Twee ultraorthodoxe Joodse mannen in de stad Bnei Brak. Foto AFP
Na de ontzaglijke klap was er eerst verbijstering, toen ongeloof: wat gebeurde hier nou toch in naam van de Onnoembare?
Er trad stilte in. Stof daalde neer.
Er werd gebeden, oude boeken werden geraadpleegd, er werd verder gebeden, er werd onderhandeld met de Allerhoogste. Nochtans veranderde dat de situatie niet. Er was een bom gevallen op de meisjesschool. Er vielen doden te betreuren. ‘De meisjesschool teruggebracht tot de hoogte van een hondenhok! Vervloekt zijn zij die dit op hun geweten hebben!’
‘Naar de gallemiezen!’ zei de buurman, die wel van meisjes maar niet van honden hield. ‘Het moet een vergissing zijn! Dit was natuurlijk bedoeld voor Tel Aviv, dat Sodom van deze verderfelijke tijd.’
‘Gomorra!’ viel de ander hem bij. ‘Kunnen die ongelovige gekken in Teheran niet eens mikken?’
‘De rabbi heeft ons zo beloofd dat geen vijand ons kon raken. Misschien was de kracht van ons gebed niet genoeg. Misschien heeft één van ons de rechte weg verlaten. Misschien is het een vingerwijzing . . . ’
‘De rabbi is dood! En de wegen van de Allerhoogste zijn ondoorgrondelijk. Gezegend is zijn naam.’
‘Als wij die ongelovigen nu eens . . .’
‘Als wij de Allerhoogste nu eens . . .?’
Zij zaten stil. En als zij nog stiller waren geweest hadden zij dezelfde verwensingen en gebeden kunnen horen die op dat moment weerklonken in de straten van Teheran. Met de Allerhoogste onderhandelt men niet.
Denk het standbeeld even weg en je weet niet naar welke verwoeste stad je kijkt. Alle verwoesting is lelijk en bruut. In al die huizen woonden mensen. Al die mensen hadden hun verhaal.
Nadat ik gisteren die foto bestudeerde van een jongen die in de puinhopen van wat eens Khan Younis was in een boek zit te turen, kwam het bericht binnen van wat zich daar net had voltrokken. Iedereen kan er van weten. Volgen mensen het nieuws nog? Minstens 50 hongerige mensen zijn bij een voedseldistributiepunt gedood door Israëlisch vuur. Een veelvoud daarvan ligt zwaargewond in het ziekenhuis. Als dat er nog staat. En als er nog verpleging mogelijk is. “Het incident zal worden onderzocht,” laat de Israëlische legerleiding weten. Het komt boven op de stapel van al die andere ‘incidenten’. Dat zal dus wel een tijdje duren.
Ik was amper ouder dan de jongen op de foto van gisteren en op de avonturen van de liefde nog niet half voorbereid, toen ik Het stenen bruidsbed (1959) van Harry Mulisch las. Hoeveel ik er toen van snapte herinner ik mij niet meer maar wel de aardschok die die roman bij mij teweegbracht. Het bombardement op Dresden verbrijzelde onder anderen de Geallieerde Mythe van de Helden. Of dat iedereen hier te lande in de oorlog een onberispelijk soldaat van oranje was geweest. Dat was wel niet het beeld dat ik van thuis had meegekregen, maar wel wat ik uit de geschiedenisboekjes op school verondersteld werd te geloven. De roman gaat over veel meer dan dat bombardement in februari 1945. Hoe destructiedrang en liefde ellendig kunnen samengaan ‘wordt nog onderzocht’. Eros en Thanatos . . . Enfin, het feitelijk resultaat was wat de foto hierboven toont en die ook op de omslag van mijn exemplaar van het boek prijkt.
De tactiek was als volgt: bombardeer eerst de stad zodat alle ramen eruit vliegen. Kom daarna met een tweede golf vliegtuigen die brandbommen laten vallen. Wacht dan even totdat de mensen hun fikkende huizen uitvluchten en de hulpdiensten doende zijn de boel te beredderen en kom daarna met mitrailleurvuur het werk afmaken. Prijsschieten, voor een boordschutter als Norman Corinth, de ‘held’ van Het stenen bruidsbed.
Mulisch suggereert dat als de nationaalsocialisten hadden gewonnen Churchill als oorlogsmisdadiger was opgehangen. Mulisch suggereert nog veel meer, bijvoorbeeld dat dit mensonterende gedrag al vanaf Homerische tijden van de strijd om Troje de Westerse beschaving kenmerkt.
In De zaak 40/61 (1962) zoemt hij in op de verbijsterende gewoonheid van een oorlogsmisdadiger als Adolf Eichmann. Die verontrustende observatie deelt hij met Hannah Arendt, die dat proces nadien uitvoeriger befilosofeerde.
Het heeft een allemachtig lange tijd geduurd voordat het besef bij meer mensen begon binnen te sijpelen dat een echte oorlog geen mythe is, geen strijd tussen Goed en Kwaad, tussen goeden en slechten. Al zijn er nog steeds lieden die beweren van wel. Ook dat zal nog wel een tijdje duren, vrees ik. Oorlogsretoriek is bijna tastbaar in de lucht.
Het waren gewone mensen die moedwillig de trekker overhaalden om andere gewone mensen te doden, terwijl zij wanhopig op het voedsel wachtten dat hen in leven moest houden. Wie waren zij? Was die lezende jongen daarbij?
Neem es de proef op de som en bedenk wat er op deze foto gebeurt. Hmm, dat is wel lastig, niet?
Niks lastig! Een lezende jongen van een jaar of 13, 14, die op een geïmproviseerd bankje in een boek zit te turen. Z’n ogen moet hij afschermen voor de zon, anders ziet hij natuurlijk geen pest. Hij lijkt ordentelijk gekleed. Een scholier. Is dat een Adidas-logo op zijn vestje? Heeft ie zeker even geen zin in voetballen. Misschien is het pauze en heeft ie straks een overhoring en moeten er nog even snel wat rijtjes worden gememoriseerd. En die puinzooi om hem heen? Je denkt toch zeker niet dat hij dat op het voetbalveld voor elkaar krijgt?! Nee joh, die komt er wel.
Hmmm. En nou met onderschrift: “Een Palestijnse jongen in Khan Younis, maart” Dat verandert de zaak! Nee, niks Adidas-logo. Dat zijn natuurlijk van die rare Arabische letters, nou zie ik ut. Daarom is hij ook helemaal in het zwart hè? Vast Hamas of anders z’n vader wel. Aan z’n schoenen kun je zien dat ie het wel goed heeft. Normale Palestijnen hebben niet van die schoenen. Die hebben sandalen, als ze die al hebben. En wat ie leest? Hij zit daar koranverzen in z’n kop te stampen natuurlijk, dat zie je eigenlijk zo. Of te grasduinen in de handleiding Hoe maak ik een bomgordel.
Hmmm. Is de proef al duidelijk? Zonder context vul je maar wat in. Met een halve context vul je nog steeds zomaar wat in. Als het plaatje maar klopt met de vooroordelen. Vraag dit je buren, je collega’s, je vrienden en je familieleden te doen en je komt er achter met welke vooroordelen zij naar de beelden uit Gaza kijken. Of nog heilzamer, bestudeer je eigen vooroordelen.
De foto trof ik aan in De Groene Amsterdammer van de afgelopen week. Hij begeleidt het verhaal van ene Atef Abu Saif. Die ken ik net zo goed als de jongen op de foto. Van Khan Younis weet ik alleen dat het in Gaza ligt. En dat het in puin geschoten is. In het artikel Personages onder het puin vertelt Saif hoe een Israëlisch bombardement zijn zorgvuldig samengestelde bibliotheek verwoestte. “De verhalen zijn, net als de levens van meer dan vijftigduizend Gazanen, uitgewist” kopt het artikel.
De jongen op de foto kan niet Saif zijn. Ter informatie vermeldt De Groene dat hij een Palestijns schrijver, politicoloog en oud-minister van Cultuur van de Palestijnse Autoriteit is. Zijn dagboeken uit Gaza verschenen in The New York Times en later als Don’t look Left: A Diary of Genocide. Die heb ik niet gelezen. Even googelen levert nog meer gegevens maar beantwoordt niet mijn vraag of Saif zelf deze foto bij zijn verhaal heeft uitgekozen. Maar toch, herkenning? Dat verhaal vind ik trouwens hartverscheurend en dat moet iedereen zelf maar lezen.
Saif’s verhaal is een verhaal van rouw. Rouw om bevriende schrijvers van wie hij boeken in de kast had staan, gesigneerd en met opdracht, en die waren omgekomen. Rouw om zijn eigen manuscripten, de eerste verhalen die hij in een Israëlische gevangenis schreef. Rouw om de personages die hij had geschapen en die nu onder het puin lagen. Rouw om de boeken die hij van zijn vader had geërfd. Rouw omdat in één klap grote delen van zijn leven en van zijn persoonlijke ontwikkeling waren uitgewist – verbonden met zijn herinneringen en zijn emotionele banden.
Terug naar de foto. Wat red ik uit de puinhopen als hier een bom valt, van welke makelij dan ook? Bij dat verlies van boeken kan ik mij wel iets voorstellen: dat ene boek dat ik toen-en-toen daar-en-daar op de kop tikte. Dat boek dat ik van die-en-die kreeg. Dat boek dat ik terugkreeg met een aantekening, geschreven in een handschrift waar ik hartkloppingen van krijg. Mijn eigen werk. Al die onderwerpen die mij in mijn levensgang zijn gaan interesseren en waarover ik boeken verzamelde. Het duizelt mij, al zijn het maar boeken.
Ik kan mij ook nog voorstellen wat het is om mensen te verliezen die mij lief zijn. Dat gebeurt ook mij, en vaker dan mij lief is.
Maar: uitgewist? Op een lelijke en brute manier vernietigd?
We waren gisterochtend al vroeg op het metrostation Noord maar wij waren niet de eersten om naar Den Haag af te reizen voor De Rode Lijn– demonstratie. Die in rood gekleed gingen zouden ook wel gaan, stootten wij elkaar aan. Dat bleek in de trein waar nog veel meer mensen zich aansloten. Er werd druk gepraat, er waren veel meningen. Een activist deelde flyers uit, luidkeels zijn versie van ’t verhaal verkondigend.
Het Malieveld stond om half één al helemaal vol. ‘Doorlopen!’ sommeerden agenten die het fietspad vrij moesten houden voor de hulpdiensten. Daar was geen beginnen aan. Het Vredepaleis hebben we niet eens gehaald. De lange stoet ging te langzaam en dan krijg ik last van mijn rug. Niet zeuren, sommeerde ik mijzelf. In die bonte, nou ja, rode stoet, waren ook veel mensen die aanzienlijk ouder waren dan wij: met stokken, schuifelend, in een rolstoel, of op zo’n scootmobiel. Ergens halverwege vond ik het welletjes. Gewoon over de trambaan liepen we terug, met vele anderen. Zijn wij meegeteld als deelnemer? Als het demissionaire kabinet nou maar weet dat wij er ook waren! Jawel hoor, vernamen wij op het nieuws: Schoof had ons gezien, schreef ie op X.
Terug naar huis viel het moeilijk een plekje in de trein te vinden maar in Leiden lukte het toch, gelukkig. M’n rug hè? Slechts langzaam raakte de trein weer leger. In station Heemstede Aerdenhout buitelde een hele rode divisie de trein uit. ‘Die hebben vanochtend hun poloshirtjes zeker nog gestreken,’ registreerde mijn vrouw. Ze bedoelde dat helemaal niet cynisch. Het was meer een argeloze afsluiting van al die verschillende demonstranten die we hadden opgemerkt. Van al die verschillende mensen, al die verschillende beweegredenen. Uit alle lagen van de bevolking, zoals dat heet. Uit het hele land. De rode lijn is al lang overschreden.
Op het terras van De Beren waren wij nog de enigen in het rood, zag ik. Ik deed mijn jack maar uit. Maar daarna zag ik alleen nog maar rijen slachtoffers voor mijn ogen dansen, in witte lijkwaden, beweend door hun familie, door broers, zussen, moeders, vaders. Die lijkwaden zie ik iedere dag in de krant en op de televisie. En ik dacht aan míjn moeder. ‘Het laatste hemd heeft geen zakken,’ zei zij dikwijls, aan het einde van haar lange leven.
Bij Nieuwsuur wilden wij nog naar het NOS-verslag van de demonstratie kijken. Dat volgde na de berichtgeving en analyse van de beelden uit Iran en Israël. Karel Hendriks kwam als directeur van Artsen zonder Grenzen vertellen hoe godsonmogelijk het werken in Gaza is. Zelfs de artsen leden honger. Het enige nog operationele ziekenhuis, in Khan Younis, wordt nu geïsoleerd door het Israëlische leger. Je hoeft geen visionaire gaven te hebben om te snappen wat dat betekent. Dat vertelde Hendriks zakelijk. Het was maar een voorbeeld. De emoties had hij uitgedaan.
En ik dacht aan al die Palestijnse moeders die wij in de stoet hadden zien meelopen. Grootmoeders ook, slecht ter been. Het laatste hemd heeft geen zakken.
Foto Banksy, Girl with Balloon (2002) ten tijde van de veiling op 11 oktober 2018
I f I m u s t d i e
If I must die,
you must live
to tell my story
to sell my things
to buy a piece of cloth
and some strings,
(make it white with a long tale)
so that a child, somewhere in Gaza
while looking heaven in the eye
awaiting his dad who left in a blaze –
and bid no one farewell
not even to his flesh
not even to himself –
sees the kite, my kite you made, flying up above
and thinks for a moment an angel is there
bringing back love
If I must die
let it bring hope
let it be a tale
Refaat Alareer (1979-2023)
_____
In 1983 nam ik deel aan de vredesdemonstratie in Den Haag. Dat was me wat. Ter halver hoogte van de volledig met demonstrerende mensen gevulde Laan van Meerdervoort overviel mij iets dat mij nóg heugt: een wave. Die verontrustte mij boven mate en ik geraakte in paniek van die angstschreeuw van de mensheid. Gelukkig woonde mijn zus op amper honderd meter lopen. Ik kon vluchten naar het oog van de orkaan.
Het moet in 2012 geweest zijn dat ik deelnam aan de grootste onderwijsdemonstratie ooit, ik vermoed vanwege idiote bezuinigingen. Dat protest voltrok zich in de Arena. Ook daar kon men schreeuwen. De waves denderden rond, de banken schudden vervaarlijk. Ik was snel buiten.
Ruim een jaar geleden liep ik mee met de grote mars voor Klimaat & Rechtvaardigheid. Organisatoren hadden deelnemenden een ‘prikkelarm blok’ beloofd: dus zónder spandoeken, toeters of ratels. Op het verzamelpunt op het Spui ging dat nog goed, op het Rokin al niet meer. Was er opeens een veganistisch klimaat. Of socialistisch, daar wil ik van af zijn. Of een boeddhistische rechtvaardigheid. Of nog veel erger. Op de televisie zagen we later dat de demonstratie toch geclaimd werd door mensen met een ideologische overtuiging. Of een uit te dragen wereldbeschouwing, dat is dus niet mijn boodschap. Ik had alleen maar gewild dat deze aarde een plek voor iedereen biedt. Nu ja, dus ook voor schreeuwers. Maar dan hoor je de stille klacht zo slecht.
Morgen is er in Den Haag weer een grote demonstratie: De Rode Lijn. Ik heb zo mijn bedenkingen maar ik ga vandaag toch op zoek naar dat rode regenjack dat ik nog ergens in de berging moet hebben liggen. Ik ga proberen me heel anoniem tussen de mensen te begeven. Misschien prevel ik wel dat hartverscheurende gedicht van Refaat Alareer. Schreeuwen zal ik niet. Maar ik zal dus herkenbaar zijn aan dat rode jack.
De Denker der Nederlanden, David van Reybrouck, merkte het gisteren nog even fijntjes op in Buitenhof: ons politieke stelsel gelijkt een ouwerwetse koets uit de tijd van Thorbecke. Ik had wat zitten dromen bij de verhalen van de politici die hadden mogen uitleggen hoe het allemaal zat na de val van het kabinet. Wat ze ook zeiden, over het oplossen van het stikstofprobleem hadden ze het niet. Ik noem maar iets. Aan de oorzaken kwamen ze dus al helemaal niet toe. De koets denderde hotsebotsend voort.
In mijn valiezen bewaar ik al heel lang het pamflet Aan het volk van Nederland. Dat werd in de nacht van 25 op 26 september 1781 over alle grote steden van het land verspreid vanuit geblindeerde koetsen. Toen Van Reybrouck over die koets begon, dacht ik daar weer aan en terstond was het gedaan met mijn dromerij. De paarden van mijn eigen koetsje sloegen op hol. Wanneer werd het volk van Nederland nou es wakker?
Ik ga Van Reybroucks pamflet Pleidooi voor populisme (2008) nu maar even niet vergelijken met dat van Joan Derk baron van der Capellen tot den Pol, indertijd. Het gaat mij er ook niet om de gelukkigheid van Van Reybroucks beeldspraak van die koets te prijzen. Of de ongelukkigheid ervan te laken. De vraag is: hoe word je wakker?
Van Reybrouck schreef nog iets, een paar week geleden al. Wanneer wordt de wereld daar nou es wakker van?
Ik kan het niet meer aanzien
Ik kan het niet meer aanzien. De grijze lichamen. De rode vlekken. De gebouwen die ooit scholen waren en nu nog slechts plekken Waar het puin opklautert tegen het puin.
Ik kan het niet meer aanzien. De zwarte handen die verkrampten In een godvergeten gebaar. De kapotte ogen. De kapotte mond. Het witte kinderhaar.
Ik kan het niet meer aanzien hoe een land dat zo goed weet Wat lijden is, de donkerste nacht heeft overleefd, nu zelf zoveel vergeten is.
Ik kan het niet meer aanzien hoe elke poging tot gesprek Vastloopt in hetzelfde getrek van wel en niet en wel en niet Terwijl een volk wordt uitgemoord.
Ik kan het niet meer aanzien hoe de waarden waarmee wij zwaaien Geen woorden worden, geen akkoorden breken, geen verboden geven Maar hoe wij blijven draaien rond onze oude spijt.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij melktanden uit monden slaan Vingerkootjes maaien hoe we kinderbuikjes openscheuren en daar Dorst en honger zaaien.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij zo van schuld doordrongen Zo verwrongen kijken naar zij die op ons lijken En naar de bergen lijken.
Ik ween om kandelaren die onnoemelijk hebben geleden Ik ween om hoefijzerbogen die geen gebed meer zullen horen Ik ween om het geprevel van veel te vele lippen.
Ik kan het niet meer aanzien. De stoffige lijven. Het donkerrode kaakgewricht. Maar ergens op een heuvelkam staat een geitje met een lam Dat mekkert, mekkert naar het ochtendlicht.
Ooit, lang, héél lang geleden, was er eens een man in een land waar je nu maar liever niet op vakantie gaat, die zijn gedachten over het leven en de wereld waarin hij leefde belangrijk genoeg vond om ze maar eens op te schrijven. Hij aan het schrijven. Wat deed er nou écht toe?
Hij had wel eens boeken van anderen gelezen die dat ook geprobeerd hadden maar daar had hij het niet in kunnen vinden. Vermoeiend was dat geweest en daar werd je maar triest van, vond hij. De zon ging op, de zon ging onder. Veel meer viel er eigenlijk niet te zeggen. Al die oorlogen enzo, al die koningen en andere roversbenden. Tja, het onweert ook wel eens. Waar het op aan kwam was je verheugen in het zonnetje als die scheen en een paraplu opzetten als ie niet scheen. De rest was damp, lucht en leegte. Niet de moeite waard om er woorden aan te wijden.
Op het moment van je geboorte ontvang je de levensadem, op het moment van je sterven gaat die adem weer terug naar waar zij vandaan kwam. God mag weten waar. Het was een mysterie, noem dat maar God. Daar kon je maar beter ontzag voor hebben.
Toen ie klaar was zette hij er ‘Salomo’ onder. Niemand wist of die ooit echt geleefd had maar die ging toch door voor als de allerwijste mens die ooit had bestaan. Als je dat maar vaak genoeg herhaalt is het gewoon zo. Ziezo, de wijsheid van Salomo.
___
Nu hebben schriftgeleerden in Groningen uitgevogeld wanneer die man dat precies opgeschreven heeft. Met A.I. nota bene, dus nou weten we het zeker. Beweren ze. ‘t Was deze week nog op het nieuws, anders zou ik het niet weten. Even voor de duidelijkheid, dat onderzoek ging er dus over wanneer die tekst ópgeschreven is. En niet of Salomo bestaan had, of zo. Dat daar nooit een snippertje bewijs voor is gevonden weet iedereen al lang, ook zijn er nog steeds mensen die elkaar daarover de hersens willen inslaan. Of erger. Kijk maar in de rest van de krant bij het kopje Gaza. En kijk, dat wist de schrijver van het boek Koheleth, Prediker, ook al wel.
Laat ik nou es aannemen dat het klopt wat die man daar opschreef. Er zijn tenslotte vele anderen geweest, in heel andere tijden en in heel andere culturen, die zo ongeveer hetzelfde beweren. Als je al die boeken nog moet lezen . . .
En laat ik nou es aannemen dat het klopt wat die schriftgeleerden daarover beweren, dat ene Koheleth ergens in de derde eeuw voor onze jaartelling zijn gedachten noteerde. “Spectaculair!” Met de welhaast grenzeloze mogelijkheden van A.I. is het gewoon wachten op een nóg exactere datering: “8 juni 225 vóór onze jaartelling, om kwart voor vier ‘s namiddags”. Zoiets.
Ik schrijf niet omdat ik het zo goed weet. Praat me niet van politiek program. Met een wereldbeschouwing is het maar beredderen. Waar moet het dan heen met dit land? Met deze verscheurde wereld? Met deze planeet, die een droevig oord wordt als de ene mens meent meer recht op een plek onder de zon te hebben dan een andere? Ik schrijf niet omdat ik weet hoe het anders moet. Een haiku ontstaat vanuit het niet-weten.
Als ‘links’ en ‘rechts’ betekenisloos geworden zijn, ‘goed’ en ‘fout’ inwisselbaar, ‘adel en schoonheid’ stuivertje wisselen met ‘slecht en lelijk’, ‘recht’ en ‘krom’, ‘laag’ en ‘hoog’ alleen maar afhangen van het toevallige standpunt terwijl er nergens vaste grond te vinden is, dán is het tijd voor een haiku. Wat zie ik? Wat doet zich voor? Wat is er? Wat is?
Is er dan nergens vaste grond?
Nee. Niet in gedachten, hoe verheven ook. Niet in gevoelens, hoe nobel ook. Die gaan allemaal voorbij. Niet in ideologieën, niet in overtuigingen. Niet in filosofietjes. De hemel bewaar me!
De hemel zelf dan? Zodra we het er over gaan hebben of zoiets bestaat, zijn we al in de hel. En wie aankomt met ‘bedoeling’ moet zich maar eens afvragen waarom er dan een doel moet zijn.
Is er dan werkelijk nergens houvast te vinden? Jawel. Toch. Dat is de aarde zelf natuurlijk. Het besef dat deze droevige planeet het enige is waarop wij kunnen staan, stemt tot nederigheid. Heeft de mens soms meer rechten hier te zijn dan de mus? Dan de muis? Dan de mier of de mug? Ach, wat weten we nou eigenlijk van mier, mug, muis of mus? Ik weet het als ik ze zie. Woordenloos. Maar zodra een mens daarover iets stelligs beweert doe ik er het zwijgen toe.
Daarom schrijf ik maar over mug, mier, muis en mus.