
Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven bij dageraad:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven in de middag:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Namiddagse houtduiven:
roe kóe koe roe koe!

Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven bij dageraad:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Houtduiven in de middag:
roe kóe koe roe koe!
Roe kóe koe roe koe!
Namiddagse houtduiven:
roe kóe koe roe koe!

ik zal een boom zijn
en ik zal de vogel zijn
die in me nestelt
ik zal de grond zijn
waar de boom in wortelt
waar de vogel woont
ik zal de wind zijn
en grond en boom en vogel
eindeloos strelen
en onder de boom zal ik de mens zijn
die dit dromend zal bestaan
J. C. van Schagen, ik ga maar en ben, 1972

Dol op spelletjes
jaagt hij eigen echo na:
bos vol koekoeken!
___
De koekoek is al weer een tijdje in het land maar ik hoorde hem vorig weekend voor het eerst. Kennelijk was die net uit hartje Afrika hierheen komen vliegen en nog bezig zijn territorium te verkennen. Zijn roep schalde even over zevenen van achter de singel. Een vreemde plek. Zou het een eerstejaars zijn? Met die ene vraag begint het raadsel.
Koekoeken zijn broedparasieten, dat weet iedereen. Ze leggen hun eieren in het nest van een andere vogel, karekieten bijvoorbeeld, en die zijn nu volop met hun best bezig in de rietkragen waar de stad ophoudt en het Waterland begint. Maar hoe weet zo’n eerstejaars koekoek nou waar die moet zijn? Van wie heeft de koekoek dat geleerd?
Het raadsel begint al eerder. Als een koekoek zich uit het ei wringt weet-ie natuurlijk niet dat-ie een koekoek is. Toch werkt-ie zo snel mogelijk de andere kuikens het nest uit. Kan hij weten dat de waardouders anders nooit genoeg insecten en rupsjes kunnen aanslepen? Hoe dan?
Als een koekoek vliegvlug is, volgt hij of zij niet de echte ouders op weg naar Afrika. Die vertrekken meteen nadat het eieren leggen is gedaan, eind juni of begin juli, naar Congo of Angola. Naar hun kroost kijken zij niet om. De pasgeborenen vertrekken pas in september. Hoe vinden die nu hun weg over de Sahara en de Sahel? En waarom trotseren ze al de gevaren van die risicovolle tocht waarvan ze niet kunnen weten dat ze hun leven op het spel zetten? Weten ze dan al dat ze koekoek zijn en dat koekoeken dat nu eenmaal zo doen?
Wanneer en hoe weten die jonge koekoeken na die winter in tropisch Afrika dat het tijd is om naar het noorden te vliegen? En dat er in de periferie van een tamelijk grote stad op de 52e breedtegraad een alleraardigste rietkraag is, rustig ook, hier vlak achter ons huis, met plenty gelegenheid een partner te vinden die op mysterieuze wijze ook van dit plekje geweten moet hebben, en waar een aantal karekieten zo genereus is, of onnadenkend, of stom, hun eieren wel uit te willen broeden en hun nageslacht groot te willen brengen? Hoe weet die koekoek dat je bij de karekieten moet zijn en hoe weet dit jong dat nog nooit een ei gelegd heeft dat het ei dat zij zal leggen precies, maar dan ook pijnlijk nauwkeurig, op dat van een karekiet lijkt? Of, en nou wordt het nog wonderlijker, op dat van een heggemus, graspieper of kwikstaart, witte of gele, als de moeder dat de jaren ervoor ook al deed? Net zo precies, en net zo nauwkeurig?
Hoe die waardvogels met deze indringer omgaan is weer een ander verhaal. De eminente Britse ornitholoog Nick Davies heeft daar een prachtige studie naar gedaan (De koekoek; vals spel in de natuur, Atlas Contact, Amsterdam 2015). Uit het voorwoord: “[. . . ] koekoeken zijn stiekem, dus hebben we ook het gereedschap van de forensische wetenschap nodig, zoals DNA-technieken en satellietvolgsystemen. We zullen enkele schokkende ontdekkingen doen wanneer we kennismaken met de vernuftige en vaak meedogenloze methoden die koekoeken erop na houden om hun gastouders te misleiden en te manipuleren. Dat bedrog is niet uitsluitend voorbehouden aan volwassen koekoeken; enkele van de meest geslepen trucs zijn die waarmee koekoeksjongen pleegouders zover krijgen hen te voeren.” Dat klinkt als een spionagethriller en zo leest het ook.
Maar. De strategieën en tactieken van een koekoek kun je wel in kaart brengen, als je tenminste het geduld kunt opbrengen en er de tijd voor neemt. Misschien komt het doordat ik niet zo’n spionagethrillerlezer ben, of bij ‘wapenwedloop’ eerder aan het menselijk bedrijf denk. Of doordat ik bij ‘vals spel’ uit de ondertitel toch uitsluitend ménselijke intenties veronderstel. In weerwil van al het prachtigs wat Davies over de koekoek te vertellen heeft, begrijpen we die vogel nu echt? Dat haalt je de koekoek.

Er gaat iets voorbij –
populieren luisteren
in voornaam ruisen

T e r u g n a a r d e n a t u u r
Er was een man, ik zeg niet wie
hij was, die hield van de natuur,
althans dat dacht hij, want hij had
gehoord dat daar zoveel te vinden was,
de stilte, vrijheid, blijheid en jezelf
en zo. Genoeg in elk geval om daar
eens heen te gaan. Hij ging en kwam
behouden aan.
En toen hij zijn boterhammen op had?
Stilte. Wie stilte wil beschrijven moet
zijn mond maar houden. Wie niets hoort
luistert niet en heeft niets te vertellen.
Vrijheid. Het zou een heel leuke boel
worden als de vrijheid eens een beetje
doorzette, ja jezelf zijn, eindelijk
zou niemand ons begrijpen. Maar wij
begrijpen elkaar helaas uitstekend.
Ook in de meest luxueuze bittertaal
van dichters spreekt alles vanzelf.
Blijheid. De blijheid waar wij naar verlangen
is er gelukkig niet. We zouden dodelijk
getroffen worden door een herfstblad,
tegen de aarde gesmakt door de wiekslag
van een duif, verbrand door de zon.
Wie niet sterk is moet bedroefd zijn.
Nee, toen hij zijn boterhammen op had
hoorde hij de regen die zijn hele leven
door gevallen was, rook hij het gras
waar hij zijn hele leven koekhappend
en zaklopend door heen gestrompeld was
onder het gelach van grote mensen,
hoorde de regen en de stem van moeder
uil die in de olmen huilde en riep
om hem.
Rutger Kopland, Alles op de fiets, 1969
_____
Misschien niet het sterkste gedicht van Kopland, maar ja, hij moest zichzelf toen als dichter nog uitvinden. Midden dertig was hij toen hij het schreef, en nog volop bezig zich als psychiater te ontwikkelen. Toch zit in de kiem al alles waar hij later betere woorden voor vond: de beloften van die grazige weiden, die maar niet ingelost leken te kunnen worden.
Ik fietste vaak langs waar hij woonde, het stroomdal van de Drentse Aa. Ach, wat zijn woorden als je het over stilte wilt hebben.
Geluk is, schrijft Kopland ergens later, als twee woorden bij elkaar willen horen. Daar spreekt de dichter. In dit gedicht lijkt meer de psychiater te spreken. Soms vallen die samen. Soms ook niet.
Maar wie niet elk dag in zijn ziel roert, zegt een andere schrijver (Gerrit Krol), bevriest.
Vandaag raakt mij het beeld van het strompelend koekhappen en zaklopen. Wat een leven!
Maar dit blijft toch: die uil in de olmen.

Roerdomp | foto Adri de Groot
Diep verborgen roep –
alomtegenwoordige
roerdomp in het riet
Met de kleinkinderen roeiden we gisteren door het Jisperveld. De eerste dag van mei maar volop zomer, voor hen de laatste dagen van de vakantie. Het ging natuurlijk om het roeien, het samenzijn, de stilte op het water, het piepende geluid van de riemen in de dollen. Vanaf het water is de wereld zo anders, het tempo is zo anders, de tijd gaat daar zo anders – onze boot gleed door het water als dat ene wolkje door de lucht. Het was er even, talmde wat, en loste toen op.
Het roeien ging verrassend goed. De oudste kreeg door waar het draaipunt van de boot lag, en hoe ze de steven kon wenden. De jongste sprak eerst nog van ‘roeren’ waar zij ‘roeien’ bedoelde maar toen we terugvoeren trok ze naast mijn vrouw wel een halve kilometer met een volmaakt kalme slag aan haar riem.
Ik had gehoopt op grutto’s, en hun die willen wijzen, had die daar in elk geval verwacht. Als ergens dan daar, in het Wormer- en Jisperveld. De grutto’s om je hoofd horen roepen! Vanaf het water zagen we overal het geel van boterbloemen, het rood van zuring, we roken kruiden. De omstandigheden waren inderdaad optimaal voor grutto’s. Maar we hoorden er geen. En dat in dit uitgestrekte veenweidegebied.
‘Vijftig melkkoeien op zeventig hectare,’ zei de boerin toen we de boot weer hadden aangemeerd. Daar keek ik van op. De bootjesverhuur deden ze erbij, dat seizoen begon juist vandaag en de boten moesten nog gereed worden gemaakt. We hadden geluk gehad dat er al een te water lag. Misschien was die verhuur ook wel noodzaak en het boeren sappelen, bedacht ik. ‘En alleen maar ruige mest,’ ging ze verder. We hadden de grote vlet bij de boerderij gezien waarmee de mest over het water naar de weilandjes werd overgevaren, net als de koeien. Dat is inderdaad extensieve veeteelt. Er stond een foto van zo’n overtocht op de waterkaart van het gebied die we hadden meegekregen en die we de kinderen lieten zien. Kijk, zo staan die koeien dan.
Verder niks hoor, alleen ruige mest!’ voegde ze er nog ongevraagd aan toe. Ze had doorgekregen dat ik een verklaring zocht voor de afwezigheid van de grutto’s. ‘Ganzen!’ Ze herhaalde het, ‘ganzen!’ en op haar gezicht streden moedeloosheid en weerzin. Ganzen hadden we inderdaad veel gezien. En vooral gehoord. En de kinderen uitgelegd dat die rare nijlgans die ergens op een nestkast voor roofvogels zat eigenlijk helemaal geen gans maar een eend was. Die waren er ook volop.
Maar opeens, toen we een rietkraag waren ingevaren om zelf de kikkers op de wal te zien die we op het water luid hoorden kwaken, had opeens de roep van een roerdomp geklonken. Het was een roep uit een andere tijd. Die had ik voor het eerst ook in een roeiboot gehoord, met mijn eerste lief op het Waardkanaal. Hoe lang geleden al?
De kinderen namen er onbewogen kennis van. ‘O. Is dat een vogel?’ En ze wilden weer verder met het manoeuvreren van de boot. De grutto’s hadden ze helemaal niet gemist, ze hadden er geen herinnering aan. En een roerdomp is een vogel die een raar geluid maakt.
Een landschap kleur je met verwachtingen. En met herinneringen. Natuurlijk kun je die niet overdragen, het idee zeg! De kinderen zouden opgroeien, misschien met hun lief uit bootje varen gaan. Wat blijft er bij hen van deze middag in hun geheugen bewaard?

O c h t e n d
Schelpjes spoelen aan, roze rood,
bespiegeling van morgenlicht,
het rimpelen, de zee
het ritme der getijden
En steeds weer roepen wulpen
van het wad – strandlopers
bruidsluieren de horizon, waaraan
de wolken waardig zeilen in de wind
Er is die aarzeling
van hier van waarde zijn
Dan zwaait de gouden poort weer open –
de dageraad, de schepping herbegint

Het loslaten van kanoeten, Theunis Piersma bij het NIOZ
‘We kunnen niet bewijzen dat de natuur beschermd moet worden.’ Ik schrijf de zin over omdat die zo binnen komt. Hij komt uit De ontsnapping van de natuur; Een nieuwe kijk op kennis (Thomas Oudman & Theunis Piersma, Amsterdam 2018).
Piersma was in 1980 een van de ‘kwajongens’ die ‘die het in hun kop hadden gezet dat ze de Banc d’ Arguin moesten verkennen (Koos van Zomeren). Hij is in bijna een halve eeuw uitgegroeid tot een van de meest vooraanstaande trekvogelecologen. Oudman promoveerde bij hem, als een van de velen die met Piersma als promotor onderzoek deden naar de kanoetstrandloper. Samen schreven ze dit boek om uit te leggen wat ze allemaal niet snappen. En waarom niet. Van het dominante verklaringsmodel het leven terug te brengen tot DNA blijft weinig heel. De natuur ontsnapt dat model steeds. Kijk naar kanoeten en je ziet evolutie waar je bij staat.
Als ik al die doorwrochte studies en proefschriften over die wonderlijke kanoet zou lezen, zat ik volgend jaar nog achter mijn schrijftafel te ploeteren.
Maar naast wetenschap is er wezenschap. Wie de boot naar Texel neemt ziet als eerste de gebouwen en gebouwtjes van het NIOZ. Daar doen ze allemachtig belangrijk onderzoek naar de zee en alles wat daarin leeft. En ze ‘houden er kanoeten’. Die lijken in tegenstelling tot andere trekvogels geen last te hebben van gevangenschap: je kunt experimenteel onderzoeken hoe ze nu precies voedsel zoeken. Hun maagomvang meten, en hun spieren. Met de zich razendsnel ontwikkelende technologie, ‘vederlicht’, kun je die vogels van zenders voorzien. Dat is alleen al daarom handig omdat contact met Russische collega’s in Siberië een beetje lastig is geworden.
Wie nog beter had opgelet, en naar rechts had gekeken, had het Balgzand gezien. En daarboven misschien een vlucht zwermende en zwenkende kanoeten. Deze dagen komen ze uit de Banc d’ Arguin voor de kust van Mauritanië gevlogen, zo’n vijfduizend kilometer. Dan blijven ze hier een maandje, vetten ze op, komen op krachten en vliegen dan door naar Tajmyr in Siberië, ook zo’n vijfduizend kilometer. Je verstand staat stil.
Vanuit mijn huis op Wieringen keek ik over het Balgzand, helemaal tot de vuurtoren bij De Cocksdorp. Hoe vaak stond ik wel niet bij Vatrop op dat gammele zeedijkje, amper een halve meter hoog, een zeewering kon je het nauwelijks noemen, te kijken naar het afgaande tijd, de opkomende vloed, luisterend naar de geluiden van die miljoenen vogels? Het is niet te zeggen wat er door je heen gaat als de avond valt over dat Wad en al die vogels je meenemen naar iets groters dan je benepen gedachten. Ontzag. Verwondering.
Nee, een gedichtje bewijst ook niks. Wat valt er ook te bewijzen als het er allemaal gewoon is? Het bewijzen moet je loslaten, en alle gedachten daarover ook. Dát bevrijdt. Niet de tijd gaat voorbij, maar de mens.

Foto: Marcel van Kammen
O v e r h e t w a d
De avond valt
op weergaloze wijze
er zijn geen woorden voor
dit wad. En dan:
hoe zou ik sprakeloos
nog namen kunnen geven?
de wind, de wind
hij fluistert, vat mij aan
hij voert mij door dit al