Om het nu echt af te leren nog één verhaaltje: een psychiater kuiert door de enorme tuin van de instelling. Het weer is zo mooi als hij zich kan wensen en ook in al het andere meent hij in zijn nopjes te kunnen zijn. Ja, het lijkt wel een paradijs. Ook de patiënten hebben vrijaf.
Op het gazon ontwaart hij een patiënt van hem die met een hengel boven een emmer gebogen zit te turen. Medelijden welt in hem op. “En, bijten ze een beetje vandaag?”
De patiënt kijkt hem hoofdschuddend aan. “Dit is een emmer, idioot! De vijver is verderop!”
De psychiater valt stil en maakt zich uit de voeten.
De patiënt gooit zijn hengel weer uit. “Zo, dat is al de derde psychiater die ik vanmorgen gevangen heb.”
Moraal: in deze tijden van post truth lijkt het steeds moeilijker de waarheid te vinden. Het verdient geen aanbeveling daar cynisch over te worden. De ogen open houden, daar gaat het om.
Een ander verhaal gaat zo: een vrouw klaagt bij de psychiater haar nood dat haar man denkt dat hij een schemerlamp is. ‘Ai, dat klinkt niet goed. Hoe ziet dat er uit?’ wil de psychiater weten. ‘Hij staat de godganse dag in de hoek van de kamer en roept dan dat ie het licht is.’ ‘Dat is inderdaad niet zo best,’ meent de psychiater. ‘Brengt u hem maar hier, dan zal ik zien of er iets aan te doen is.’
‘Maar dokter, u denkt toch zeker niet dat ik gek ben? Dan zit ik in het donker!’
Van alle interpretatiemogelijkheden wil ik omwille van de harmonie één kortsluiten, ik wil thuis ook nog een leven hebben. De grap werkt volgens mij net zo goed als je een man bij de psychiater laat komen met de mededeling dat zijn vrouw denkt een schemerlamp te zijn. Ik bedoel maar te zeggen dat bij wat grappig gevonden wordt onderliggende vooroordelen altijd een grote rol spelen. Mij interesseert daarom de vraag waaróm iemand hierom lacht: dat legt die vooringenomen aannames bloot.
We labelen wat af om in een ongewis bestaan onze weg te vinden: dat is raar, die is gek. Die is gestoord. Dat is rechts. Dat is links. Niet normaal man! Lees de krant er maar op na.
Mijn punt is: het labelen helpt niet. En of er een psychiater bestaat bij wie we onze nood kunnen klagen, zoals in de verhaaltjes, is al net zo twijfelachtig als het bestaan van een goedheiligman.
Gistermiddag las ik op het strand in de plannen van de econoom Piketty (Global Justice Report). Daarin vond ik veel wat het grondig overdenken waard is. Zijn diagnose dat het op deze aarde onrechtvaardig gesteld is met de verdeling van de welvaart deel ik. En dat het met deze aarde nog beroerder gesteld is ook. De nood wordt met de dag urgenter. Alweer, lees de krant maar.
Zijn oplossing is kinderlijk eenvoudig. En nu maar hopen dat die niet gelabeld wordt als naief. Of knettergek. Of links. Of rechts.
Het verhaal gaat zo: een man vertelt bij de psychiater over zijn ongemak dat hij denkt een graankorreltje te zijn. ‘Ach,’ zegt de psychiater, ‘mensen denken zoveel van zichzelf en dat klopt zelden. U kunt er oud mee worden hoor!’ Maar man wil helemaal niet op die manier zijn dagen slijten en dringt aan op een therapie. Zo geschiedt.
Na een intensieve therapie die jaren duurt en handenvol geld kost verklaart de psychiater de man voor genezen. En inderdaad, de man is opgehouden te denken dat hij een graankorreltje is. ‘Ik ben bevrijd! Mijn gedachten vliegen nu heen waar zij maar willen! En ik durf weer de straat op!’
Hij gáát de straat op. De psychiater zwaait hem uit. Binnen tien minuten belt de man echter gillend van paniek weer aan. ‘Maar u weet nu toch dat u géén graankorrel bent?’ ‘Jawel, maar weten die kippen dat ook?’
Zo.
De beeldspraak achter dit verhaal uitleggen bederft de pret. Wie is die man? Wie de psychiater? Wie de kip?
Bij sommige huidige machthebbers blijkt het wat al te gemakkelijk om een diagnose te stellen. Krijg je nog meer verhaaltjes. Maar een ander ziek verklaren maakt deze planeet nog niet beter. Jammer. Maar helaas.
Bert en Ernie, Sesamstraat. Met de stemmen van Wim T. Schippers en Paul Haenen
De kwestie is: hoe verdeel je de taart?
Zoveel is duidelijk, met beleefdheid komen we er niet. Over fatsoensregels kun je bakkeleien. Of die gewoon aan je presidentiële laars lappen. Ook Kant ’s verlichte idee van de categorische imperatief is maar een construct, en een slecht gelande ook nog. Laat ik maar niet beginnen over imperatieven die vanaf kansels of politbureaus over de mensheid worden uitgestort.
Het punt is dat ieder mens als kind de ingeboren notie van rechtvaardigheid aan de situatie zal moeten toetsen.
Het punt is dat geen enkele situatie precies gelijk is aan een andere.
Het punt is dat geen mens precies gelijk is aan een ander.
De vraag Waar komt ons brood vandaan? is kinderlijk eenvoudig. Het antwoord is dat niet. Dat wil zeggen, voor mij niet. Want ieder antwoord roept weer nieuwe vragen op. Het graan dat op onze akkers staat te rijpen wordt niet door de bakker gebruikt maar als veevoer opgevreten door koeien, varkens en kippen. Daarvan wonen er héél veel in dit land. Dit is niet bevorderlijk voor de natuur in dit land. Waarom is dit zo? ‘No farmers, no food’, hoor je wel eens zeggen. Alsof daarmee het stikstofprobleem een bedrijfsongevalletje is. Maar die miljoenen en miljoenen dieren zijn ‘voor de export’, wat dat dan ook maar moge betekenen. Nu er de afgelopen dagen zoveel om de vleesverwerkende industrie te doen is, stel ik de vraag Waar komt ons vlees vandaan? maar even uit. Aan het vraagstuk van de Europese landbouwsubsidies durf ik nog niet eens te denken.
Misschien vatte ik de regels uit Campert ’s gedicht te letterlijk op: ‘jezelf een vraag stellen / daarmee begint verzet // en dan die vraag aan een ander stellen’. Omdat ik die vraag dan aan mijn vrouw stel, begint ons huishouden in het honderd te lopen. ‘Je lijkt wel een kleuter,’ moppert ze, ‘zoek het zelf lekker op, ’ als ik over boter, kaas en eieren begin.
Om de harmonie enigszins te herwinnen gingen we gisteren samen naar de film. The President ’s cake gaat over de negenjarige Lamia die door het lot wordt aangewezen om de volgende dag een verjaardagstaart voor de president mee naar school te nemen. Zoiets moet kunnen lukken. Maar er zijn omstandigheden. Die president is Saddam Hoessein en het verhaal speelt in de jaren negentig toen de gewone mensen in Irak van de honger verrekten onder de Westerse sancties. Er was nauwelijks meel. Er was nauwelijks suiker. Er waren nauwelijks eieren. Tenzij je heel veel geld had en dat had Lamia niet. Ze had alleen het horloge van haar overleden vader en dat wilde niemand kopen. Ik wou het hier maar even bij laten.
Terwijl mijn vrouw in de donkere filmzaal haar huiverende aangedaanheid probeerde te verbergen – ik voelde haar hand de mijne zoeken – sloegen mijn gedachten krampachtig een andere weg in om het onrecht in de bek te kunnen kijken. Van melodrama bak je tenslotte geen brood. En Saddam Hoessein is weg, gelukkig, al is Irak nog steeds geen vakantieland. Maar dat geldt voor die hele regio, als ik de kranten mag geloven. Wat ik, gelet op de dramatisch stijgende prijzen van het levensonderhoud, over brandstof heb ik het niet eens, wij tanken LPG, maar ik doe ook heus wel eens de boodschappen, wel móet.
Hoe ter wereld is het mogelijk dat waar de wieg van de Westerse beschaving stond, en de landbouw zo ongeveer is uitgevonden, een jonge filmmaker een sprookjesachtig verhaal verzint over het bakken van een taart? Als de mensheid ergens graan heeft leren verbouwen, en brood heeft leren bakken, en koekjes, en taarten, dan was het dáár: de Vruchtbare Halvemaan bij de Eufraat en de Tigris, Mesopotamië, de Hof van Eden. Ontstonden in Sumer niet de eerste steden? Vonden de Sumeriërs niet het schrift uit? En de literatuur? Ach, de tijden van Gilgamesj!
Ongeveer halverwege de film, als Lamia erachter komt dat het schamele bedrag dat ze uiteindelijk toch voor haar vaders zakhorloge heeft kunnen krijgen vervalst geld is, heeft mijn brein al een millennium of vijf, nee tien, aan menselijke ontwikkelingsgeschiedenis doorgeploegd.
Met een engelachtig doorzettingsvermogen slaagt Lamia er uiteindelijk in een taart te produceren. Maar eerlijker of lolliger is het er niet op geworden sinds de mensheid van meel brood heeft leren bakken. Machthebbers en politici die menen van wel hebben meel in de mond.
En nu is mijn volgende vraag wat dat plan van onze minister van Landbouw precies behelst.
Andersens vertelling voor kinderen De nieuwe kleren van de keizer (1837) hielp niet. Gandhi’s wijsheid voor machthebbers “The world has enough for everyone’s need, but not enough for everyone’s greed” hielp niet. Bovenstaande politieke cartoon hielp ook niet. En Sander Schimmelpennicks column in de Volkskrant van vandaag waarin naar deze tekening wordt verwezen zal ook wel niet helpen. Als niets helpt, wat doe je dan?’
‘Verzet,’ zegt de dichter Remco Campert, ‘begint niet met grote woorden.’
Verzet begint niet met grote woorden maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin of de kat die de kolder in zijn kop krijgt
zoals brede rivieren met een kleine bron verscholen in het woud
zoals een vuurzee met dezelfde lucifer die een sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik een aanraking iets wat je opvalt in een stem
jezelf een vraag stellen daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen.
Remco Campert, Iemand stelt de vraag. In: Betere tijden (1970)
Dit alles gaat in mij om terwijl ik naar het brood op tafel kijk. Hoe komt dat brood daar?