat ‘de Westerse beschaving’ joods-christelijk-humanistisch gefundeerd is. Zowel in beeld als in denkbeeld lijken we vast te zitten.
Wie dat toch probeert komt mensen als bijvoorbeeld Marco Rubio tegen, in München bijvoorbeeld, want de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken weet heus wel waar Europa woont. Hoed je dan maar. ‘What if I don’t?’ Vraag het niet. ‘You’ll soon find out.’
Ik dramatiseer natuurlijk geweldig maar ook in dit deel van de zogenoemd vrije wereld valt er wel iets af te dingen op vrijheid van geloof. Ook op andere vrijheden trouwens. Daarover beschaafd een gesprek voeren valt nog steeds niet mee. Een Babylonische spraakverwarring ligt niet alleen spreekwoordelijk in het vooruitzicht. Wat bedoelen die Amerikanen toch in vredesnaam met ‘civilisation erasure’, de uitwissing van beschaving? Dat de hunne beter is? Ik ga Rubio niet de maat nemen met mijn definitie van vrijheid, democratie, rechtstaat, en nog zo wat waarden, maar No thanks. Mag dat?
Het is helemaal niet zo moeilijk uit te leggen dat Bruegel eigenlijk gewoon een vakantie-impressie schilderde. Nee, niet van Babylon want dat bestond toen al lang niet meer, maar van Rome, waar hij het Colosseum moet hebben rond gekuierd. ‘Als ik daar nou – es een verdieping of wat bij fantaseer dan is het net de toren van Babel.’ Dat weten we natuurlijk niet zeker, net zo min als we weten waarom hij vond dat dat wel een bruikbaar onderwerp voor een schilderij zou zijn. Wat had hij ermee voor? De 16e eeuw staat tenslotte niet bekend als tolerant in godsdienstige zin.
Het vergt iets meer moeite om uit te leggen dat het hele idee van die toren van Babel uit het Bijbelboek Genesis stamt. Allicht, zeggen gelovigen dan, dat is toch het Boek der Boeken? Hm, er zijn ook andere boeken uit die tijd, zelfs oudere. Betrouwbaarder ook als het bijvoorbeeld gaat om het ontstaan van alle talen in de wereld. Dan heb je helemaal niks aan mythen.
Zodra je belandt in de discussie of je die passage (en de rest van de Bijbel) letterlijk of allegorisch moet opvatten weet je dat je een strijd verloren hebt die je helemaal niet wilde aangaan. Leg Rubio, of zijn baas, maar eens uit dat hoogmoed ten val komt. Ja, dat staat óók in de Bijbel. ’t Zou stom zijn als dat niet zo was want ieder verstandig mens wist dat al lang toen Genesis nog geschreven moest worden.
Ik ben niet de enige die van de huidige politiek van het zelfverklaarde ‘Gods Own Country’ weinig meer begrijpt. Het boek van Quinn (Het Westen) helpt me maar een heel klein beetje hoe het historisch nou zit met die waarden en met de ontwikkeling van democratie en rechtstaat. Maar ik ben ook pas halverwege, bij de plaatjes. Die zien er heel anders uit dan Bruegel ze schilderde.
Met een schuin oog volg ik het nieuws. Ik kan moeilijk kiezen welke van de twee ik het lelijkst vind: het arrogante vertoon van botte overmacht of het even arrogante vertoon van de misplaatste morele superioriteit die spreekt uit ‘ik wens jou mijn geloof zo toe.’
Als een baby kan zitten wordt het tijd voor de blokkendoos. Je hoeft niet eens uit te leggen wat de bedoeling is – alles gaat vanzelf. Wat een pret!
Als het niet meer vanzelf gaat, is er iets gebeurd. Niet met de blokken maar in het hoofd. Ontwikkelingspsychologen spreken van een ontwikkeling. Of zelfs van vooruitgang. Goed jôh! We zullen zien. Maar meestal komt er ruzie.
Versneld afgespeeld leidt de ontwikkeling bij de ene peuter tot een architectenopleiding. Een andere gaat verhalen vertellen. Een derde nummert alle blokjes en sorteert ze op rangorde. Een vierde ‘doet in vastgoed’. Een vijfde . . . te veel om op te noemen.
II.
Avond. De blokken worden opgeruimd. Sommige blokjes hebben geen zin meer in de doos. Ach, laat ook maar.
III.
Volgende ochtend. Oom komt langs. Of tante. Hé! Watskeburt?! Leuk gespeeld? Oom, of tante, aan het puzzelen. Als deze nou hier stond, en als je nou die daarop . . .
IV.
Er is een mooi verhaal over zo’n toren. Babel heet ‘t. Met babbelen heeft dat niks te maken, ook al zijn er mensen die beweren van wel. En ook al babbelen mensen er al millennia lustig op los. Het probleem zit niet in de blokken maar in de taal.
Dit was de beste toren! Nee deze, want deze was hoger! Maar deze was mooier!
Zie je wel, ruzie! Dat krijg je ervan als die blokken in je hoofd gaan zitten.
V.
De blokkendoos: Josephine Quinn, Het Westen; een 4000-jarige geschiedenis (Amsterdam 2025)
Het lijkt mij niks leuk in een dictatuur te moeten wonen. Je zal op straat toch de hele tijd tegen de beeltenis van je onderdrukker moeten aankijken. En dan op straffe van heel erge straf iedere keer diep moeten buigen. Of door de knieën moeten zijgen. Of de grond met het voorhoofd moeten raken. Of uit het hoofd een 51-strofig lied moeten zingen dat het volkslied is komen te vervangen. Dictatoren vragen de onmogelijkste dingen op de onmogelijkste tijden. Slechts twee dingen zijn zeker: ’t is iedere keer meer en je doet het nooit goed. Nee, ik noem geen namen of landen. Feind hört mit.
’t Kan nog erger. Dan doorzie je wel hoe gemeen en doortrapt de Don is maar prijs je hem op voorhand. Overal is Hij. En Hij is Genadig. En Goed. Je draagt een foto van de leider in je portefeuille, waarop die hand als je het lied uit eigener beweging inzet. Niet uit angst dat je een coupletje zult vergeten maar omdat je denkt de don zo te kunnen outsmarten: de don is namelijk een beslissend haartje immoreler en wreder dan jij – en vooral, hij is dommer. Als het eigen kas spekken mis loopt kun je hem altijd nog de schuld geven. Hoe ging dat ook al weer? Wir haben es nicht gewusst.
Het allerergste lijkt me als iedereen wel weet hoe fout het zit en het gepluimstrijk toch aanhoudt. Omdat, om zo te zeggen, Allen doch Butter auf dem Kopf haben. Maar liever niet in het Duits omdat dat verwarrende associaties oproept? Ook al goed, everyone has butter on their head. Vooruit dan, and even more precisely, everyone has oil on their head.
Dat ik zo over die olie moet beginnen te zaniken heeft allicht te maken met het feit dat His Most Splendid President Ever gisteren met een Big Smile ook de laatste stutten van een zinnig klimaatbeleid heeft weggeslagen. En vandaag of morgen in München zal Hij een Zijner Paladijnen dat huiveringwekkende liedje op de maat van ‘Drill, baby, drill!’ weer luidkeels laten aanheffen. Niemand zal veilig zijn en gruwelijke straf zal volgen voor iedereen die niet wil meezingen. Olie is een smeerboel.
Sinds woensdag ben ik mij door een baksteendikke studie aan het werken waarin beweerd wordt dat ‘beschaving’ een uitermate onhandig begrip is dat maar leidt tot zeer dubieuze superioriteitsgevoelens.* Als ik reflecteer op wat de zogenoemd Westerse Beschaving de mensheid heeft gebracht zou ik zelfs menen een misplaatst begrip: een leeggeplunderde en verkrachte planeet. Met daarop mensen en dieren die zich nergens veilig weten. Dat is geen beschaving maar de ultieme beschimping van waardigheid.
Ik begrijp heel goed dat Quinn geen zin had de hoofdstrekking van haar boek toe te komen lichten in het land waar haar ideeën verketterd worden door mensen die het boek niet gelezen hebben. Alle wetenschap wordt daar inmiddels gebrandmerkt.
De vraag is niet of Quinn gelijk heeft. Of ik. De vraag is ook niet of Trump c.s. overtuigd kan / kunnen worden van zijn / hun abjecte ongelijk. De vraag is in wat voor wereld wij met elkaar willen leven. En wat voor lied daar bij hoort.
_____
*Josephine Quinn, Het Westen; een 4000-jarige geschiedenis, Amsterdam 2025
Ik las Een haas in huis van Chloe Dalton gistermiddag in één ruk uit maar vind het moeilijk te zeggen of dit boek gaat bijdragen aan de vergroting van ons natuurbewustzijn. Zeker, bij vlagen vond ik het ontroerend. ‘Ik heb de haas niet getemd, de haas heeft mij tot bedaren gebracht’, concludeert Dalton ergens aan het eind van haar verslag. Of is het een persoonlijke getuigenis? Hoe dan ook, met haar bevinding kan ik deemoedig instemmen en vermoedelijk zullen er wel een paar passages boven komen drijven als ik weer eens hazen in het vrije veld zie rondspringen. Maar mensen ‘met hart voor de natuur’ hoeven niet overtuigd te worden van de noodzaak van een respectvolle omgang met dieren, mensen voor wie de natuur louter gebruiksruimte is voor hun verdiengemodelleerd bedrijfsplan zullen het niet lezen. Wat blijft schrijnen is de droevige staat van onze planeet.
Mijn oordeel of ik het ook een goed boek vind schort ik liever op. Het past in een genre van natuurboeken dat een bloei lijkt mee te maken, vooral na de coronatijd. Dat was me een tijd! Toen gingen de mensen de natuur nog eens in. Of lazen ze er boeken over. De titels van Robert Macfarlane zijn niet aan te slepen, hier te lande doen de natuurstudies van Dik van der Meulen het heel behoorlijk, en ik vergeet allicht de helft. Oudere werken als Silent Spring van Rachel Carson beleven herdrukken, we weten al zo lang wat er schort. Over haar kennismaking met de leefwereld van de haas schrijft Dalton: “Elke ontdekking wees in de richting van een vergeten wereld.” En ook nog: “Het deed me beseffen dat mensen vroeger veel meer betrokken waren bij de natuur en er veel vertrouwder mee omgingen.” Om het in een Bijbelse metafoor te verwoorden: uit wat een paradijs kon zijn hebben we ons angstwekkend ver verwijderd, mens en dier.
Haar boek past in de groeiende reeks waarin het opbouwen van een relatie met één specifiek dier centraal staat, niet zelden uit een sterk persoonlijk gevoeld gemis om iets wat ‘verloren’ is: Helen Macdonald (H is for Hawk, 2014), Catherine Raven (Fox & I; an uncommon friendship, 2021), Carl Safina (Alfie & Me, 2023) en recent Eva Meijer (Muizenleven, 2025), al is dat wat algemeen filosofischer van aard. Als ik dan ook nog de schrijvers uit de kast trek die mij persoonlijk bij de lurven hadden (vooral J.A. Baker (The Peregrine, 1967), Peter Matthiessen (The Snow Leopard, 1978, maar ook al zijn andere boeken) en Charlie Russell (Grizzly Heart, 2002) dan vraag ik mij in gemoede af hoe er ter wereld nog zoiets als bio-industrie kan bestaan. Ook de vaak tergend sentimentele reclameboodschappen van stichting DierenLot ten spijt.
Hebben we iets verloren? Ongetwijfeld. Maar gingen mensen vroeger nou werkelijk betrokkener met de natuur om, zoals Dalton veronderstelt? Dat lijkt mij erg boud gesteld. En overigens, in welk aards paradijs zouden we dan weer kunnen helen? Moet de Hof van Eden uit de tijd van Jac. P. Thijsse hersteld worden? Of liever dat uit de middeleeuwen? De prehistorie dan? Ik hoor de propagandisten van ‘Rewilding’ al bekvechten met de lieden van park- en plantsoenbeheer.
Die paar boeken openen misschien bij een paar mensen de ogen. Met wat geluk. En ik hoed me er wel voor anderen te dicteren hoe zij de natuur moeten beleven. ’t Is hier tenslotte Noord-Korea niet.
Misschien kijken we ooit op deze periode van een herlevende belangstelling voor mens en natuur nog eens terug zoals we nu naar een prent van Dürer kijken: zijn haas is een mijlpaal voor de schilderkunst. Maar daarna moest het in de echte natuur gebeuren. We weten hoe dat ging. Wie temt de mens?
Á propos, zouden de nieuwe ministers en staatssecretarissen aan dit soort boeken toekomen?
Bij Eemnes worden al meer dan een week velduilen gesignaleerd. Dat is bijzonder. Ze dwalen hier wel vaker in de winter rond maar nu is het kennelijk wel heel erg koud in het oosten: het lijkt wel een invasie. Op https://waarneming.nl/species/35/observations/? is precies te volgen waar ze door het land zwerven. Als de uil tenminste als velduil herkend wordt en de waarnemingen gemeld. De weilanden tussen Eemnes, Eemdijk en Eembrugge worden nu getelelenst door vogelaars.
Mijn vrouw berichtte mij dit, of ik daar iets van wist, van die velduil. Ik was juist doende Een haas in huis van Chloe Dalton uit te krijgen (Amsterdam, 2025). Gisteren was ik voor een heel ander boek even in de boekwinkel maar daarvan was net het laatste exemplaar verkocht. Bestellen, of even door naar Scheltema? ging er door mij heen. Dat er een grote stapel van dat bestsellende boek van Dalton op tafel lag had ik toen al gezien. ‘More than a wildlife memoir, a masterpiece’ ‘exceptional’. Dit soort verkooppraat werkt bij mij doorgaans averechts. Toch ben ik dus gezwicht. Omdat dat andere boek niet meteen beschikbaar was?
En nu verken ik mijn ongemak.
Zelf een velduil zien is inderdaad een heel bijzondere ervaring – ik herinner mij de mijne nog haarscherp. Je ontfermen over een hulpeloos schepsel is ook van een bijzondere orde. Nu heb ik zelf nog nooit een haasje van één dag oud in handen gehad maar het valt niet moeilijk me iets bij de opgeroepen gevoelens voor te stellen. Daltons beschrijvingen maken zacht. Ook.
En toch, dat ongemak. Kiest die velduil voor al die menselijke nieuwsgierigheid? Dat haasje? Is er consent?
Ik bedoel, het is als met de kwaliteit stilte. Zodra je die benoemt is die weg. En als je met z’n allen roept hoe stil het wel niet is heb je lawaai. Of, anders gezegd, met een bouwlamp de nacht belichten en dan beweren dat dat duisternis is.
De natuur is zeker buitengewoon bijzonder en zonder die te observeren wisten we helemaal niks van dit wonderbaarlijke leven. Of van onszelf. Misschien zit mijn ongemak in mijn gevoel van lompheid.
Ik ga vandaag niet naar Eemnes. M’n boek krijg ik misschien nog wel uit.
Deze haiku ontstond ergens in de jaren negentig toen ik op een fraaie zomeravond weer eens een roerdomp hoorde op Wieringen. Het onmiskenbare geluid brengt mij altijd meteen terug naar de allereerste keer dat ik hem heb gehoord. Dat was twintig jaar daarvoor, met mijn eerste grote liefde. We roeiden over het stille Waardkanaal, niemand kwam daar, ’t was zomeravond. De wereld was van ons. Zo zou het altijd blijven.
Zo bleef het niet natuurlijk.
Maar ergens in mijn bewustzijn leeft die stille zomeravond voort. En weet ik dat wat we toen in elkaars ogen zagen er nog altijd is. Nee, niet meer met elkaar natuurlijk, die kans hebben we gehad. Maar dat wonder. Die vraag en dat antwoord ineen.
Dat alomtegenwoordige heeft niks met god te maken. Van god weet ik niks. Wie daarover begint vergeet dat je ’t zelf moet doen. Ik herlees de haiku om me daaraan te herinneren. Steeds opnieuw.
Om een levende roerdomp weer in het riet te kunnen horen hoempen zullen we een paar maanden geduld moeten hebben. Alleen ongeduld maakt dat wachten naar.
Om de imponerende balletten van de kraanvogel te kunnen zien moet je naar het oosten van het land maar de reigers kunnen er ook wat van. Iedere keer als ik er langs fiets vind ik het verbazingwekkend dat reigers in bomen kunnen nestelen. Toch is het zo en ook nog eens gewoon in de stad. Er zit zo’n kolonie in het Baanakkerspark hier vlakbij. Ik ben gistermiddag even wezen kijken, ’t was lenteachtig en ze waren al volop met takken in de weer. Waren ze nou waarachtig al aan het broeden? Dat is ook nog zoiets wonderlijks: ze broeden in kolonies, hier met wel zo’n vijfentwintig bij elkaar. Biologen vinden daar geen sluitende verklaring voor, reigers zijn helemaal niet zulke aaibare of sociale dieren. Maar wat een elegantie als ze aan komen zeilen en dan met de vleugels breed uitwaaierend op de lucht rustend proberen de zwaartekracht te overwinnen. Die lange poten die er maar wat onder lijken te zwabberen maar precies op het juiste moment in die schijnbaar ordeloze hoop takken die het nest moet voorstellen naar houvast grijpen. Evenwicht. Gratie.
Nee, niet ‘net kraanvogels’, want als je gaat vergelijken blijf je bezig. En de vergelijking valt dan altijd beroerd uit voor degene aan wie je om heel andere redenen al even ongegrond een pest had.
Een heel andere karakterstudie toont de documentaire Schoffies (Marc van Fucht, 2006; https://npo.nl/start/afspelen/schoffies_1 ). Daarin wordt de reiger geportretteerd als echte Amsterdammer. Dan hangt ‘t er maar van af wie je vindt een ‘echte’ Amsterdammer te zijn. Een levend en af en toe vermakelijk portret levert het wel op, óók van de mensen die zich om de reigers bekommeren. Of zich daar weer gruwelijk aan ergeren vanwege de kostprijs ener koikarper. Goudvis of koikarper is hen om het even zolang er in de vijver maar vis glinstert.
De reiger een stadsbewoner? Jazeker, en dat al vanaf de dertiende eeuw. Nou ja, Amsterdam was toen nog lang geen stad maar ‘de rheygers’ zijn de eerste vogels die in het stadsarchief van de stad genoemd worden. Door Ghysbrecht van Aemstel, jawel, dezelfde. Dat is niet zo gek als je bedenkt dat de Amstel een veenrivier is en dat Amsterdam uit een moerasgebied zou verrijzen. En als je ook alle bebouwing van na 1300 even wegdenkt. Wat geen onplezierige gedachtengang is.
Naar verluidt is Amsterdam de enige hoofdstad ter wereld met zoveel reigers en reigerkolonies. De stad is daarom zelfs ‘vermaard’ beweren sommige kringen, al moet ik de toerist nog tegenkomen die deswegen de stad bezoekt. Misschien beweeg ik mij in andere kringen; ook mijd ik gewoonlijk de binnenstad. Hoe dan ook, er zijn meerdere kolonies midden in de stad (Artis, Frankeldaal) en dat lijkt nog al strijdig met bijvoorbeeld ook Thijsse’s observatie dat je een reiger niet makkelijk van nabij kunt leren kennen: “Ze zijn geen al te beste bejegening gewoon, noch van mensen, noch van dieren en zien daarom in ieder bewegend wezen een vijand, in iedere ongewone omstandigheid een gevaar.” (Jac. P. Thijsse, Het Vogeljaar, 1903). Maar toen werden reigers nog allerwegen bejaagd: als welkom boutje voor op tafel, de sierveren voor op dameshoedjes of gewoon uit broodnijd door de vissers.
Als je je er toch aan waagt natuur en cultuur te overdenken, of de scheidslijn tussen die twee tracht te tekenen, dan ben je van gisteren nog niet klaar. Ook vanmorgen laat ik het onbeslist. Het volgende gedicht gaat wel over een echte reiger die Chr. van Geel in de weilanden rond het Noord-Hollandse Groet zag rondstappen. Maar het is natuurlijk vooral een zelfportret als dichter. In meerdere opzichten herken ik mij.