
zonder het vrouwelijke was de wereld onleefbaar
ik zou een rivier zonder bedding zijn, een zee zonder kust
ik zou de nacht zonder ochtend zijn, een berg zonder top
een weide zonder bloemen, beweging zonder rust

zonder het vrouwelijke was de wereld onleefbaar
ik zou een rivier zonder bedding zijn, een zee zonder kust
ik zou de nacht zonder ochtend zijn, een berg zonder top
een weide zonder bloemen, beweging zonder rust

Christine Webb, De arrogante aap; De mythe van de superieure mens. Amsterdam 2025
Gisteren ‘G.O.A.T.’ , heden ‘W.E.I.R.D.’
‘Weird’ staat in de psychologie voor Western, Educated, Industrialized, Rich and Democratic. En ook gewoon voor ‘wezensvreemd’ (als je Engels spreekt tenminste) maar dat doen alleen die wetenschappers die het maar raar vinden dat de rijke, goedopgeleide, in een geïndustrialiseerd en democratisch georganiseerd land opgegroeide Westerling bij alle onderzoeken als norm en maatstaf wordt gehanteerd.
Is dat dan erg? Vraag eens aan een vrouw die net bij de dokter vandaan komt hoe het was. ‘De dokter denkt dat ik een man ben.’ Zo erg dus.
En dit is nog maar het begin. Het kan nog weirder. Er zijn nog steeds mensen die niet kunnen inzien dat de mens een zoogdier is. Wat is het ‘zelf’ van de mens als je bedenkt dat het aantal bacteriën in je darmen groter is dan het aantal sterren in het Melkwegstelsel?
G.O.A.T. en W.E.I.R.D. hebben met elkaar gemeen dat ze een notie van superioriteit behelzen. Superioriteit roept het idee op van een trap of van een ladder: wie bovenaan komt is de winnaar. Er kan maar één winnaar zijn, de rest zijn de loosers, de mislukkelingen. Het verdrietige is dat veel mensen er zo over denken.
Deze week las ik De arrogante aap van Christine Webb. Ofschoon ik het uit heb, ben ik er nog lang niet klaar mee. Zoals de ondertitel van haar boek aangeeft demythologiseert zij de superieure positie die mens zich vanaf Aristoteles ten opzichte van de natuur heeft aangemeten. Dat is uitermate klemmend omdat we er op deze planeet een zooitje van gemaakt hebben. Webb wijst het ‘exceptionalisme’ – ook wel antropocentrisme of menselijke superioriteit genoemd – aan als de hoofdoorzaak van de ecologische crisis. En ze legt geduldig uit hoe het zover heeft kunnen komen.
Nou, als we dit eenmaal weten moeten we er gewoon mee ophouden onszelf als zo uitzonderlijk te beschouwen. Onszelf als maat van alle dingen zien is een heilloze denkwijze die alleen maar leidt tot vernietiging van alle leven. Mee ophouden dus!
Was het maar zo simpel. Houd maar eens staande dat plastic een slecht idee was. Of autorijden. Of vliegen. Of dat het niet zo slim was om de Hoogste Leider van een land in het Midden-Oosten te ‘elimineren’. Om van hele volkeren nog maar te zwijgen.
De ideeën die Webb in haar boek ontvouwt zijn niet exceptioneel. Integendeel. Veel van haar werk als primatoloog is een voortzetting van dat van Frans de Waal (1948-2024) aan wie zij haar boek in ongeveinsde nederigheid opdraagt. Het duizelt mij nog van alle voorbeelden die Webb behandelt. Maar meer nog van de vraag die het oproept hoe deze inzichten zich laten vertalen naar ander, heilzamer gedrag.
Hoe kom je van wetenschap naar wezenschap?

Naar verluidt gaat Donald J. Trump eind april voor het eerst naar The White House Correspondent’s Dinner. Ik ga niet speculeren waarom want Trump is daar zelf duidelijk genoeg over. Hij beschouwt de uitnodiging als een eindelijke erkenning, namelijk ‘dat ik werkelijk een van de grootste presidenten in de geschiedenis van ons land ben, de G.O.A.T.’, schrijft hij op Truth Social.
Ik voel mij niet geroepen om Trump te beledigen. Hij is zelf allicht als Greatest Of All Time daartoe de eerst aangewezene. Wat mij dwarszit is dat het acroniem g.o.a.t. een belediging is voor de geit. Dat is niet om te lachen.
Het probleem is niet eens zozeer dat Trump dit van zichzelf vindt. Ik vind ook wel eens iets van mijzelf. Dat zijn kleinigheidjes. Een groter probleem is dat zovelen hem ieder moment van de dag in die grootheidswaan stijven en hem de macht toestaan die men veronderstelt bij een president te horen. Of die hij zichzelf toe-eigent. Dat is de grotigheid, de Grote Geit. Hier wordt het al aardig ingewikkeld maar ja, dat is politiek. Ik vind het bordspel go ook erg ingewikkeld. Nochtans hoef ik het niet te spelen.
Het wezenlijke probleem is dat de geit er niets van kan zeggen. Trump zal slechts gemekker horen. Ik kan nu wel gaan argumenteren waarom Trump er zeer verkeerd aan doet zichzelf g.o.a.t. te noemen, en jij-bakken dat hij zelf mekkert, de geit zal hij niet verstaan.
Het probleem zit niet in taal. Taal verhult alleen het werkelijke probleem. Is dat zo? Ja, dat is zo. Neem een schilderij van een geit, bijvoorbeeld een van Jan Mankes. Jan Mankes verstond geiten, kijk maar:

Jan Mankes, De oude geit, 1912
Stel nu eens de vraag wat die geit te zeggen heeft. Niks natuurlijk want het is een schilderij en ‘schilderijen praten niet’. Ook is het maar een ouwe sik.
Let wel, het gaat er niet om of het een mooi schilderij is. Of goed getroffen. Het gaat erom wat het schilderij oproept. Ik beweer niet per se dat dat deernis moet zijn maar ’t zal daar toch wel dicht in de buurt komen. Mensen- of geitentaal schieten deerlijk te kort om uit te drukken wat het is. Maar dat is waar het om gaat.
Zo, en nu naar de echte dieren, de echte natuur. Vort met de geit, de lente in!

Wilde narcissen | foto Daniël Mulder
HET GAAT GOED
Het gaat goed, het gaat zijn gang.
De eerste eenden zijn al uit het ei.
Er zijn ook hele gekke bij, gevlekte.
Honden lopen narcissen van de stelen.
Jongetje komt, raapt ze op, bij bossen.
Betrapt, zegt hij verlegen, verbazing –
wekkend snel: dit is geen stelen
ik neem alleen de losse.
Kan het niet vaker zo raar voorjaars –
achtig, wordend warmer, voller,
wordend groener zijn?
Ja het kan vaker.
Het is al veel vaker dan vroeger.
Judith Herzberg, Beemdgras, 1968
_____
Opm.
Ik zocht dit gedichtje van Judith Herzberg eigenlijk alleen maar op vanwege de vierde regel: ‘Honden lopen narcissen van de stelen.’
In mijn herinnering renden ze en juist dat uitgelatene wilde ik even teruglezen nu de lente is losgebarsten. Kleur, vreugde, geur, vogels kwinkeleren liefde en lust. Maar iedere lente is anders.
Waaraan dacht Herzberg toen ze de laatste regel schreef, ‘Het is al veel vaker dan vroeger’ ? Vast niet aan de klimaatverandering. Die had je in 1968 niet. Het moet iets kleiners zijn, het zijn kleine woorden. En tegelijk iets veel groters dan dat.
Waarom ik dat denk? Vanwege de eerste eendenkuikens die al wel heel donzig achter elkaar door de vijver peddelen. Vanwege wat ik vermoed van Herzberg. De geruststelling dat alles in de natuur, toch, zijn gang weer gaat. Vanwege het ongebroken verlangen naar voorjaar.
In mijn herinnering ging het vooral om die hond. Maar nu ik het gedichtje teruglees gaat het misschien meer om die jongen. Of komt dat door het kolossale morele dilemma waarmee Trump en Netanyahu ons dezer dagen hebben opgescheept? Hun haastig gefabriceerde zelfrechtvaardigingen zijn even stupide als die van de jongen: waarom de schijn van een internationale rechtsorde toch op willen houden?
Klimaat en wereldorde veranderen. Maar zoveel is óók zeker, het wordt weer voorjaar. Als dat niet zo zou zijn was er ook niemand meer om dat op te merken.

Feestelijk gekraagd
– nog een blik in de spiegel –
naar het futenbal!

Grutto’s op het landje van Geijsel | foto Sijmen Hendriks
Groots weerklinkt de lucht
nu er weer grutto’s roepen
boven de velden

Gewone vink; foto René de Waal
Het was afgelopen woensdag al zo alomlenteachtig lenteweer dat het me niet eens opviel dat het wel de allereerste keer dit jaar was dat ik de vinkenslag weer hoorde. Gek, op de komst van andere vogels kan ik mij eindeloos hunkerend verheugen. We zágen ze ook, duikelend van de ene bomenrij in het laantje naar de andere. Ze volgden elkaar, en ons. Op een of andere manier sprak dat allemaal vanzelf. Nu is alles in de natuur ook wel vanzelfsprekend – tot je erover na gaat denken.
Alle omstandigheden moeten in orde zijn: licht, temperatuur, beschikbaarheid van voedsel. Kleine veranderingen doen ertoe. Maar een grote verandering zoals die van afgelopen woensdag – en opeens was het geen grijze winter meer maar een uit z’n voegen barstende lente – is kennelijk té groot, er gebeurt te veel om allemaal te registreren. Alles stond open als bij liefde op het eerste gezicht. Een ongekend weldadig en intens thuiskomen. Alleen diepe meditatie vermag dat ook op te roepen.
We hoorden woensdag alleen de vinkjes, en dan ook alleen omdat ik mij er nu bewust over verwonder, maar misschien roerden zich al veel meer vogels. Dan heb ik die niet gehoord, niet kúnnen horen. Mijn gehoor ‘slijt’. Van alle natuurlijke dingen vind ik dat een van de moeilijkste dingen om te aanvaarden. En ik ben er nog niet aan toe me met spijtige gelatenheid dan maar te werpen op de zeevogels, die zich zoveel kenbaarder maken dan kbv-tjes. (‘Een wat?!‘ wil mijn vrouw weten als ik op haar vragen welke vogel daar voorbijvloog ‘een kbv-tje’ suggereer, een klein bruin vogeltje. Dat worden er steeds meer. Ook komen er gbv’s bij, al kan ik van de grote de kleur vaak nog goed onderscheiden.)
Het ging vanmorgen eigenlijk nog anders. Gisteravond las ik in een interview met Koos van Zomeren in De Groene Amsterdammer dat hij nog steeds nadenkt hoe hij het geluid van een vogel in taal kan vangen. Dat kan natuurlijk niet, maar toch. Bij de zilvermeeuw kwam hij uit op ‘smalende keelklanken’ en dat vond hij uiteindelijk toch goed gevonden. Soit. Van Zomeren heeft mooiere omschrijvingen bedacht, bijvoorbeeld die over het foerageergedrag van de kanoeten: ‘ze naaiden modder aan het wad.’
Maar over de mooi- of lelijkheid van de vergelijking gaat het me niet. Over goed en kwaad gaat het in de natuur evenmin, en nee, de natuur is geen spiegel. Misschien is dat ook wel het bevrijdende van in de natuur rond banjeren. Je kunt er thuis komen.
Ik ging slapen met de gedachte dat Van Zomeren zich nu hij eerdaags tachtig wordt ook is gaan toeleggen op de zeevogels. Het is dan gewoon moeilijker om de staartmezen of de goudhaantjes nog te horen. Over de hinderlijk toenemende beperkingen met het vorderen der jaren heeft hij uitvoerig verteld in We gaan zo (Privé-domein nr. 335, 2025). Dat aanvaarden is trouwens ook een vorm van thuiskomen.
Vanmorgen zag ik dat interview weer geopend terug op mijn schrijftafel. En nu bedenk ik dus dat we woensdag die vinkjes ook gehóórd moeten hebben. Ik weet het zeker. Ik hoor ze eigenlijk nu pas, met mijn innerlijk gehoor.