
Wat fluistert er toch
bewogen door winterwind
en woordeloos licht?
_____
Een heel goed 2026 !

Op de valreep van dit jaar kwam de bundel Binnenstebuiten nog gereed: 52 haiku over wat er buiten in de natuur van week tot week allemaal gebeurt. Net als in Wat van stilte spreekt zijn vogels weer vaak onderwerp van de haiku, maar niet meer exclusief:
Naar alle kanten
open gaan – en verwaaien
hazelt de hazelaar
Smokkelt hier de hazelaar niet een lettergreep te veel mee over de grens van 5? Jazeker, hazelaars kunnen dat! Ga maar naar buiten en zie hoe ze staan te springen om open te gaan. Wat een levensdrang! En, inderdaad, ze verwaaien door de wind, en zo krijg je nieuwe hazelaars.
De bundeling heet Binnenstebuiten maar had ook Ondersteboven of Achterstevoren kunnen heten. Dat zijn prachtige 5 – lettergreepwoorden die precies die bepaalde gesteldheid uitdrukken om een haiku te kunnen beleven. Wat is binnen en wat is buiten? Wat is onder en wat is boven?
In haiku gaat het niet om particuliere gevoelens of gedachtespinseltjes, laat staan een boodschap. Als het goed gaat wordt in de haiku het onderscheid opgeheven tussen wat gezien wordt en degene die ziet. Voor wie wil leren te verwaaien is de haiku over de hazelaar een mooi vertrekpunt.
Het onverbiddelijke haiku-voorschrift 5 / 7 / 5 laat ik wel vaker los. De natuur voltrekt zich volgens geheimzinnige regels maar het leven zelf wordt pas spannend als die doorbroken blijken te kunnen worden.
Waar het om gaat is niet te zeggen, hooguit te suggereren. Bashō dichtte:
Een wolk voor de zon –
trekvogels,
heel even
Als hij de regels wel vol had gemaakt had hij een ruimte gevuld met (talige) rommel. 5 / 3 / 3 suggereert een haiku ( 5 / 7 / 5 ) maar die vogels krijgen ruimte door die niet zelf te vullen. Zie ze voorbij trekken, héél even. Het is een zucht. Het is een eeuwigheid.
De haiku in Binnenstebuiten waren merendeel al in Zinrijk te lezen. Mocht je niettemin belangstelling hebben in een doosje dan moet je me dat maar even laten weten.


Torenvalk | Foto: Sovon Vogelbalans 2024
Afgelopen jaar was het Jaar van de Torenvalk, het komende zal het Jaar van de Steenuil zijn. Chinese astrologie? Nou nee. Who says? SOVON, de Stichting Ornithologisch Veldonderzoek Nederland. Who cares? Tja, het is geen Eurovisiesongfestival natuurlijk. Of het kampioenschap van een of andere moeilijke of dure sport.
Eerlijk is eerlijk, het afgelopen jaar heb ik in de gewone media geen verhoogde belangstelling voor de torenvalk opgemerkt. Maar ja, ik zit niet op Feesboek, Insta of TikTok. En het sjoernaal zit altijd al vol.
Maar ik weet dat er in het hele land heel gewone mensen met dat valkje bezig zijn geweest. Met extra aandacht: waar zitten ze precies? Als lid van een vogelclub: zullen we nestkasten ophangen? Meedoen met de tellingen? Braakballen uit elkaar pulken om te achterhalen wat ze nu precies eten?
Vaak komt mij dit zinvoller voor dan het hebben van ‘een mening over Gaza’. Of ‘een mening over AZC’. Of ‘over Vuurwerk’. Op het sjoernaal krijg je dan te zien dat het juist die MeningMensen zijn (homo non sapiens opiniens) die een onverantwoord kort lontje hebben. Vogels houden niet van vuurwerk.
Ook houd ik civil science voor heilzamer dan het lucht geven aan meningen. Hoe meer mensen oog krijgen voor alle samenhang in de natuur, hoe beter we opgewassen zijn tegen een regering die meent dat de schrikbarend teruglopende aantallen weidevogels eenvoudig aan te vullen zijn door een Gruttofokker in bezoldigde Rijksdienst aan te stellen.
Ik keek er wel even van op toen ik dit bizarre beleidsvoorbeeld tegenkwam in een analyse van de trekvogelecoloog Thomas Oudman. Niet eens zo heel erg en niet eens zo heel lang, moest ik daarna tot mijn veel grotere schrik opmerken: stupiditeit gewent. Wat zou de Minister van Landbouw en andere Lobby’s nou hebben gedacht: Makkelijk zat, we zetten die gegrasfalteerde weilanden zo weer vol, net als die geruimde pluimveestallen? Of zouden ze op dat ministerie vurig hebben gebeden dat de Europese Commissie dit zou aanmerken als krachtdadig beleid om in het kader van gemaakte afspraken iets te doen aan de onheilspellende leegte boven onze weiden?
Intussen hoop ik dat vogelliefhebbers het afgelopen jaar ook iedere gelegenheid hebben benut om uit te leggen dat het zogenoemde bidden van de torenvalk niks met vroomheid van doen heeft: het Engelse preying (= azen) werd gehoord als praying (= bidden). Of met kwade opzet verward, want in sommige kerken weet je het maar nooit en binnen het Agriculturele Vooruitgangs Geloof (AVG) blijken de wreedste opvattingen over de natuur gemeengoed. Ga maar eens in de Gelderse Vallei kijken. Of kijk anders naar het sjoernaal.
De monografie De steenuil van steenuilenkenner Ronald van Harxen heb ik inmiddels uit de kast gepakt (Atlas/Contact, 2021). Ik las het destijds met veel genoegen en hoopte maar dat ik die pret deelde met al diegenen die door de corona zachtjes richting een natuurlijker hobby geduwd werden.
En net als toen verbaas ik mij er weer over dat ik mijn allereerste steenuil in de Wieringermeer heb gezien, of all places. Dat kon eigenlijk helemaal niet, volgens de Vogelatlas van Nederland (SOVON). Maar toch was het zo. Ik zie nog steeds die indringende blik. Ik hoor weer zijn uilenroep boven dat rommelige veldje, daar bij het Gat van de Dijk. Wonderen bestaan. Daar komt geen bidden bij van pas.

Steenuil | Foto Ronald van Harxen, STONE (Steenuilenoverleg Nederland)

Foto: Isabella Rozendaal
De wegen van de grutto
Wie kent de wegen van de grutto,
berekent de vluchten van de zwaan?
Al zou ik negen levens hebben,
het gedribbel van de strandloper,
het piereputten van plevieren
vermag ik niet te peilen,
de nachtkreet van de bosuil kan ik niet verstaan.
Hoe beschrijf je een mol, een muis,
het aarzelen van een vissende reiger?
Hoe kijk je een Hollandse koe
die noch geoormerkt, noch gestamboekt
gewoon te grazen staat, te dromen
eens eerlijk in de ogen?
Wie zich hier toch aan waagt
wordt prooi van wanhoop en paniek.

Ganzen in de lucht
ganzenvlucht na ganzenvlucht –
zo vertrouwd
_____

Gedruis van zwanen
boven spiegelend water –
wit spat wit uit een
_____

Mijn achterban kwam met vragen over mijn blogbericht van gisteren. Dit brengt mij in verlegenheid. Weet ik het zoveel beter? In volgorde van binnenkomst (dus niet de slimmere eerst en de langzaam denkende laatst):

Nou stop ik hoor, ik kan wel aan de gang blijven.


Straatpoëzie: Rotterdam, Nieuwe Binnenweg 125A,
de omgeving
van de mens
is de medemens
Jules Deelder, Euforismen, 1991
_____
Opm.

(Straatpoëzie: Industrieweg 47, Nunspeet, Nederland)
_____
Opm.

Zevende druk (1972) van Het vogeljaar (1903), toen Thijsse al dr. h.c.. was
Ik sla Thijsse’s Het Vogeljaar nog wel eens op. Om te zien wat hij zag, nog maar een eeuw geleden. Om wat verdwenen is. Hoe gewoon een bonte wei toen was. Iedere keer weer valt mij op hoe dicht Thijsse het bij huis zocht. En hoe goed hij keek. Meteen in het eerste hoofdstuk over de hofmakerij van de musjes:
De man kan zich mal genoeg aanstellen, als hij zo met hangende vlerkjes rondhuppelt, doch ’t wijfje doet net zo gek. Zij loopt theatraal struikelpasjes, laat ook haar vlerken slepen, zet flauwe ogen, door uit de hoeken het zogenaamde wenkvlies erover te trekken, en ziet soms scheel, doordat slechts één oog gesluierd wordt en ’t ander listig bruin om een hoekje kijkt. Dan spert ze de bek open, gedraagt zich geheel als een hulpeloos , hongerig jong, en ’t mannetje is zo geestig, om daar op in te gaan en geeft haar wat te eten.
Thijsse hoedt zich wel voor het gevaar menschelijke drijfveren en overleg aan deze vogels toe te schrijven. Hij vindt dat de daden van een dier eigenlijk niet door een mensch begrepen kunnen worden. Daarin is hij zijn tijd ver vooruit. In zijn respect ook.
In Vogelzang, dat in 1938 al persklaar was maar pas in 1965 ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van Thijsse alsnog als dank en huldeblijk door de Koninklijke Verkade Fabrieken N.V. werd uitgegeven (ook niet vrij van commercieel belang, lijkt mij), begint ook al zo ogenschijnlijk eenvoudig: ‘Waarom zingen de vogels? Ik weet het niet, maar dit weet ik wel: ze kunnen het niet laten.’ Thijsse was alleen al daarom zo’n goede leraar omdat hij het antwoord echt niet wist en ook niet wilde doen alsof. Hij laat je met die vraag zitten. Ik stel ‘m iedere keer als ik een vogel hoor.
In 1975 is de hele reeks Lente (1906), Zomer (1907), Herfst (1908), Winter (1909) nog eens facsimile door de koekenbakkers herdrukt, compleet met inlegvellen met de uit te knippen en in te plakken plaatjes. Dat was goed voor de nostalgie maar niet voor de natuur. Nee, Thijsse had de firma geen windeieren gelegd. Maar Thijsse’s belang overtreft vele malen die van de koekjesfabriek. En dit is geen kwestie van smaak.
In de laatste Andere Tijden – aflevering wordt Thijsse ten behoeve van het jeugdig publiek met Freek Vonk vergeleken. Nu geloof ik best wel dat Vonk iets bij kinderen kan doen overspringen, ik zie dat bij onze kleindochters. Maar Thijsse hield het bij wat hijzelf onbekommerd echt kon zien als hij de straat uit liep of fietste, eerst in Amsterdam, later in Bloemendaal. Vogels die hij niet zelf had gezien beschreef hij niet eens. ‘Ik heb den Renvogel en den Scharrelaar ook nooit in ’t wild gezien en ben er niet eens zoo heel benieuwd naar.’ Voor wat Freek Vonk allemaal bij elkaar holy molyt moet je eerst het vliegtuig in en daarna een terreinwagen of duikboot.
Ik heb niks tegen koekjes maar het geloof dat vliegtoerisme goed is voor het menselijk welzijn zal ik niet uitdragen. Kijk eerst maar eens om je heen. Dat daar niet genoeg te zien zou zijn is onzin. Of ’t moest komen doordat we natuur en landschap sinds de tijd van Thijsse ernstig verkloot hebben.
Ofschoon iets jonger dan Thijsse deelde Nescio dezelfde wereld van laten we zeggen vóór de komst van de automobiel. En die zou over het verkloten kunnen hebben opgemerkt: ‘God zegene de verantwoordelijke authoriteiten. Als ’t kan een beetje hardhandig.’

Still uit de allerlaatste aflevering Andere Tijden, 23 oktober 2025, Jac. P. Thijsse, de Freek Vonk van de vorige eeuw
In de pas verschenen biografie Meester in het paradijs; Jac. P. Thijsse en het landschap (Dik van der Meulen, Amsterdam 2025) kwam ik het volgende citaat tegen. Thijsse (1865-1945) blikt in een brief terug op alle feestelijkheden en huldigingen die hem in op 25 juli 1935 ten deel waren gevallen toen hij 70 werd:
“Het feest heeft mij de heerlijke overtuiging geschonken dat de waardeering voor ons natuurschoon en ook de belangstelling in onze flora en fauna toch wel veel grooter is dan men oppervlakkig gezien zou vermoeden. Ik heb wel eens in kleinere kring beweerd dat het Nederlandsche volk niet waard is, zoo’n mooi en interessant deel van de wereld te bewonen, maar ik zal me in ’t vervolg voorzichtiger uitdrukken.”
Zou de natuurbescherming in Nederland zonder Thijsse niet op gang zijn gekomen? Natuurlijk wel. Ook nog wel zonder al die Verkade-koekjes, al kon dat laatste wel eens minder zeker zijn. Maar toch, iedere Nederlander behoort te weten dat de Nederlandse natuurbescherming begint met het Naardermeer. En dat Thijsse aan de wieg stond van de Vereniging Natuurmonumenten, die het meer in 1905 uit de klauwen van een onnadenkende gemeenteraad van de stad Amsterdam heeft gered. Thijsse is een natuurmonument.
Er wordt zoveel vergeten tegenwoordig. Gistermiddag werd ik nog door Natuurmonumenten gebeld. Of ik lid wilde worden. ‘Maar ik ben al lid, dat weet u toch?’ ‘Alleen uw naam staat onder die petitie voor schoner water. En niet of u lid bent. Om privacy-redenen, begrijpt u? Maar eh, is uw vrouw dan al lid?’
Om de ministers te imponeren willen ze bij Natuurmonumenten nu een miljoen leden hebben. Vandaar de actie. Ze hadden al een paar keer gebeld. Dat had ik wel gezien maar mijn hoofd staat er niet iedere dag naar actie te voeren. Ook is mijn bivakmuts wel eens in de was. En overigens heb ik er zeer weinig vertrouwen in dat de huidige dubbeldemissionaire ministers zich laten imponeren door iets dat het belang van hun achterbannen ook maar een ziertje zou kunnen schaden. Dat lukt zelfs de Raad van State niet.
Over Thijsse hoef ik toch de loftrompet niet meer te steken. Of toch wel? Thijsse heeft bij leven veel publieke blijken van waardering mogen ontvangen maar dat zegt natuurlijk niets over hoe hij die heeft ervaren. In het citaat hierboven schemert iets door van zijn diepe bekommerdheid met de natuur. Dat is heel erg zeldzaam in zijn boeken. Hoe klein was die kring waarin hij vrijmoedig durfde te stellen dat de staat Nederland, wij dus, de natuur eigenlijk niet waard was? Dat de natuur een andere staat verdiende?
De allerlaatste aflevering van het geschiedenisprogramma Andere Tijden was gewijd aan Thijsse. Dat dat geen volledig beeld opleverde is niet erg. Dat het programma op de NPO geen gelegenheid meer krijgt dat beeld aan te vullen, dat is erg. De dichter Bloem verzuchtte in De Dapperstraat al dat er maar weinig natuur meer in dit land was (Quiet though sad, 1946). Als de cultuur er ook niet meer is om dat vast te stellen is het echt armoe.