Hart


Zo,’ zei mijn vrouw toen ze gisteren mijn gedicht te lezen kreeg, ‘dat je een ui bent, lijkt nu eindelijk tot je door te dringen. Je wurmt je uit je schillen en schalen.’ En toen, wat zachter en alleszins teder bedoeld: ‘Mijn eigenste klimaatriddertje! Mijn donsveren Don Quischotje!’  Haar handen moeten daarbij rakelings langs mijn ego hebben gestreken, opzet of niet, want ik zette terstond mijn pronkveren op. Die windmolens waartegen ik strijd zijn tenslotte een aanfluiting: laat mensen nou es nadenken waar ze al die energie voor nodig hebben! Op dit vlak vergeleken te worden met de grootste literaire held sinds 1605 is niet niks.

De toon van jouw poëem kon wel iets eigentijdser,’ fleemde ze verder, ‘als je tenminste nog een heuse Beweging op poten wilt zetten. ’t Lijkt wel humanitair expressionistisch en je weet hoe beroerd het daarmee afliep!’

Ik schoot gelijk mijn maliënkolder weer aan. Ja heus, ik, die naakt en stom naast haar lag, gordde mij weer aan, bewapende mij tot de tanden, zogezegd. De beeldspraak krijgt hier zijn eigen dynamiek, zoals dikwijls het geval is als de politiek om de hoek komt loeren. Wat als ik mijn diepste zelf had vergeleken met een poppetje, waarin weer een ander poppetje, waarin nog een poppetje, tot in het oneindige? Het ging mij tenslotte om wat overbleef als je je ontdoet van alle onzin, van alle holle praat, van loze woorden en van alle maskers. Maar dat beeld van matroesjka’s had natuurlijk onvermijdelijk doen denken aan Russisch schrikbewind, ben je mooi klaar mee! Of anders wel Orlando Furioso, Razend Roeltje, als ik een ander voorbeeld voor mijn waanzin had gekozen. Ik bedoel, daarvan had mijn ego helemaal op tilt geslagen, zou ik toch weer strijden en de diepste kern van mijn zielenroerselen zou geenszins worden geraakt. Nee, een politieke beweging zal ik niet initiëren. Van woorden komt maar narigheid. Van strijd komt strijd.

Omdat ik nou eenmaal moeilijk de neiging kan onderdrukken woorden te willen vinden voor wat voortvluchtig en onzegbaar blijkt, zit ik nu toch weer te peinzen over een andere invalshoek. Enigszins aangeslagen, dat wel. Aangeschoten, misschien zelfs. Niet alcoholisch natuurlijk, maar dodelijk geraakt als een bambihertje dat argeloos door de vrije natuur zwierf.

Misschien is dát het beeld wel, valt mij in: een schietschijf! Er moet ieder geval iets in met concentrische cirkels, zoveel is duidelijk. Van het oneindig grote van de ganse natuur tot het oneindig kleine van wat ik daarover te stamelen heb.

Wie hemel en aarde met elkaar wil verbinden ontkomt niet aan de negen sferen, zo peins ik verder. In dat gedicht beschrijf ik dan in negen terzinen die schietschijf. Wie de roos raakt heeft mijn hart.

Allo dan maar, alvast een beginnetje

  1. Zõxathazõ
  2. a õõ
  3. ee õõõ
  4. ẽẽẽ õõõõ
  5. iiii õõõõõ
  6. ooooo õõõõõ
  7. uuuuuu õõõõõõõ
  8. õõõõõõõ õõõõõõõõ
  9. Zõzazõth

Plaats een reactie