Tegen de wind kun je natuurlijk moeilijk zeggen ‘ga nou maar weer liggen’. Wat dan?
Wie wil, kan deze haiku (en die van gisteren) overdrachtelijk opvatten – op het wereldtoneel razen genoeg stormen. Maar het punt is dat je dan vanzelf in een andere storm terecht komt: bijvoorbeeld wat concreet te doen tegen het geloei en gebulder van iemand als Trump?
Mijn punt is dat ik bij het maken van een haiku eerst uit de storm van mijn persoonlijke gedachten en gevoelens moet zien te geraken. Wat is er te zien op het strand? Als zand weer zand is, en water weer water, wind wind, kan ik om mij heen kijken. En het wonder is: ook naar binnen.
Trouwens, ik wil ook niet in de gevoelens of gedachten van een ander terechtkomen want dan blijft het ook maar razen. Mijn haiku bieden daarom geen aanbeveling, zijn geen advies, bevatten geen panacee.
Bij iedere haiku zoek ik grond waar ik niet kan staan.
Waarom strandlopertjes ‘strandlopertjes’ heten snapt iedereen meteen. Waarom sommige Kanoetstrandloper heten is minder inzichtelijk. Het verhaal schoot mij weer te binnen in verband met alle gedoe rond Groenland de laatste dagen.
Knud den Store / Knoet de Grote (995-1035) was koning over Scandinavië, Engeland en nog zo wat. Die was het dagelijks gevlei van zijn hovelingen dermate zat dat hij ze op een dag meenam naar zee. “Als ik zo machtig ben als jullie zeggen zullen de golven mij zeker gehoorzamen!’ En hij strekte zijn arm uit en gebood: “Wijk terug, jullie golven!” Daar hadden die golven natuurlijk weinig zin in en als zijn hovelingen hem niet met troon en al voor de aanrollende branding hadden weggesleurd kenden we nu het verhaal Hoe Knoet Verzoop in de Vloed. Machthebbers, of hun tegenstrevers, kunnen het verhaal al naar gelang hun ambitie of aspiraties inkleuren. Dat is de aardigheid van verhalen: ze zijn Fact-Free.
De kanoetstrandloper die nu in de winter langs onze kusten dribbelt is de IJslandse variant, de Caladris canutus islandica. Daarover zijn opmerkelijke feiten te vermelden. Zo ongeveer in mei vertrekt die in noordwestelijke richting om via IJsland zijn arctische broedgebieden op te zoeken: Groenland en vooral het Noordwesten van Canada, Ellesmere Island. Na een kort broedseizoen vliegt – ie unverfroren weer terug, in één ruk.
De gedragsecologe Eva Kok (RUG / NIOZ) promoveerde op onderzoek hoe die tocht verloopt. Daartoe werd één kanoet gezenderd, Paula. Zo vloog ze:
Paula’s route tijdens de retourvlucht Waddenzee-Ellesmere Island v.v. De noordelijke route over Groenland en langs de oostkant van IJsland is de non-stop terugvlucht. De rode stippen zijn de posities die via satellieten naar het NIOZ werden teruggemeld (Bron: NIOZ)
Dat ik van die prestatie wel even stil word zegt meer over mijn bevattingsvermogen dan over Paula. Alle IJslandse kanoeten kunnen dit. En als ik over andere wonderbaarlijke eigenschappen van vogels zou beginnen is de Annual Meeting World Economic Forum 2027 al lang van start gegaan. Als die dan nog gehouden wordt tenminste.
Ik vroeg mij gewoon af wat een hedendaagse machthebber voor uitzonderlijks zou moeten verrichten om een vogeltje van pak ‘m beet 120 gram (voor de tocht misschien het dubbele) naar zichzelf vernoemd te krijgen. Ik bedoel, als de Nobelprijs voor de Vrede te hoog gegrepen blijkt moet men de ambities misschien enigszins bijstellen. Met groene golfballetjes gaan spelen? Waarop gedrukt, of het gelogen is, een geraffineerd motiefje van olijftakken?
Presidentiële editie Bijbel, verkrijgbaar bij Amazon voor $99,99 USD
Ik heb niets tegen literatuur. Dat zou ook erg ondankbaar zijn: ik heb er jarenlang mijn brood mee verdiend. Nu hoeft dat niet meer. Dankzij het ABP ontbreekt mij nu niets. Daarom hoef ik geen vijgenblad voor de mond te nemen. Meel spuug ik eruit. Nou, vooruit met de geit!
Van zeer geïnformeerde zijde kreeg ik de vraag waar ik gisteren in ’s Heerennaam die berijming van Psalm 108 vandaan had. Daarin komt het woord ‘markt’ helemaal niet voor. “Staat niet in De Heilige Schrift geschreven ‘enUw eer over de ganse natie’? Blasfemie, dat was het!” Ja heus. ’t Kan zomaar zijn dat die de Psalmen net als ze soms in Amerika doen nog op hele noten zingt. Zulks omdat dat ritmisch dan beter uitkomt.
Moest ik deze vrome gelovige wijzen op de bedenkelijkheid van de frase de ganse natie? Ga er maar aan staan, als elders op deze treurige planeet met een beroep op dit soort redeneringen zichzelf een ‘Beloofd Land’ wordt toegeëigend. De lijken waarover dan wordt gegaan. . .
Ik verschuil mij er ook niet achter dat ‘markt’ van Google in de AI-modus kwam. Ai ai ai . . . Sommigen zouden inderdaad graag zien dat AI een goddelijke status krijgt: wat een wereld! Wie zich beroept op zelf verklaarde ‘heilige boeken’ laadt de verdenking op zich iets heel erg stouts te ondernemen.
Is mij dan niets heilig? Zeker, deze aarde is mij heilig. Die draagt en voedt ons allen. There is enough for everyone’s need but not for everyone’s greed. Ik zeg het maar even in het Engels opdat ook Trump dit rijmpje kan memoriseren. Dit eenvoudige inzicht bestond al lang voordat de testamentische tijd aanbrak. De vraag is niet wie dit beweerd heeft, de vraag is of er na onze tijd nog mensen zijn die dit zullen beamen: uit innerlijke rijkdom. Met vreugde. Met generositeit. Omdat wij deze aarde en dit leven ook zo maar gekregen hebben. Ook al weet niemand waarom.
Iemand die liegt en bedriegt, die chanteert en intimideert, die medemensen schoffeert, vrouwen minnacht, die louche handeltjes drijft omdat hij het wereldgebeuren slechts ziet als markt voor persoonlijk profijt, die mensen laat ontvoeren en in zijn naam laat vermoorden, die boeken verbiedt en wetenschappelijke kennis vernietigt, die niet wetten maar slechts eigen moraal als begrenzer van zijn handelen ziet en die zelf geen moreel besef heeft, die stampvoet als hij zijn kleuterwensjes niet vervuld ziet en dan donderend orakelt als een oudtestamentische god der wrake, die . . .
zo iemand neem je uiterst serieus. Zo iemand stel je onder permanent psychiatrisch toezicht. Zo iemand verzorg je opdat hij zijn medemens of zichzelf niet verder beschadige. Zelfs als de kans op genezen verklaring onwaarschijnlijk gering geacht moet worden.
Al vanaf zaterdag 13 oktober 1492 was het duidelijk dat het een helse klus zou worden er samen iets van te maken. Er woonden al mensen. En ze moesten het maar doen met wat ze mee hadden kunnen nemen uit De Oude Wereld: zichzelf. Dat waren niet altijd de edelste van de menselijke eigenschappen. Bovendien bleken van alle ziekten die de nieuwkomers onder de leden hadden ook zijzelf tot op de dag van heden uiterst vatbaar voor de Goudkoorts. Goudkoorts tast de realiteitszin in zeer ernstige mate aan. Door het zorgmijdend gedrag dat met de aandoening gepaard gaat, kan de situatie in korte tijd verslechteren. Dat is dan niet best.
Ik stuitte op de foto in een reportage over de gevolgen van één jaar leven onder Trump. Die liet ik mijn vrouw zien. Waar alle mensen zijn, wilde ze weten. Ja dat weet ik natuurlijk ook niet. ‘Pas maar op iets lelijks over Trump te schrijven,’ zei ze. Ja dat snap ik natuurlijk ook wel. ‘Het doet me ergens aan denken,’ zei ik. ‘Wat?’ wil de mijn vrouw weten. ‘Dit,’ zei ik en ik liet haar mijn boek over Edward Hopper zien:
Edward Hopper (1882-1967), Early Sunday Summer (1930)
Mijn vrouw herkende het schilderij meteen want ik heb het haar vaak laten zien. Het doet mij altijd erg aan vroeger denken. Wat dat dan precies is kan ik niet goed zeggen. Er zat helemaal geen kapper naast ons in het rijtje. Die woonde verderop. Maar verder lijkt het precies.
‘Je gaat toch niet fabuleren over The Great Depression, mag ik hopen?’ zei ze. ‘Al dat geouwehoer over de jaren dertig’. Ze kent mijn valkuilen. ‘Vertel nog eens over dat psalmversje,’ fleemde ze. Aan haar toon hoorde ik dat ze mij wilde behoeden voor paniek aangaande alle leed in de wereld. ‘Hou het klein,’ zei ze ook nog.
Welnu. Het winkelpand van mijn ouders was het linker. Of het rechter, als men zich inbeeldt vanuit de schilderij naar de toeschouwer te kijken. Wat natuurlijk niet kan, maar met feiten kan men niet nauwkeurig genoeg zijn. In het midden bevond zich de nering van de heer Heiloo. Deze dreef handel in kantoorbenodigdheden en verzorgde ook klein drukwerk. Dáárnaast was een winkel in fournituren. Van belang is dat zijn naam Luit was.
Nu wilde het geval dat ik iedere maandagmorgen een psalmversje uit het hoofd moest kunnen opzeggen, ik zat op de School met de Bijbel. Hoe zich de geschiedenis precies ontvouwde weet ik niet meer maar meestal werd ik ’s zondags wel aan mijn psalmversje herinnerd door mijn moeder.
De herinnering voert mij terug naar de keer dat ik vergeten was welke psalm ik ’s anderendaags moest kunnen declameren. ‘Weet je nog waar het over ging?’ wilde mijn moeder weten. Zij kende alle psalmen uit haar hoofd. Ik aan het prakkeseren. ‘Luit’ kwam er in voor, dat wist ik nog stellig. ‘Luit? De buurman?’ Weet je het zeker?’ Ja, ik wist het zeker. Mijn moeder vulde toen in ‘en met snarenspel?’ Ik verder prakkeseren. ‘Ja, en Heiloo ook!’ Mijn wereld was toen nog overzichtelijk.
Of mijn moeder toen op psalm 108 uitkwam weet ik echt niet meer. ’t Kan ook zijn dat ik die maandag gewoon de beurt niet kreeg. Van schaamte het versje niet op te kunnen zeggen heugt mij in elk geval niets. Wel van die zondagse stilte in de straat, die slechts gevuld mocht worden met het WOORD des HEEREN. Ik schrijf het als vanzelf in kapitalen. Dat drukte toentertijd eerbied voor gewijde ontvankelijkheid uit.
Vanmorgen lukt het mij zomaar met de hulp van Googles AI-modus de tekst te vinden:
“Mijn hart, o God, is tot Uw eer / Bereid, om U te loven; / ‘k Zal zingen, ja, mijn eer, o Heer, / Door psalmen U verhogen. / Waak op, gij harp en luit; / ‘k Zal in den dageraad / Ontwaken, met een luid / Gejuich, dat tot U gaat. / Ik zal Uw heil, o Heer, / Op ’s werelds markt verbreiden.”
Nu zit ik met het volgende probleem. Allicht heeft Trump geen buren die Luit of Heiloo heten. En in de Engelse berijming zal het ook wel weer anders klinken. Maar hoe kon de psalmdichter dat nou van die markt weten? Of maak ik het dan weer te groot?
Ida Gerhardt heeft heel wat afgewandeld, alleen of samen met Marie van der Zeyde, haar levensgezellin. Die schrijft in De hand van de dichter over de periode dat Gerhardt haar eerste aanstelling in 1939 in Kampen heeft over de wandelingen langs de IJssel: “[ … ] de Zevenkolkjesweg, Zalk en de Zalkerdijk, Kamper-Nieuwstad met de hooilanden vol kievitsbloemen en morgenster, het Kampereiland, Genemuiden. Langs de IJssel was het in het voorjaar één gewemel van weidevogels, – niet alleen kieviten, maar ook grutto’s en tureluurs, dansend, kantelend met de zon op hun vleugels, roepend; je werd er haast duizelig van.”
Maar dit schrijft Van der Zeyde, en niet Gerhardt zelf. En ook nog eens dertig jaar later. En Ida was haar grote liefde. Die verdedigd moest worden tegen een onwelwillende wereld. Of somtijds kwaadwillende wereld. Gerhardt’ s biografe, Mieke Koenen, spreekt oud-leerlingen uit die tijd en tekent op: “Ze trok zich [ … ] nooit wat van het weer aan, fietste gerust met beestenweer naar het Kampereiland en terug. Ze wandelde ook veel: in een martiale houding, met krachtige pas, zwaaiende armbewegingen – het was meer marcheren dan wandelen.” Mij interesseert de vraag wat Gerhardt nu precies zag.
Volgens mij zag ze overal de schim van Leopold. Van hem had ze op het gymnasium Oude Talen gehad, samen gewandeld – wat heel bijzonder was – en de klassieken vertaald: Vergilius, de Georgica, Lucretius, De rerum naturum om er nog in de oorlogsjaren op te promoveren. Een heel gedoe, om al die elegante of gedragen klassieke metra in het bonkige Nederlands over te zetten. Volgens mij zag ze Roland Holst, met wie ze in de verte verwantschap gevoelde en die ze meermalen heeft gevraagd eens een keer iets aardigs te schrijven over haar nogal conservatief uitgevallen gedichten. Volgens mij zag Gerhardt in de natuur eerst een Platoons Idee en dan prutste ze net zo lang totdat het ding ambachtelijk samenviel met wat er zich in de buitenwereld voordeed.
De bundel De slechtvalk (1966) is grotendeels in Ierland ontstaan. Daar verbleven de dames een aantal jaren iedere zomer in een afgelegen boerderij. Er werd veel gewandeld. Ik ken de streek.
Om iets van de titel, en dus van de bundel, te begrijpen moeten we naar het laatste gedicht uit de eerste afdeling:
HET ONHERROEPELIJKE
Gij slechtvalk met het onyx oog,
gehouwen uit korrelig porfier,
weer keerde ik waar gij zijt. Gedoog
mijn nadering, zwijgend koningsdier.
Eeuwigheid, overstaar mij hier
die nauwelijks te ademen waag,
die in het hart mijn dode draag
in de gesloten sarkophaag.
Wat Gerhardt hier ook ziet, een levendige slechtvalk is het niet. Maar ja, de bundel vervolgt met een afdeling (‘Keltisch’, ‘geïnspireerd door een oud kerkhof met Keltische grafkruisen. Wales, 1800’). Staat ze op een kerkhof, aanschouwt ze een grafornament? Om welke dode het gaat blijft ongewis, er zijn te veel kandidaten als ik de biografie volg. Maar Gerhardt houdt de sarcofaag potdicht. Daarin heerst Egyptische duisternis. ‘En Ik Doe NIET Open!’ Jammer.
Uit de jaren zestig stamt een van de aangrijpendste boeken over vogels dat ik ken, The Peregrine van John A. Baker (De slechtvalk, Atlas / Contact vogelserie). Dat gaat over de slechtvalk. En over de dood, die Baker op de hielen zat.
Deze vergelijking geeft natuurlijk geen pas. Van vergelijken is niemand ooit gelukkig geworden. Als de schaduw van voorgangers over de wereld valt zie je de levende wereld niet.
Die documentaire van Cherry Duyns (De wording, 1988) heb ik nog niet terug kunnen vinden en dat vind ik wel jammer. Langs omwegen vond ik het gedicht waaraan Ida Gerhardt lopende de opnamen heeft gewerkt. Ze was toen al 83 en behoorlijk blind aan het worden. Haar levensgezellin zou niet lang daarna overlijden. Tot aan haar eigen dood in 1997 heeft Gerhardt het met het innerlijk licht moeten doen. Of dat gelukt is weet ik niet.
In mijn editie van de Verzamelde Gedichten staat het gedicht nog niet, die is van 1980. Daarna heb ik kennelijk niets meer van Gerhardt gelezen. Zo gaan die dingen.
Het titelloze gedicht gaat over het ontstaan van een gedicht.
Langzaam opent zich het inzicht
dat een werkelijk vers iets levends
is, van stonden aan een wonder.
Langzaam opent zich het inzicht
dat het licht van binnenin is
wat die wisseling geeft van tinten.
Langzaam opent zich het inzicht
dat geen mensenkind kan weten
waar de herkomst van het vers ligt.
Ida Gerhardt, De adelaarsvarens, 1988
Ik zou het anders zeggen. Maar ja, ‘k ben Ida Gerhardt niet, ik zal wel moeten. Wat ik wel weet is dat je het gedicht de ruimte moet geven. Anders blijft het een fossiel.
Beeld Ida Gerhardt (1905-1997): Herma Schellingerhoudt | sinds 2018 op de IJsselkade in Zutphen
’t Werd toch weer bladeren in die meer dan zevenhonderd Verzamelde Gedichten, neuzen, verder lezen, terugbladeren, en af en toe geráákt worden als ik een gedicht beter las. Toen ik de biografie van Mieke Koenen erbij in de kast opzocht zat het prijsje er nog op. Nee, de helft van de prijs dus die moet ik in de ramsj hebben gekocht. Het was een duur boek. Wat is de waarde van de gedichten van Ida Gerhardt in deze tijd?
Het voelde ook aan als ongelezen, ofschoon mij veel vertrouwd voorkwam. Vertrouwd, en dat is toch weer heel iets anders dan bekend. Dat ze classicus was, en jarenlang voor de klas stond, dat ze nog les had gehad van Leopold, dat ze een liefdesrelatie met een vrouw had, een levenlang dezelfde vrouw en dat die ook heel geleerd was, iets met Hadewijch, iets met Psalmen, dat de verhouding tot haar moeder nogal ernstig verstoord was, dit doordien die moeder zelf niet vrij van stoornissen was, dat er een geheimzinnig verband was tussen al deze dingen die ze zelf ook niet begreep, dat ze bijna nooit interviews gaf en ‘verholen’ leefde maar dat Cherry Duyns toch eens een heel bijzonder portret van haar heeft gefilmd, De wording (1988). Ik heb die indertijd gezien maar mijn herinnering is wazig en welk gedicht er toen geboren moest worden weet ik niet meer.
Hoe kan iemand zo nabij komen met ‘achter het hart / der luiken luistert het’ (Zomeravond, in De Hovenier, 1961) en anderzijds zoveel afstand houden met ‘Hadden wij nimmer nog zwanen gezien, / zòuden wij hen op het water ontwaren, / o, wij zouden van vreugde vervaren – / lachen en schreien misschien.’ (De profundis, in Het sterreschip, 1979. En op het gemaaltje bij Monnickendam)?
De IJssel heeft twee oevers. Allicht, iedere rivier heeft twee oevers anders is het geen rivier maar een watervlakte. Ik kan de IJssel de mooiste en levendste rivier van Nederland vinden maar daar kan een ander het geheel oneens mee zijn. Ik heb nu geen zin om uit te leggen waarvoor dit allemaal een beeld kan zijn. En al zou die metafoor in een oogopslag het leven Gerhardt en het mijne, haar levensopvatting en de mijne, haar idee van poëzie en de mijne, haar kennis van de klassieken en mijn kennis van mijn klassieken, enzoverder enzovoorts – ik wou maar zeggen, ik heb veel herkend en veel was mij vertrouwd – al zou die metafoor in een oogwenk dat alles verduidelijken, dan nog zou je om de rivier te zien naar Zutphen moeten. Of naar Deventer want daar stroomt – ie ook. Of terug naar Lobith. Of de Alpen
Behalve als dichter van dat gedicht over de zwanen leek mij Ida Gerhardt nooit een natuurlyricus. De profundis zie ik regelmatig: de twee kwatrijnen staan als ‘straatpoezie’ afgebeeld op een gemaaltje in Waterland. Je komt er langs als je de Zeedijk neemt om van Monnickendam naar Amsterdam te komen. Wat natuurlijk de mooiste weg is.
Het lukt maar niet dat gedicht te memoriseren, iets hoekigs in het taalgebruik is mij vreemd. Maar misschien is er ook wel meer, ik vind Gerhardt altijd zo streng, vooral voor zichzelf. En bij dat gedicht vraag ik mij altijd weer af: welke diepe duisternis bedoelt Gerhardt hier toch ? Dat van die ‘ruisende slagen’ begrijp ik. Die zwanen zie je trouwens toch overal daar in het Waterland. Vooral nu in de winter verzamelen ze daar. Ga maar kijken. Luísteren.
Nu liep ik vorige week een boekje tegen het lijf dat ingaat op Gerhardt als voorvechtster van natuurbehoud. Daar keek ik van op. (Ida GerhardtPlant, mens, dier. Proza over de kunsten en natuurbehoud; samengesteld en ingeleid door Mieke Koenen. Amsterdam 2025). Met dat voorvechten liep het wel zo’n vaart niet maar Gerhardt heeft bij tijd en wijlen toch wel eens in ’t publiek gezegd dat de verloedering van de natuur haar erg aan het hart ging. Ik heb het nog niet helemaal uitgelezen maar dit gedichtje bekoorde mij:
Z O M E R A V O N D
Langzaam over het land
in de avond de trompet
van de andere boerderij.
Het praten op de bank
sterft uit, de witte roos
laat stille bladeren vallen.
Het kind, te bed gebracht,
slaapt niet, achter het hart
der luiken luistert het.
Het gaat om de laatste twee regels. Toen Gerhardt bij het schrijven tot aan slaapt niet gevorderd was, stokte het. Nu was het hele vers, nu was alles mislukt. Zij vertelt veel later in een lezing over de ontstaansgeschiedenis van dit miniatuurtje iets opmerkelijks. Niet het technische raakt mij (al zit dat vernuftig in elkaar) maar het feit dat zij vijfentwintig jaar heeft moeten wachten voor zij voor die impressie uit haar studententijd de woorden kon vinden. Ze kan er nog niet over uit. Ze is weer die student, én dat kind, én de dichter “( . . . ) die , als ze zesenvijftig is, die onvergetelijke zomeravond eindelijk zal mogen beschrijven, als een dank aan de schepper aller dingen.”
Dat van die schepper laat ik nu maar even voor wat het is – Gerhardt was gelovig. En in dat geloven ook nogal weerbarstig, begrijp ik. Maar waarom droeg zij de herinnering aan die zomeravond vijfentwintig jaar mee?
Elders zegt zij: “Nog altijd betekent werkelijke omgang met poëzie [ . . . ] receptief durven zijn, zonder vrees, zonder preoccupatie, zonder bijgedachten. Dit geldt dan voor de lezer en voor de dichter gelijkelijk.”
En dit: “Is dichten slechts aandachtigheid?” (In NA DE DAG, Kosmos 1940). Ik denk het wel. En dat luisteren houdt niet op. De ruis eruit filteren, dat is het lastige.
Uit Kyyiv las ik gisteren het Bericht uit de schuilkelder in de Volkskrant: “Het was in tijden niet zo’n koude winter geweest, ’s nachts had het steeds zo’n 15 graden gevroren en ook overdag bleef het vaak zo’n 10 graden onder nul.” Elena (70) en haar van oorsprong Hongaarse man Akos verlaten Kyyiv nadat de Oekraïense hoofdstad opnieuw doelwit was van Russische aanvallen. Burgemeester Klitsjko had de bevolking gemaand de stad te verlaten. Enfin, ’t was allemaal op het Journaal. En wegkijken kan niet.
Ik probeer mij een voorstelling te maken. Dat valt niet mee. Van de kou lukt dat nog wel maar van de opzettelijke, onmenselijke wreedheid van Poetin en zijn gevolg niet. Al bijna vier jaar duurt deze waanzin, die in de Donbas nog veel langer. Die kleine berichten, dáár gaat het om. Wegkijken kan ik niet. De verhalen van heel gewone mensen, hoe ze vermorzeld worden door de zieke denkbeelden van hun leiders, door de zieke systemen die door die denkbeelden opgetuigd zijn en in stand gehouden worden. Brrr.
Ik zou iets ter vertroosting willen kunnen zeggen. Iets ter bemoediging in deze bittere tijd.
Hoe die opname van Rachmaninovs Nachtwake in mijn bezit kwam is een lang verhaal dat er nu niet toe doet. De bizarre lotgevallen van die opname al evenmin. Of dat ik juist die opname prefereer. Pfff.
Hoe Rachmaninov er met zijn zeer geringe religieuze overtuiging toe kwam dit werk in 1915 te schrijven doet er al iets meer toe. Rusland raakte betrokken in de Eerste Wereldoorlog en hij wilde de soldaten iets mee kunnen geven. Maar in 1917 brak de ellende in Rusland pas goed uit en Rachmaninov moest zijn land ontvluchten. Zelfs vertroosting werd de bevolking ontzegd. Die hele bittere, waanzinnige twintigste eeuw. De wrede waanzin die in de onze nog niet is uitgewoed, en niet alleen in die streken.
Ik zat nog op de lagere school toen ik die Russische liederen voor het eerst hoorde. De teksten begreep ik allicht niet maar de oneindige compassie die uit de muziek klinkt wel. Nog weer later leerde ik begrijpen dat het uiteindelijk ook helemaal niet om die teksten gaat maar om wat voorbij de woorden ligt. Rachmaninov gebruikte die oude teksten alleen maar, het gaat om de compassie.
Je hoeft niet gelovig te zijn om die te ervaren. Velichit dusha moya Gospoda. Magnificat, het elfde gezang. Chestneyshuyu heruvim. De oneindige zachtheid die op deze aarde zo moeilijk te vinden is. Moge die over allen neerdalen. Over hen die de koude moeten ontvluchten. Maar moge die ook vooral de harten ontdooien van alle onderdrukkers.