
Wind kromt de bomen,
kraaien beredderen de boel,
sturen nog wat bij

Wind kromt de bomen,
kraaien beredderen de boel,
sturen nog wat bij

In verband met de gebeurtenissen in Iran schoot mij het bekende gedicht van P.N. van Eyck te binnen:
De tuinman en de dood
Een Perzisch Edelman:
Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één ogenblik!
Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.
Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.
Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –
Van middag – lang reeds was hij heengespoed –
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.
‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’
Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ‘t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,
Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.’
P. N. van Eyck (1887-1954), Erts. Letterkundige Almanak, 1926
Donald Trump zal het gedicht niet kennen. Die leest niet. En overigens, pff, Holland is small, but . . . unimportant. Er zijn maar zeer, zéér weinig dingen minder belangrijk dan Donald J. Trump.
Grootayatollah Khamenei zou het verhaaltje kunnen kennen. De Perzische filosoof / mysticus / dichter Rumi (1207-1273) vertelt het al en Rumi, tja, die kennen alle Iraniërs naast de Koran uit hun hoofd.
Rumi vertelde het verhaaltje overigens ook maar na. De oudste versie ervan is te vinden in de Babylonische Talmoed. Dan zit je vér voor het begin van de jaartelling. Zou premier Netanyahu die gelezen hebben? Hij heeft in elk geval mensen in zijn directe politieke omgeving die verondersteld mogen worden dat wel paraat hebben. Het verhaal wordt daar ook nog eens in de mond gelegd van de legendarische koning Salomo en zoiets onthoud je dan wel. “Er is een tijd van oorlog en er is een tijd van vrede” kende hij tenslotte ook. Ook van Salomo, wordt beweerd.
Ik, intussen, heb dat allemaal niet paraat. Maar het staat gewoon in de Wikipedia. Die was er natuurlijk nog niet toen Van Eyck ermee aan de haal ging dus dat van Rumi en de Talmoed wist hij misschien helemaal niet. Hij had het gewoon gejat uit een of ander Frans boek, de woorden keurig in het gelid en op rijm gezet, maar om de zaak eenvoudig te houden sla ik het plagiaat van Van Eyck maar even over. Die is toch al in de vergetelheid weggesukkeld. Op dat ene gedicht na dan.
Het bombardement op de nucleaire installaties in Isfahan maakte nogal indruk. ‘Spectacular’, zegt u dat wel, meneer Trump. De hele wereld spectaterde. Roekeloos, zou ik liever zeggen maar aan de uiterste zijlijn van het wereldtoneel – veel verder kan ik op risico van verdwijning niet staan – doet mijn mening er in het geheel niet toe.
Ik ben wel benieuwd hoe Trump, Netanyahu en Khamenei dit gedicht zouden kunnen lezen. Of zij wel eens nadenken over hun eigen levenseinde lijkt mij gelet op hun positie in de huidige wereld een open vraag, maar of zij in hun zelfverklaarde belangrijkheid ook wel eens nadenken over de dood van anderen?
Nee, de wereld is geen rozentuin. Bah.

Het zwerk slaat op drift,
de eksters patrouilleren –
je weet het maar nooit

Spechten roffelen –
plechtig opent zich de poort
voor de grote zomer

Leo Vroman (1915-2014), zelfportret
Vrede
Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede’.
Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.
Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Leo Vroman, De Gids, 1954
_____
Opm.
Dit vaak geciteerde Vrede van ‘de vlakbijste dichter’ van Nederland (Kees Fens) kent net zoveel interpretaties als er lezers zijn. ‘Vlakbij’: wie herkent niet dat een trauma levenslang meegedragen wordt? En dat je daar zelfs in de liefde alleen mee bent? Kennelijk legt het gedicht de vinger op zo’n niet te helen wond. Iedereen begrijpt ook onmiddellijk: je kunt een kind wel uit de oorlog halen maar de oorlog niet uit een kind.
De oorlog, intussen, ‘verdwijnt’ niet zomaar: een olijftakje in het snaveltje van een duifje is niet genoeg. Zie Gaza, Israël, Iran, Oekraïne, Rusland, Darfur. Al die andere plaatsen.
Wenen helpt ook niet. Het zit nog dieper dan vlakbij.

Twee ultraorthodoxe Joodse mannen in de stad Bnei Brak. Foto AFP
Na de ontzaglijke klap was er eerst verbijstering, toen ongeloof: wat gebeurde hier nou toch in naam van de Onnoembare?
Er trad stilte in. Stof daalde neer.
Er werd gebeden, oude boeken werden geraadpleegd, er werd verder gebeden, er werd onderhandeld met de Allerhoogste. Nochtans veranderde dat de situatie niet. Er was een bom gevallen op de meisjesschool. Er vielen doden te betreuren. ‘De meisjesschool teruggebracht tot de hoogte van een hondenhok! Vervloekt zijn zij die dit op hun geweten hebben!’
‘Naar de gallemiezen!’ zei de buurman, die wel van meisjes maar niet van honden hield. ‘Het moet een vergissing zijn! Dit was natuurlijk bedoeld voor Tel Aviv, dat Sodom van deze verderfelijke tijd.’
‘Gomorra!’ viel de ander hem bij. ‘Kunnen die ongelovige gekken in Teheran niet eens mikken?’
‘De rabbi heeft ons zo beloofd dat geen vijand ons kon raken. Misschien was de kracht van ons gebed niet genoeg. Misschien heeft één van ons de rechte weg verlaten. Misschien is het een vingerwijzing . . . ’
‘De rabbi is dood! En de wegen van de Allerhoogste zijn ondoorgrondelijk. Gezegend is zijn naam.’
‘Als wij die ongelovigen nu eens . . .’
‘Als wij de Allerhoogste nu eens . . .?’
Zij zaten stil. En als zij nog stiller waren geweest hadden zij dezelfde verwensingen en gebeden kunnen horen die op dat moment weerklonken in de straten van Teheran. Met de Allerhoogste onderhandelt men niet.

Denk het standbeeld even weg en je weet niet naar welke verwoeste stad je kijkt. Alle verwoesting is lelijk en bruut. In al die huizen woonden mensen. Al die mensen hadden hun verhaal.
Nadat ik gisteren die foto bestudeerde van een jongen die in de puinhopen van wat eens Khan Younis was in een boek zit te turen, kwam het bericht binnen van wat zich daar net had voltrokken. Iedereen kan er van weten. Volgen mensen het nieuws nog? Minstens 50 hongerige mensen zijn bij een voedseldistributiepunt gedood door Israëlisch vuur. Een veelvoud daarvan ligt zwaargewond in het ziekenhuis. Als dat er nog staat. En als er nog verpleging mogelijk is. “Het incident zal worden onderzocht,” laat de Israëlische legerleiding weten. Het komt boven op de stapel van al die andere ‘incidenten’. Dat zal dus wel een tijdje duren.
Ik was amper ouder dan de jongen op de foto van gisteren en op de avonturen van de liefde nog niet half voorbereid, toen ik Het stenen bruidsbed (1959) van Harry Mulisch las. Hoeveel ik er toen van snapte herinner ik mij niet meer maar wel de aardschok die die roman bij mij teweegbracht. Het bombardement op Dresden verbrijzelde onder anderen de Geallieerde Mythe van de Helden. Of dat iedereen hier te lande in de oorlog een onberispelijk soldaat van oranje was geweest. Dat was wel niet het beeld dat ik van thuis had meegekregen, maar wel wat ik uit de geschiedenisboekjes op school verondersteld werd te geloven. De roman gaat over veel meer dan dat bombardement in februari 1945. Hoe destructiedrang en liefde ellendig kunnen samengaan ‘wordt nog onderzocht’. Eros en Thanatos . . . Enfin, het feitelijk resultaat was wat de foto hierboven toont en die ook op de omslag van mijn exemplaar van het boek prijkt.
De tactiek was als volgt: bombardeer eerst de stad zodat alle ramen eruit vliegen. Kom daarna met een tweede golf vliegtuigen die brandbommen laten vallen. Wacht dan even totdat de mensen hun fikkende huizen uitvluchten en de hulpdiensten doende zijn de boel te beredderen en kom daarna met mitrailleurvuur het werk afmaken. Prijsschieten, voor een boordschutter als Norman Corinth, de ‘held’ van Het stenen bruidsbed.
Mulisch suggereert dat als de nationaalsocialisten hadden gewonnen Churchill als oorlogsmisdadiger was opgehangen. Mulisch suggereert nog veel meer, bijvoorbeeld dat dit mensonterende gedrag al vanaf Homerische tijden van de strijd om Troje de Westerse beschaving kenmerkt.
In De zaak 40/61 (1962) zoemt hij in op de verbijsterende gewoonheid van een oorlogsmisdadiger als Adolf Eichmann. Die verontrustende observatie deelt hij met Hannah Arendt, die dat proces nadien uitvoeriger befilosofeerde.
Het heeft een allemachtig lange tijd geduurd voordat het besef bij meer mensen begon binnen te sijpelen dat een echte oorlog geen mythe is, geen strijd tussen Goed en Kwaad, tussen goeden en slechten. Al zijn er nog steeds lieden die beweren van wel. Ook dat zal nog wel een tijdje duren, vrees ik. Oorlogsretoriek is bijna tastbaar in de lucht.
Het waren gewone mensen die moedwillig de trekker overhaalden om andere gewone mensen te doden, terwijl zij wanhopig op het voedsel wachtten dat hen in leven moest houden. Wie waren zij? Was die lezende jongen daarbij?

Neem es de proef op de som en bedenk wat er op deze foto gebeurt. Hmm, dat is wel lastig, niet?
Niks lastig! Een lezende jongen van een jaar of 13, 14, die op een geïmproviseerd bankje in een boek zit te turen. Z’n ogen moet hij afschermen voor de zon, anders ziet hij natuurlijk geen pest. Hij lijkt ordentelijk gekleed. Een scholier. Is dat een Adidas-logo op zijn vestje? Heeft ie zeker even geen zin in voetballen. Misschien is het pauze en heeft ie straks een overhoring en moeten er nog even snel wat rijtjes worden gememoriseerd. En die puinzooi om hem heen? Je denkt toch zeker niet dat hij dat op het voetbalveld voor elkaar krijgt?! Nee joh, die komt er wel.
Hmmm. En nou met onderschrift: “Een Palestijnse jongen in Khan Younis, maart” Dat verandert de zaak! Nee, niks Adidas-logo. Dat zijn natuurlijk van die rare Arabische letters, nou zie ik ut. Daarom is hij ook helemaal in het zwart hè? Vast Hamas of anders z’n vader wel. Aan z’n schoenen kun je zien dat ie het wel goed heeft. Normale Palestijnen hebben niet van die schoenen. Die hebben sandalen, als ze die al hebben. En wat ie leest? Hij zit daar koranverzen in z’n kop te stampen natuurlijk, dat zie je eigenlijk zo. Of te grasduinen in de handleiding Hoe maak ik een bomgordel.
Hmmm. Is de proef al duidelijk? Zonder context vul je maar wat in. Met een halve context vul je nog steeds zomaar wat in. Als het plaatje maar klopt met de vooroordelen. Vraag dit je buren, je collega’s, je vrienden en je familieleden te doen en je komt er achter met welke vooroordelen zij naar de beelden uit Gaza kijken. Of nog heilzamer, bestudeer je eigen vooroordelen.
De foto trof ik aan in De Groene Amsterdammer van de afgelopen week. Hij begeleidt het verhaal van ene Atef Abu Saif. Die ken ik net zo goed als de jongen op de foto. Van Khan Younis weet ik alleen dat het in Gaza ligt. En dat het in puin geschoten is. In het artikel Personages onder het puin vertelt Saif hoe een Israëlisch bombardement zijn zorgvuldig samengestelde bibliotheek verwoestte. “De verhalen zijn, net als de levens van meer dan vijftigduizend Gazanen, uitgewist” kopt het artikel.
De jongen op de foto kan niet Saif zijn. Ter informatie vermeldt De Groene dat hij een Palestijns schrijver, politicoloog en oud-minister van Cultuur van de Palestijnse Autoriteit is. Zijn dagboeken uit Gaza verschenen in The New York Times en later als Don’t look Left: A Diary of Genocide. Die heb ik niet gelezen. Even googelen levert nog meer gegevens maar beantwoordt niet mijn vraag of Saif zelf deze foto bij zijn verhaal heeft uitgekozen. Maar toch, herkenning? Dat verhaal vind ik trouwens hartverscheurend en dat moet iedereen zelf maar lezen.
Saif’s verhaal is een verhaal van rouw. Rouw om bevriende schrijvers van wie hij boeken in de kast had staan, gesigneerd en met opdracht, en die waren omgekomen. Rouw om zijn eigen manuscripten, de eerste verhalen die hij in een Israëlische gevangenis schreef. Rouw om de personages die hij had geschapen en die nu onder het puin lagen. Rouw om de boeken die hij van zijn vader had geërfd. Rouw omdat in één klap grote delen van zijn leven en van zijn persoonlijke ontwikkeling waren uitgewist – verbonden met zijn herinneringen en zijn emotionele banden.
Terug naar de foto. Wat red ik uit de puinhopen als hier een bom valt, van welke makelij dan ook? Bij dat verlies van boeken kan ik mij wel iets voorstellen: dat ene boek dat ik toen-en-toen daar-en-daar op de kop tikte. Dat boek dat ik van die-en-die kreeg. Dat boek dat ik terugkreeg met een aantekening, geschreven in een handschrift waar ik hartkloppingen van krijg. Mijn eigen werk. Al die onderwerpen die mij in mijn levensgang zijn gaan interesseren en waarover ik boeken verzamelde. Het duizelt mij, al zijn het maar boeken.
Ik kan mij ook nog voorstellen wat het is om mensen te verliezen die mij lief zijn. Dat gebeurt ook mij, en vaker dan mij lief is.
Maar: uitgewist? Op een lelijke en brute manier vernietigd?

Jopie Huisman (1922-2000); Roodbaaien hemd
We waren gisterochtend al vroeg op het metrostation Noord maar wij waren niet de eersten om naar Den Haag af te reizen voor De Rode Lijn– demonstratie. Die in rood gekleed gingen zouden ook wel gaan, stootten wij elkaar aan. Dat bleek in de trein waar nog veel meer mensen zich aansloten. Er werd druk gepraat, er waren veel meningen. Een activist deelde flyers uit, luidkeels zijn versie van ’t verhaal verkondigend.
Het Malieveld stond om half één al helemaal vol. ‘Doorlopen!’ sommeerden agenten die het fietspad vrij moesten houden voor de hulpdiensten. Daar was geen beginnen aan. Het Vredepaleis hebben we niet eens gehaald. De lange stoet ging te langzaam en dan krijg ik last van mijn rug. Niet zeuren, sommeerde ik mijzelf. In die bonte, nou ja, rode stoet, waren ook veel mensen die aanzienlijk ouder waren dan wij: met stokken, schuifelend, in een rolstoel, of op zo’n scootmobiel. Ergens halverwege vond ik het welletjes. Gewoon over de trambaan liepen we terug, met vele anderen. Zijn wij meegeteld als deelnemer? Als het demissionaire kabinet nou maar weet dat wij er ook waren! Jawel hoor, vernamen wij op het nieuws: Schoof had ons gezien, schreef ie op X.
Terug naar huis viel het moeilijk een plekje in de trein te vinden maar in Leiden lukte het toch, gelukkig. M’n rug hè? Slechts langzaam raakte de trein weer leger. In station Heemstede Aerdenhout buitelde een hele rode divisie de trein uit. ‘Die hebben vanochtend hun poloshirtjes zeker nog gestreken,’ registreerde mijn vrouw. Ze bedoelde dat helemaal niet cynisch. Het was meer een argeloze afsluiting van al die verschillende demonstranten die we hadden opgemerkt. Van al die verschillende mensen, al die verschillende beweegredenen. Uit alle lagen van de bevolking, zoals dat heet. Uit het hele land. De rode lijn is al lang overschreden.
Op het terras van De Beren waren wij nog de enigen in het rood, zag ik. Ik deed mijn jack maar uit. Maar daarna zag ik alleen nog maar rijen slachtoffers voor mijn ogen dansen, in witte lijkwaden, beweend door hun familie, door broers, zussen, moeders, vaders. Die lijkwaden zie ik iedere dag in de krant en op de televisie. En ik dacht aan míjn moeder. ‘Het laatste hemd heeft geen zakken,’ zei zij dikwijls, aan het einde van haar lange leven.
Bij Nieuwsuur wilden wij nog naar het NOS-verslag van de demonstratie kijken. Dat volgde na de berichtgeving en analyse van de beelden uit Iran en Israël. Karel Hendriks kwam als directeur van Artsen zonder Grenzen vertellen hoe godsonmogelijk het werken in Gaza is. Zelfs de artsen leden honger. Het enige nog operationele ziekenhuis, in Khan Younis, wordt nu geïsoleerd door het Israëlische leger. Je hoeft geen visionaire gaven te hebben om te snappen wat dat betekent. Dat vertelde Hendriks zakelijk. Het was maar een voorbeeld. De emoties had hij uitgedaan.
En ik dacht aan al die Palestijnse moeders die wij in de stoet hadden zien meelopen. Grootmoeders ook, slecht ter been. Het laatste hemd heeft geen zakken.

V o o r a l s i k k o m
Rol geen rode loper uit voor als ik kom
of als dat dan toch moet van jullie
dan voor allemaal – zie daar eerst maar
eens uit te komen, uit jullie kift
en anders kom ik niet
Laat jullie gift zijn geopende handen
met niets erin geen wapens en ook geen
verwachtingen, geen contracten maar
lege handen om te kunnen ontvangen
en anders kom ik niet
Men zegt dat het zo mooi moet zijn
met grazige weiden en melk en honing
in overvloed genoeg voor iedereen
nou laat dat dan maar zien
en anders kom ik niet
Van engelen of hun zingen weet ik niets
te vertellen ik kom alleen en naakt en stom
maar als het waar is verneemt een enkeling
hun geruis hun fluisteren luisteren jullie wel
en anders kom ik niet
Open daarom jullie oren ogen handen
en als jullie klaar zijn te ontvangen
het leven door te geven aan mij
en al die nog geboren willen zijn
dan kom ik, heel misschien