De week van de lentekriebels? Vreemd, voorgaande jaren leidde dat lesprogramma op de basisschool tot grote commotie en maatschappelijke beroering. Hebben de ouders het lesje geleerd?
Jammer genoeg zijn er nog steeds andere landen waar je als lhbtqia-er tot een verborgen leven bent veroordeeld. Maar in Amerika, bijvoorbeeld, zijn er ook nog wel andere onderwerpen voor de basisschool.
Intussen heeft in de vrije natuur alles z’n open en blote beloop, zonder oordeel. Het is verbluffend hoeveel daar mogelijk is.
Gistermiddag zagen we ze wel, kemphanen bij de Kinsel, even ten noorden van Durgerdam. Op waarneming.nl werden er wel honderd gerapporteerd, wij ontdekten er tien. Honderd of tien, het was groot geluk, één enkele kemphaan zou dat al zijn. Eéntje maar? Ja, we leven in deze tijd wat de natuur betreft op een bizar karig rantsoen.
Dat het geen eigen foto kan zijn zie je meteen: deze twee mannen zijn al duidelijk in broed/baltskleed, het moet hier mei zijn. Tot broeden komt het overigens bijna nooit meer in Nederland en baltsen doen ze op steeds minder plekken. Wie dat wil zien moet naar Scandinavië of het noorden van Rusland, onze weilanden zijn slechts een tussenstop. Dat heeft in het geval van de kemphaan niet rechtstreeks met de klimaatverandering te maken maar bijna alles met de landbouw. Met hoger gehouden waterstanden en een verlaat maaiprogramma zouden ze hier vermoedelijk wel blijven. Minder verkeersherrie zou ook een boel schelen. Voor heel veel meer weide- of boerenlandvogels zou dat trouwens gunstig zijn. En dat weten we allemaal al lang.
Sinds 2020 bestaat er een Aanvalsplan Grutto. Die term voorspelde indertijd al weinig goeds, en we weten hoe het meestal afloopt met militaire operaties. Verdrietig. Als je de moeite neemt het plan nog eens door te nemen snap je meteen waarom dat maar niet lukt. Er is te veel ‘escape’ mogelijk.
Vogelbescherming Nederland becijferde dat er zo’n € 35 miljoen benodigd was. ‘Dat is minder dan 2 euro per Nederlander,’ rekende ze geheel volgens Bartjens uit. Ik begin er vanmorgen niet eens aan op te sommen waarom voor veel mensen die twee euro te veel is. Nou vooruit, eentje dan: de brandstofprijzen vandaag aan de pomp. Hoe zou dat nu komen?
De waarde van iets uitdrukken in geld levert zelden iets op. Een vergelijking trekken met militair jargon roept onvermijdelijk verlies en verliezers op. En politici of staatshoofden die beginnen over een win-winsituatie wantrouw ik als de pest. Dat het om een mentaliteitskwestie gaat, een zaak van intenties, dat er – kortom – bewustzijn mee gemoeid is, weten we allang. Dat er al heel erg lang een rekening loopt die ooit zal moeten worden betaald ook.
Dit bericht de NOS vanmorgen: “Het klimaat op aarde is meer uit balans dan ooit is waargenomen, stelt de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) in een jaarlijks rapport. Wetenschappers meten hoeveel warmte de aarde opneemt én weer afgeeft. Nog niet eerder zagen zij dat de aarde zoveel warmte vasthield als in 2025. Sommige van de negatieve gevolgen daarvan, bijvoorbeeld op oceanen, zullen nog honderden jaren – potentieel zelfs duizenden – merkbaar zijn.”
Op de oude Zuiderzeedijk, de Uitdammerdijk, keken we naar al die duizenden en duizenden steltlopers: grutto’s, kieviten, tureluurs, kluten, watersnippen, scholeksters. Kemphanen. Het was een drukte van belang.
Alle vogels hebben hun specifieke behoeften en ze kunnen nemen wat ze nodig hebben. Voor elke vogel is er genoeg. Alle kennen hun specifieke plek in die ontzagwekkende ecosystemen die geen mens precies kan overzien. Praat me niet over armoe.
Elwin van der Kolk, Wildlife Art, Laag Holland, Lente
De plaat hierboven past uitstekend in de traditie van de schoolplaten van eertijds, in die van Jetses en Koekkoek. De hedendaagse maker, Elwin van der Kolk, is zowat de huisschilder van Vogelbescherming en omdat de vogels goed herkenbaar in beeld zijn gebracht hoef ik zijn verdiensten niet verder onder de aandacht te brengen. Van der Kolks afbeeldingen sieren ook de vogelportretten op de website van Vogelbescherming én die van de onovertroffen vogelserie van Atlas/Contact. De plaat hierboven lijkt geschilderd in Het Twiske, dat hier achter huis zo ongeveer begint. Maar zo veel verschillende weidevogels tegelijk op één plaatje, dat kan natuurlijk niet. Daarvoor is de plaat ook helemaal niet bedoeld.
Bestaan er nog schoolplaten? Of heeft Van der Kolk last van vals sentiment? En ik van oubol? Nou nee, maar om het ecobewustzijn te bevorderen zouden die platen in de klas moeten hangen, in deze vorm of in een andere. Over smaak ga ik niet. Hangen ze tegenwoordig niet de lokalen vol met foto’s van de nieuwste boyband of girlband om de kinderen op hun volwassenheid voor te bereiden? Als ik minister van Onderwijs zou zijn zou ik dat Ministerie om zo te zeggen met Noord-Koreaanse hand bestieren. Geen onbereikbaar sterrendom maar gewone vogels van het seizoen om de hemel naar af te speuren. Die hemel blijft namelijk steeds leger.
Ik begrijp ook wel dat er altijd mensen zullen zijn die geen grutto van een kievit kunnen onderscheiden. En het is zo eenvoudig: kie – vit, kie – vit, grwut – to, grwut- to. Ook lijkt er mij toch een aanmerkelijk verschil in belang of je dit wel kunt, dan wel of je accentloos de Koreaanse namen van de samenstellende leden van BTS weet af te raffelen.
Ik bedoel dit: volgend jaar is de samenstelling daarvan weer anders. Een kievit blijft een kievit en een grutto een grutto. Het zijn er alleen ieder jaar minder.
‘Je weet niet wat je mist’ is een schrijnende vaststelling als het bijvoorbeeld gaat om de kemphaan. Die broedt hier al lang niet meer en is ook steeds moeilijker in het wild waar te nemen. Al is het niet helemaal onmogelijk, en al kan het nog wel. Zoiets als een schoolplaat zou kunnen helpen: hé, wat is dat voor merkwaardige vogel daar vooraan? Bestaat die echt? Waarom heb ik die dan nog nooit gezien?
Het eerlijke maar pijnlijke antwoord (‘omdat jullie ouders en grootouders de hele natuur verkwanseld hebben’) mag geen reden zijn kinderen een vogelloze weide als normaal te presenteren.
Het Vogeljaar, jg 8 nr 2, mei 1960; de omslag is van Henk Slijper
I
In de wereld van vogelaars kent iedereen vermoedelijk de naam van Henk Slijper (1922-2007). Zijn werk pronkte meer dan dertig keer als omslag voor Het vogeljaar (1953-2022) en dat vogeltijdschrift is vermoedelijk ook veel vogelaars ook niet onbekend. De titel van het blad zal in elk geval die van Jac. P. Thijsse’s Het vogeljaar (1903) oproepen, het eerste boek over vogels in Nederland voor een groot publiek.
Maar mij gaat het nu even om de kemphaan. Het zou me niks verbazen als mensen die niet anders kennen dan uit de uitdrukking ze vochten als kemphanen. En de herkomst daarvan zegt hen dan vermoedelijk net zoveel als iemand een loer draaien.
Het zijn, vermoedelijk, niet alleen de toegenomen mogelijkheden in de fotografie maar ook de veranderde eisen van ’t publiek dat we nu iets anders van vogelkiekjes verwachten. Dit bijvoorbeeld:
Kemphaan (♂) | foto Natuurmonumenten
II
Ik heb een beeld: in mijn vroege jeugd mocht ik met mijn vader de polder in als hij zijn klanten bezocht, ik zie mijzelf weer voorin het DAF-je zitten. We hebben het over de tijd van de tekening van Slijper. Ik vermoed dat mijn vaders kennis van de natuur voor die tijd heel gemiddeld was. Wat hij wist vertelde hij mij en wees hij aan in het veld. Van hem moet ik over kemphanen gehoord hebben. Hoe wist ik anders nog vóór ik naar de lagere school ging dat die vogels op een ‘lek’ samenkomen om hun ‘toernooien’ te houden? Dat er ‘satelietmannetjes’ bestonden?
Ik kan mij niet herinneren ooit in de polder kemphanen hebben zien samenkomen. Bedriegt mijn herinnering mij? Hoe werd die kennis dan overgedragen?
III
In de net verschenen monografie over de kemphaan zet Marc van Houten alle kennis over die wonderlijke vogel op een rij (Marc van Houten, De kemphaan. Atlas/Contact (vogelserie), Amsterdam 2026). Ik heb het uit. Prachtig boek.
Simultaan herlezen: Marc Argeloo, Natuuramnesie, Amsterdam 2022. Over wat we allemaal vergeten zijn. En hoe dat komt.
IV
Afgelopen donderdag hebben we geen kemphaan gezien. Die zijn wel degelijk in Nederland, kijk maar op waarneming.nl, alleen kennelijk toevallig even niet in het Waterland of op Marken. Of we keken gewoon verkeerd, ik heb ook al geen telescoopkijker. In elk geval broeden kemphanen niet meer in Nederland. Dat heeft oorzaken. Om die te begrijpen heb je tijd nodig. En geduld. Ik heb het nog niet eens over het wegnemen van die oorzaken.
V
Van natuur- en vogelfotografie verwachten we spectaculaire beelden. Deze bijvoorbeeld:
De maker van de foto kon ik niet achterhalen maar het zou me helemaal niks verbazen als-ie A.I. heet. Dit is een portret. Misschien gelijkt het goed maar veel zegt het niet over de vogel.
Het is niet moeilijk hier een tekst bij te verzinnen die over bijvoorbeeld de heer D.J. Trump gaat. Maar dan gaat het natuurlijk om die tekst en niet langer om de vogel.
VI
Ik verlang heus niet terug naar de tijd dat je het met een tekening moest doen om een idee te krijgen van hoe een vogel er uit ziet (1960). Of naar de tijd dat de kemphaan de meest voorkomende weidevogel was (1900).
Ik verlang naar een tijd dat de terugkomst van de vogels belangwekkender is dan de grillen van politici.
Plas-dras; vogelkijkhut richting het Paard van Marken
Voor weidevogels is plasdras het mooiste wat er is. In het hele Waterland vind je dat wel – en zo vind je dan ook de weidevogels waarom het ons te doen was.
De terugkomst van de grutto hadden we al eerder gevierd, twee weken geleden op het landje van Geijsel. Het bijzondere van dat weerzien, dat weer hóren vooral, was dus al niet meer zo bijzonder. Nu waren de oren dus vooral gespitst op de tureluur. Tluu – tluu – tluu – tluu – tluu – tluu, probeer dat maar eens op te schrijven, dat lukt je nooit. En dan die melancholie nog.
Je zou dan trouwens ook de rest van het landschap in die notatie moeten zien te krijgen: het lichtende blauw van het vroege voorjaar, de windveren erin, de weerspiegeling in het water, het rimpelend water zelf, de geluiden van alle andere vogels tegelijkertijd, de verandering van geur na de winter, heel het heerlijke van zo fietsen door deze prille wereld.
Op het hobbelige paadje dat helemaal rond Marken gaat stonden we te kijken, en te luisteren. Er moeten wel vijftig grutto’s hebben gezeten, overal weerklonk hun opgewonden gejodel. En dwars daardoorheen klonk een aanhoudend tluu – tluu – tluu – tluu – tluu. Toen ik op zoek ging naar hun rode pootjes zág ik ze ook, de tureluurtjes.
Terwijl ik probeerde te achterhalen welk tureluurtje bij welk tluu – tluu – tluu ’tje hoorde merkte ik pas de schuilhut op die zich aan de rand van de plas-dras ophield, onopvallend en daarom bij nadere inspectie uiterst verdacht. Met de kijker ontwaarde ik op verschillende hoogten gecamoufleerde gaten waaruit ik telelenzen verwachtte. Maar ik zag er geen. Vandaag geen vogelaars of natuurfotografen.
Eén gat bevond zich juist boven de waterspiegel en terwijl ik mij het ongerief van de fotograaf voorstelde, viel mij de foto in die ik gisteren bij mijn haiku had gevonden op Deeldenatuur.nl. ‘Maar die foto moet precies van daaruit gemaakt zijn!’ wees ik mijn vrouw, toch wel verbouwereerd dat we zonder te zoeken precies op de plek van die foto waren beland. ‘Zo,’ zei die alleen maar, ‘betrapt?’
Over de klinkertjes verder hobbelend schampten mijn gedachten langs het bekende vraagstuk of iets bestaat als het niet opgemerkt wordt. Maar van de filosofie kun je flink van het padje geraken en ik had al moeite het klinkerpaadje te volgen. Overal op Marken zijn ze met de dijk bezig, ’t zal vast heel mooi worden als het klaar is en toekomstbestendig. Maar voorlopig moesten we het oude pad nog maar zien te vinden want dat was overal ondergestoven. Onze voorwielen gleden er steeds op weg, pas na het Paard ging het iets gemakkelijker.
Weer thuis zocht ik op waarneming.nl of de grutto’s en tureluurtjes ook door anderen waren opgemerkt. Het waren er zo veel. Hetgeen niet. Maar ze waren er, gistermiddag, en niet alleen in ons hoofd. Wij waren er in. En wij waren ook temidden van al die honderden brandganzen, waarvoor we bijna moesten bukken toen ze opeens opvlogen. Al die smienten die we bij duizenden op de Gouwzee hadden zien dobberen.
Alleen kemphanen zagen we niet, noch in het Waterland, noch op Marken. Daarvoor zijn ook heel andere redenen en oorzaken. Niet slechts de geest.
Tureluurtjes bij Marken, 4 maart 2024 | foto Loes Belovics
Die tureluurtjes,
zo ver ze te horen zijn:
tot het uiterste
_____
Opm.
Nog niet alle stemmen van de gemeenteraadsverkiezingen van gisteren zijn geteld. Toch roept iedere partij zichzelf bij acclamatie tot winnaar uit. Ja ja, en de heer Trump te W. (U.S.A.) is een groot veldheer.
Omdat het zulk fraai lenteweer is fietsen we vandaag het Waterland in: grutto, kievit, wulp, watersnip, scholekster, kluut zijn allemaal weer in het land. De tureluurtjes weer horen. En misschien, héél misschien zien we nog een echte kemphaan.
Oosterpark 82 (Witsenhuis) waar de dichter J.C. Bloem rond 1950 woonde; Nescio woonde toen in de Linnaeushof, op een kwartiertje lopen. Tegenover ligt het Oosterpark, alweer het hek waartegen de titaantjes, enz.
Voor wie het in het hier-en-nu zoekt zijn weemoed en verlangen verleiders die je maar beter kunt weerstaan. Maar verleiders verstaan hun vak goed. Ze leiden een verborgen bestaan. Van daaruit slaan ze toe. ‘Crepusculair’ is het woord dat opkomt. Zo erg is het dus.
Omdat ik al maanden wachtte op een vogelboek, over de kemphaan, die ik mij in mijn vroegste jeugd herinner wel eens gezien te hebben, maar daarna nooit meer, ach, al die vogels die verdwenen en verdwijnen, voorbij, voorbij, en voorgoed voorbij, haastte ik mij afgelopen woensdag naar de boekhandel toen het eindelijk uit was. Ze hadden het. Nèt binnen. Ik blij. Maar toen ik ging afrekenen zat daar opeens ook nog een boek bij over de dichter Bloem. Ik moet het achteloos hebben opgepakt van de ramsjtafel buiten, kalm maar resoluut. Toen ik met mijn buit door de miezerregen naar huis fietste, de beide schouders opgetrokken en mijn hoofd in mijn kraag waar ik het water naar binnen voelde kruipen, vielen mij regels uit Grafschrift in: de schaduw van twee vleugels, die hem joegen, de felle klauw in zijn gebogen nek. Crepusculairder kon je het niet krijgen.
Thuisgekomen keek ik het boek over de kemphaan echt wel even in, dat was allemaal in orde stelde ik vast, dat kon later ook nog wel. Zodat het nu zo is dat ik de biografie van Bloem uit heb en aan het vogelboek nog moet beginnen. Nu ja, om nog ergens kemphanen te kunnen zien toernooien moet ik toch heksentoeren uithalen.
De gedichten van Bloem hebben op mij altijd wel indruk gemaakt. Ik zou er anders ook niet zomaar een paar kunnen opzeggen. Maar toch riekte er zwakjes een geur uit van een eeuw die niet zou terugkeren. Gelukkig maar, dacht ik vaak, zonder precies te weten waarom. Nu ik dat leven moeizaam door indolentie en drankzucht voorbij heb zien trekken in Slijpers biografie (Bart Slijper, Van alle dingen los; Het leven van J.C. Bloem, Amsterdam 2007 (diss.)) is mijn reserve ook wat duidelijker.
In de studies die ik daarover las werd ‘het verlangen’ bij Bloem vaak op dezelfde hoop gegooid als dat van Nescio’s ‘verlangen zonder te weten waarnaar.’ Ik weet niet meer wie het beweerd heeft, ’t zal dus Kees Fens wel weer geweest zijn. Ik vond het maar niks. Het oordeel van iemand die zelf niet weet te verlangen.
Dit zinderde tijdens mijn lezing telkens ergens op de achtergrond totdat ik bij Slijper onverhoeds een zinnetje van Nescio tegenkwam: “Bloem zit nog altijd aan het Oosterpark zoo’n beetje te dichten achter z’n bloeiende clivia,” noteert Nescio op 9 mei 1951 in wat zijn Natuurdagboek is gaan heten. Maar daar gaat het niet om, het gaat om dat éne zinnetje.
Nescio is er een paar dagen met zijn vrouw tussen uit geweest. In Limburg hebben ze ‘Den Mei ingewijd.’ Al die plekken langs de Geul waar wij laatst ook waren. De negende zijn ze terug in Amsterdam, ‘toch nu zeer blij weer.’ ‘Eigen lucht.’ En dan dat afsluitende zinnetje over Bloem. Die woonde toevalligerwijs eventjes vlakbij, maar daar gaat het nu ook al niet om. Waar het om gaat is dat Nescio niet achter de bloeiende clivia is gaan zitten klooien met verhaaltjes die maar niet van de grond kwamen maar er met zijn vrouw op uit trekt. Op 8 mei, Dinsdag noteert hij: “Om 4 uur koekoekte de koekoek als gek. Tegen half zeven wakker: weer koekoek.”
Dat is wakker en alert. En helemaal niet weemoedig.
Zo. En nu ga ik eens kijken waar ik kemphanen zou kunnen vinden.
‘Ineens is iets kunst,’ zei Armando eens en ergens. ‘Ineens zijn de stoutmoedige gedachten en daden van een troosteloos mens in het domein van de kunst terecht gekomen. Dat is, ik weet het uit ervaring, een streng en wrang domein. Met eigen wetten en gevechten. Je kunt er beter niet terecht komen, want je wilt ook wel weer eens terug en dat lukt je lang niet altijd. Mij is het nooit meer gelukt.’
Stelt Der Baum een boom voor? Geen idee. Had Armando een speciale boom voor ogen? Geen idee. Een Duitse boom wellicht? Geen idee. Waarom zo rood? Geen idee. Is de boom soms een metafoor? Geen idee. Iets met de oorlog misschien? Geen idee. Wat was er eerder, het schilderij of de titel? Geen idee. Wat is de betekenis van het schilderij? Geen idee. De waarde dan?
Om duidelijk te maken dat er niets over te zeggen valt heb je veel woorden nodig. Het lijkt dan wel de explicatie van een of ander religieus ritueel. Maar het is gewoon verf.
En als ik er naar kijk kan ik niet anders dan onwillekeurig aan de maker denken. Aan wat ik weet van zijn leven.
Ik kan er ook niet naar kijken zonder dat ik alle bomen die ik ooit zag er in zie. Aan wat ik weet van mijn geschiedenis.
Het citaat komt voor in een voorstelling die Cherry Duyns een jaar na Armando’s overlijden als eerbetoon aan zijn vriend maakte: Ik hoorde dat er geluisterd werd.
Het navrante is, onder andere, dat hij begeleid wordt door de Oekraïense accordeonist Oleg Lysenko. Poetin had toen wel De Krim en grote delen van de Donetsk bezet maar moest nog aan zijn ‘speciale militaire operatie’ in Oekraïne beginnen. Het bedrog van taal. Trump ouwehoert nu over ‘een excursie’ als hij het bommentapijt bedoelt dat zijn strijdkrachten over Iran aan het leggen zijn. Pete Hegseth is onomwondener: hij is Minister van Oorlog. Epic Fury bedoelt Iran weg te vagen: Iran zal worden onderworpen aan “dood en vernietiging uit de lucht, de hele dag door.” De militairen hebben ‘maximale toestemming’ gekregen. “Dit is geen eerlijk gevecht: we slaan ze terwijl ze op de grond liggen.”