O, hoe gebrekkig sluiten de grenzen van de mensenstaten! Hoeveel wolken drijven straffeloos over, hoeveel woestijnzand sijpelt niet van land tot land, hoeveel steentjes rollen in provocerende sprongetjes bergafwaarts naar vreemde landouwen.
Moet ik hier elke vogel noemen, zeggen hoe hij vliegt of uitgerekend neerstrijkt op de slagboom aan de grens? Al is het maar een mus –zijn staart hangt buitenslands, terwijl zijn snavel thuis is. En stilzitten is er niet bij!
Van de ontelbare insecten beperk ik me tot de mier die zich tussen de linker- en de rechterschoen van de grenswacht niet geroepen voelt te antwoorden op diens ‘waarvandaan? waarheen?’
Ach, als je heel die chaos precies kon overzien, op alle continenten tegelijk! Smokkelt de liguster van de overkant niet net blaadje nummer honderdduizend over de rivier? Wie anders dan de inktvis met zijn brutaal lange armen schendt de heilige zone van de territoriale wateren?
Kunnen we eigenlijk wel van enige orde spreken, als zelfs de sterren niet uit elkaar te schuiven zijn en we dus nooit zullen weten welke voor wie schijnt?
En dan nog dat verfoeilijke neerdalen van mist overal! En dat stuiven van de steppe waar je ook maar kijkt. alsof hij nergens recht doormidden wordt gesneden! En die stemmen die op gedienstige luchtgolven weerklinken: Dat gepiep dat om iets roept, gepruttel dat niets betekent!
Waarlijk vreemd vermag alleen te zijn wat menselijk is, De rest is gemengd bos, mollenwerk, wind.
In de rietkragen achter huis, waar het Waterland begint, zijn nu overal karekieten en rietzangers te horen. Dat verheft een fietstochtje tot een hemelse ervaring. Als je geluk hebt zie je ze ook af en toe het riet uit vliegen. En met nog meer geluk herken je ze dan, als je het verschil weet tenminste. Op de foto een rietzanger die een koekoeksjong voert. Probeer maar eens met droge ogen langer dan een minuut naar dat beeld te kijken, en zonder oordeel. Waar heeft dat arme rietzangertje zich in laten luizen?
Er zijn natuurlijk veel meer rietvogels maar die (her)ken ik niet allemaal. Ze zijn ook niet allemaal waardvogel van de koekoek. Waarom de karekiet en de rietzanger wel is nog niet opgehelderd. Zijn die nou echt zo stom? Maar er is zoveel waar we geen benul van hebben. Als je een keer begint op te sommen met wat je allemaal niet weet ben je wel even bezig. En van wat je wel lijkt te weten klopt dan het meeste weer niet. Neem het volksrijmpje: In mei leggen alle vogels een ei. Behalve de koekoek en de griet, die leggen in de meimaand niet. De grutto / de griet begint inderdaad al in april met broeden. Maar in mei zijn er ook nog die met een nestje beginnen. Dat wil zeggen, als er grutto’s zijn. Hier in het Waterland blijft het akelig stil boven de veenweiden. Nu ja, je hoort de karekieten. En de rietzangers.
Met de koekoek is het weer een ander verhaal. Die leggen hun eieren in het nest van een andere vogel en zijn dus afhankelijk van het moment dat die gaan broeden. Karekieten en rietzangers doen dat hoofdzakelijk in mei, maar net zo gemakkelijk eerder of later.
Waar komt die rare volkswijsheid dan vandaan? Voordat je er erg in hebt ga je iets geloven omdat het nou eenmaal lekker bekt. Maar wat weten we eigenlijk van de natuur? En in verband met het toch wel zonderlinge gedrag van de koekoek, wat is ‘het natuurlijke’ van de natuur?
Aristoteles wist al te vertellen dat een koekoek aan broedparasitisme doet. Verklaren deed hij het niet. In alle eeuwen daarna lukte dat ook niet zo goed, totdat Darwin daarover vragen begon te stellen. De beroemde Britse natuurvorser Gilbert White vond het in 1789 maar een ‘monsterlijke belediging van moederliefde, een van de eerste grote geboden der natuur.’ (In: The Natural History of Selborne, geciteerd in Nick Davies, De koekoek, Atlas/Contact 2015). Het citaat zou me niet zo opgevallen zijn als je de laatste tijd niet zo vaak om de oren geslagen wordt met stelligheden over de rol van de vrouw, of de rol van de man, of de verhouding daartussen. Praat me niet van moederliefde en berg je maar als je als vrouw, of als man, gehoor zou moeten geven aan de toevallige denkbeelden van lieden als Trump of Poetin. Of andere schrikbewinden. Van levende mensen hebben die niet het flauwste benul. Ik vaak ook niet maar dit durf ik wel veilig te beweren: ook aan de bestaanszekerheid van de koekoek moet ernstig getwijfeld worden als een dergelijke potentaat zijn wil gewoonweg aan deze wereld zou kunnen opleggen.
Met de koekoek, intussen, gaat het helemaal niet zo goed. Mijn litanie begint eentonig te worden. De aantallen schommelen nu zo rond de 6000, daar is dus helemaal geen afschotverbod voor nodig. Al sinds de jaren tachtig is hun aantal gestaag afgenomen maar naar de oorzaken daarvan is het vooralsnog gissen. Hoe het ook zit, met menselijke moraal heeft dat geen ene bliksem te maken. Het zou kunnen zijn dat koekoeken steeds meer moeite hebben om tijdig geschikte waardvogels te vinden ten gevolge van alle klimaatveranderingen. Karekiet en rietzanger broeden namelijk eerder dan de koekoek gewoon was. En als koekoek kun je niet zomaar even op een andere waardvogel overschakelen. De ingewikkelde evolutionaire processen die daarbij een rol spelen zijn nog lang niet ontraadseld. Hoe weet je nu als koekoek op welke omstandigheden in die rietkragen hier in het Waterland achter huis je moet inspelen als je driekwart van het jaar in zuidelijk Afrika doorbrengt?
Nog zo’n misvatting overigens: die koekoek is helemaal geen Nederlandse vogel maar gelet op zijn hoofdverblijf eerder een Afrikaanse. Over migratie maar een andere keer.
Aan de randen van het beschaafde Europa ligt een eilandenrijk dat vroeger nogal een hoge dunk van zichzelf had. Van dat hele British Empire is nu nog alleen het United Kingdom over. Dat heeft moeite met z’n vieren verenigd te blijven.
De afgelopen twee weken waren wij in het Noorden, in Schotland. Twee weken is niet erg lang dus waarom die Schotten nu precies niet langer bij de rest willen horen is ons nog niet helemaal duidelijk geworden. Af en toe kwamen wij glimpen van geschiedenissen tegen die niet erg fraai waren. Als de huidige koning even genoeg van zijn onderdanen heeft trekt hij zich terug op een landgoed. Zijn voorvaderen hebben die streek eerst helemaal leeg geveegd van de oorspronkelijke bewoners. Daar maak je geen vrienden mee. Maar ik wou het helemaal niet over de politiek of de geschiedenis hebben. Of over het toerisme. Toen we daar toevallig ergens in de buurt waren zijn we toch even wezen kijken maar met zoiets als koninklijke landgoed is het qua touringcars dezelfde gekkigheid als overal. En dan rijden ze nog links ook op die smalle weggetjes.
Van de imponerende Highlands of Scotland hebben ze nog niet eens zo heel lang geleden een National Park gemaakt, Cairngorms. Daar zal ik de doedelzak geen Schotse wijsjes over doen spelen. Toeristen weten het zo wel te vinden. Dat kan moeilijk anders want het is bijna honderd keer groter dan de Oostvaardersplassen, zie er dan maar eens uit te blijven.
Aan de rand van dat grote park, aan de voet van die ongenaakbare bergen logeerden wij in een allervriendelijkst hotel waar ze er aardigheid in hadden gehad de ganse inboedel in Schotse ruit uit te voeren: stoelen, beddengoed, behang. Dat had helemaal niet gehoeven, de mensen waren uit zichzelf werkelijk allerhartelijkst, ook al begrepen we weinig van hun Schots. Ze lieten ons helemaal in onze waarde, we hoefden niks en we moesten er zelf maar achter komen dat het hotel eigenlijk deel uitmaakte van een natuurgebied dat weer deel uitmaakte van die uitgestrekte Cairngorms. Dat bleek een verbluffend mooi gebied. Betoverend is het woord.
Rond een loch liep een pad door een berkenbos. Het licht kwam overal en overal hoorde je het zeldzaam zachte ruisen van de berkenblaadjes. Je liep niet, je zweefde. Er waren lelies in het rimpelend water, dat de weinige wolken weerspiegelde, waterjuffers vlogen af en aan, een lijster probeerde alle vogelliedjes uit, een koekoek begeleidde ons de hele tocht.
In het midden van het loch lag een eilandje. Een bescheiden informatiebord nodigde uit eens na te denken over hoeveel inspanning het gekost moest hebben nog voor het begin van deze jaartelling op dat eiland een versterking te bouwen. En waarom. Een artistic impression moest de verbeelding over de prehistorie verder aanjagen. De Picten zelf hadden er niks over opgeschreven.
Van later datum dateerde een manshoge, kunstig bewerkte steen. Een kruis? Was dat nou Pictisch? Of toch al Gallisch? In elk geval uit de tijd dat de Friezen nog verse herinnering hadden aan de moord op Bonifatius. Hoe was dat in deze streken gegaan? En waarom?
Pas toen we weer thuis kwamen, afgelopen vrijdag, begonnen de vragen een meer causaal karakter te krijgen. De zogeheten kerstening van West-Europa, zo leerden wij uit het nieuws, had niet de morele bodem gebracht die daar redelijkerwijs mee in verband gebracht mag worden. Daar is gedurende onze afwezigheid de bodem nog verder uit geslagen. De voorstellingen van de schertsregering hier te lande hebben wel geen grotere schade aangericht dan dat oplossingen nog verder getraineerd werden, maar een burgeroorlog is tot op heden uitgebleven. Doden zijn er niet gevallen. Dat kan niet gezegd worden van Gaza. Of Oekraïne. Of het zwakzinnige gedrag van de man in het Witte Huis die zichzelf voor een door God gezondene houdt.
Genoeg hier over. De precieze naam van die plaats daar in Schotland houd ik voor me, evenals de coördinaten. We willen er graag nog eens ongestoord heen kunnen om de gekte van deze wereld te kunnen ontvluchten.