De populieren die vorige week zijn geveld liggen nog steeds voor het huis. Af en toe wijzen mensen naar waar ze stonden. Kijk, zó hoog waren ze. Gistermiddag zag ik een vrouw van haar fiets stappen. Ze brak wat takken af, ontdeed die zorgvuldig van de al verdorde blaadjes en borg de bundel toen in haar fietstas. Wat zou daar mee gebeuren?
Een dezer dagen zal de stapel wel opgehaald worden. Dat is dan weer jammer voor de egeltjes die er rondscharrelen.
De kraaien laten zich niet meer zien. Horen doe ik ze nog wel, verderop in het park waar nog een hoge populier in z’n eentje staat te wuiven. Hij staat te ver weg om die te horen ruisen. Ook die moet weg, weet de onderbuurman. De kraaien vinden wel weer een ander onderkomen. De egeltjes ook.
Het is al meer dan twintig jaar geleden. ‘Kennen jullie eigenlijk de stenentuin van Le Roy?’ vroeg mijn zwager toen we afscheid namen. Die kenden we niet. Maar bij de naam Le Roy zag ik iets in de ogen van mijn vrouw gebeuren. ‘Die tekenleraar?’ Die was het. En toen we erheen reden, ’t was vlak bij, vertelde ze hoe zij ooit tekenles van ene Le Roy had gehad. Het was een kort verhaal.
Aan het begin van de les kregen ze een velletje tekenpapier aangereikt, altijd A3-formaat. ‘Teken een boterham.’ Een andere les: ‘Teken je gympies.’ Of: ‘Teken een lantarenpaal.’ Er volgde nooit uitleg. Het commentaar was summier. Of eigenlijk was het alleen een vraag: ‘Vind je het gelukt?’ Het ging er om goed te leren kijken. Niet iedereen snapte dat.
Toen we de tuin in Mildam gevonden hadden waren we alleen met de stenen. ’t Was in de winter en waterig koud. Af en toe zagen we een man die doende was stenen van de ene kant van het terrein naar de andere kant te zeulen. Hij ging op in zijn bezigheid en leek ons niet op te merken, groette niet. Was dat Le Roy? Mijn vrouw herkende hem niet. Dat ze tekenles had gehad was toen ook al meer dan twintig jaar geleden. Nee, meer dan dertig. En wat de tijd doet met een mens.
We liepen langs de stapels stenen. Klinkers. Tegels. Stoepranden. Puin. Zomaar op elkaar gestapeld, zonder cement. En toch donderde het niet om als je er tegenaan leunde of op ging zitten. Gemeentewerken leverden dat allemaal, wist mijn vrouw. Met wat ze niet meer gebruiken konden mocht hij aan de gang. Ze herinnerde zich het experiment in Heerenveen waar zij altijd langs kwam toen zij daar school ging. Le Roy’s inrichting van een stuk gemeenteplantsoen week nogal af van een strak gemaaide binnenberm. Of een gemillimeterd gazonnetje. Niet iedereen snapte dat.
De stapels stenen werden muurtjes. Muurtjes werden bouwwerken. Er ontstonden gangetjes, gewelven, koepels, torens. We dwaalden langs half afgebouwde huizen, stenencirkels, tempels, onvoltooide kathedralen, verlaten kastelen, vestingwerken. Onze verbeelding kreeg pret in wat we ontdekten. ‘Kijk eens hoe het licht hier langs strijkt, nee hier moet je staan en dan naar dat trappetje kijken, het is precies die Etruskische necropolis, weet je nog?’ Hier en daar raakten die stenen overwoekerd. De natuur nam het weer over. Hier werden nieuwe ruïnes geschapen. Ruïnes van beschavingen die er nooit waren geweest maar die louter door onze verbeelding gestalte kregen.
Een dag of tien geleden las ik dat die tuin Rijksmonument is geworden. De tuin heet inmiddels ‘ecokathedraal’, pff, en de vrijwilligers die alles onderhouden doen hun best om de ideeën van Louis Le Roy levend te houden. Hun website (https://www.stichtingtijd.nl/stichting-tijd/complexiteit) legt uit dat het om meer gaat dan stenen stapelen: Tien gouden regels voor het acteren in complexe vraagstukken. Als dat maar geen geboden worden.
Omdat het er gisteren niet van kon komen, bepeins ik vanmorgen welk monument ik vandaag in het kader van de Open Monumentendag 2025 in Amsterdam zou kunnen gaan bezoeken. Maar ik weet er geen die mij het vraagstuk van de beschaving zou kunnen verhelderen. Misschien dat ik daarom aan die februari-ochtend in de tuin van Le Roy moest denken. Je snapt het niet, wat tijd met je doet.
Zo gaat dat nou altijd: ben ik net lekker op gang eens tot de bodem uit te zoeken welke betekenis muziek in mijn leven heeft – ja, om tot een tabula rasa te komen moet er een hoop onzin van het leitje afgeschraapt worden, van eerbiedwaardige muziekgeschiedenis, van hoogdravende filosofie, van zwevend gestemde spiritualiteiten (aan de theologie ervan waag ik mij niet want dan kan ik net zo goed voorspellingen gaan doen over de juiste combinatie van getal en cijfers in de postcodeloterij, en ik win nooit iets) en ja, ik geraakte reeds in het mystieke voorstadium het verband te kunnen doorgronden tussen de muziek der sferen en haar aardse equivalenten, nu ja, in elk geval doorschouwde ik de muziek als een brug tussen ethiek en esthetiek – komt me daar opeens een kogel uit het schijnbare niets langs mijn oren gefloten. Het was een geweerkogel. Uit een jachtgeweer. Op de huls stond de tekst: Bella ciao. Vaarwel schoonheid.
Hoe ter wereld, zo dachten mijn gedachten verschrikt, had in het verre Amerika anno 2025 een jonge man juist aan dát Partizanenliedje gedacht en regels daaruit als muzikale boodschap meegegeven aan de kogel waarmee hij voornemens was een andere jongeman naar de eeuwige jachtvelden heen te zenden. Toch weer de politiek, viel mij mismoedigd in. Als je hedentendage iemand tegenkomt met toevallig andere opvattingen dan noem je hem een fascist. Moet ik het straks ook nog over het Eurosongfestival hebben. Terwijl ik het alleen maar over muziek wilde hebben. En over de verrukking en de vertroosting die zij mij pleegt te bieden in dit vaak wonderlelijke leven. Vaarwel schoonheid.
Er zal nu wel weer een andere jongeman, of jongedame, in een tochtig zolderkamertje bezig zijn de letters Onward Christian Soldiers! op een geweerkogel te krassen, dacht ik grimmig. Maar mijn begrip van deze wereld is niet zo groot dat deze cynische inval ook maar enige voorspellende waarde heeft. ’t Is de lotto niet.
Ik hou d’r over op. Muziek met een boodschap is niks gedaan. Ik verlang naar het ruisen van de populieren. Het geritsel en gemurmel van de blaadjes, de verhaaltjes van de wind. Ik verlang naar de schoonheid die er al was. En naar de schoonheid die er al is ook zonder dat iemand daar iets over zegt.
‘Tabula Rasa’: een onbeschreven blad. Maar dat kan toch helemaal niet? Nee, dat kan ook helemaal niet en toch probeer ik dat iedere dag.
Mijn ontvankelijkheid voor het idee iedere dag opnieuw te willen beginnen zat er al vroeg in. Bij Van Ostaijen las ik, jongeling nog: ‘Ik wil beproeven naakt te zijn’. En ook nog: ‘Ik wil niets weten ik wil niet vragen waarom ik niet werd een postzegelkollektioneur’. Maar: ‘Ik wil bloot zijn en beginnen’. Dat vond ik aardig geformuleerd, al kostte het me wel een aantal jaren studie om er achter te komen hoe dat nu zat met dat postzegels verzamelen. Dat was natuurlijk beeldspraak, dat snapte ik zo wel. Toch duurde het nog een leven om te snappen wat mijn postzegels waren.
Nu kijk ik iedere ochtend in de spiegel en vraag mij af wie toch die man is die mij zo aankijkt. En of – ie ook een ‘oorspronkelijk gelaat’ heeft. Als me dan te binnen schiet dat je in het Zenboeddhisme na jarenlange koanstudie met die vraag onbarmhartig om de oren wordt geslagen, en ik in weerwil van mijn nogal peinzende aard in de lach schiet, en ik die lachende man in de spiegel zie, dan denk ik: was dat nou zo moeilijk? En, vreemd, ik denk dat is geluk.
Gisteren heb ik mij weer eens verdiept in Arvo Pärt ’s Tabula Rasa. Ik weet nog goed hoe die muziek mijn leven binnen kwam zeilen. Dat was net zoiets als bij Van Ostaijen, een schok. ‘Waar is de muziek?’ moeten de musici zich hebben afgevraagd toen ze het stuk voor het eerst van het blad gingen spelen. Pärt hield er inderdaad maar weinig over toen hij alle Westerse muziek tot dan toe, zo’n acht eeuwen dus, van alle overbodigheid ontdeed, óók zijn eigen kakofonieën.
Van de mens Arvo Pärt weet ik niet veel. Openhartig over zijn privéleven is hij niet. Ja, hij was gisteren jarig, ’t stond warempel breeduit in de krant, al werd dat luidruchtig overschreeuwd door berichten dat een of andere malloot een andere malloot in een steeds malloterig wordend land naar de eeuwigheid had geschoten. Of Pärt een feestje gaf weet ik dan bijvoorbeeld ook niet. Hij oogt als een nogal ernstig man. Zijn bekering tot ‘het geloof’ (het Russisch-Orthodoxe begrijp ik) lijkt mij daarop te duiden. Nou vind ik met een religieus besef niks mis maar zodra je daar woorden aan geeft wordt het weer tobben. En in ernst doet dat dan niet onder voor verzamelen van postzegels. De hemel bewaar me.
Jan Brokken geeft in zijn essay Tabula Rasa; op zoek naar Arvo Pärt (in: Baltische zielen, 2010) wat biografische gegevens die dienstig zijn bij het begrijpen van het een en ander. Hm. Ik haakte af bij het zinnetje “Hij voelde aan dat de nieuwe tijd weer even religieus zou worden als de late Middeleeuwen.’ Brokken staaft die bewering wel met argumenten en met veel aansprekende muzikale voorbeelden maar ’t blijft bij een tasten in het duister. Of bij vrome dromen. De door de Moskouse patriarch Kirill gezegende speciale operatie vanuit het voormalige tsarenrijk geeft te denken over de vrijheid van al diens buurlanden. En overigens niet alleen over de vrijheid van geloof.
Gelet op dat voorval op die campus in God’s Own Country blijkt mij van een volwassen wordend religieus besef helemaal niets. Dat kan ik ook uitvoerig met argumenten staven, jeumig jazeker van wel, uit het zogenoemde Heilige Land bijvoorbeeld, maar ook uit ons eigen land. Als je dat spelt als ‘Vaderland’ weet je gelijk dat het mis is. Vanochtend zie ik evenwel liever een lachende man in de spiegel. Is dat nou zo moeilijk? Ik blijf dit probereen.
“One searches in the outer world as well as in other’s reflections of oneself – with all its insecurities, joys, convictions, evaluations. The world observes these oscillations of our feelings with profound indifference. Here and there a person hurries by, producing a sound that resembles one’s own. But it’s already gone, and one is again embraced by silence. Our pain and insomnia as part of a whole. Our despair: a drop in the ocean. Death – the final bill, in which the challenge turns into a phantom. Ambitions, hopes, enchantment. All this finds its peace there in the world beyond.
. . . Words irritate. Gestures mislead. Emotions dissolve. Only sound speak a language that might be understood. If one opens the heart, would there be someone receptive enough? But who is listening? Who is able to feel it? Often I do ask myself, where does a heartbeat identical to mine exist? And the attempt of an answer is: out there, on the other end of my own sound.”
De gemeente heeft het populierenhout nog niet opgehaald. De stapels takken en stammen liggen daar maar stapels takken en stammen te wezen. Alle blad is al verdord. Een composthoop. Een grafzerk. Ik mis het ruisen. Zelfs de wind lijkt de populieren te missen en zoekt ongedurig langs de boomsingel en de parkrand.
Om de vergelijking met de vlakten van Gaza niet al te dichtbij te laten komen neem ik mijn toevlucht tot een grapje dat zich wrang genoeg alleen in het Engels laat begrijpen: ‘Here lies a Great Composer. He started decomposing.’
Onze onderbuurman meent stellig te weten dat de toestand wel even kan voortduren en hij heeft connecties bij de gemeente. Hoe het gesteld is met de opruimingsdienst in de grote steden heeft iedereen inmiddels op het journaal kunnen vernemen. ‘Een zooitje,’ zegt hij. Maar dat gaat om ‘huisvuil’, of afgedankte huisraad. Hier moet de Divisie Groenvoorziening aan te pas komen. Men moet die diensten niet op één hoop gooien.
De kraaien intussen zwerven maar wat in de buurt rond. Toen we gisteravond bij schemering thuiskwamen zaten ze met z’n allen in de platanen achter Parkflat I. Daar had ik ze nog nooit zien rondhangen. Er was veel kabaal en daar ga je dan toch van alles van denken. Ik mis hun gebabbel ’s ochtends vroeg, hoog in hun boom, hun gekibbel, hun geflirt, hun avondlijk overleg. Die ene met de witte veren komt wel af en toe nog een kijkje nemen. Of ik nou wil of niet, steeds denk ik maar dat verweesdheid er zo uitziet.
Ik bedacht deze week dat ik wel een portret van hem zou kunnen maken – maar dan moest ik eerst mijn camera zoeken. De accu moest geladen zijn, de juiste lens gekozen, het juiste moment afgewacht. Daar hield die kraai zich niet mee bezig.
Eergistermiddag leek het juiste moment: hij nam alle tijd om zich te baden en zich zo van ongedierte te ontdoen. Het spetterde alle kanten op. Maar ik had de camera niet gereed, die lag binnen, en ook was de accu nog niet geladen. Mijn aanstalten makende bewegingen verschrikten hem en hij vloog weg. Om even daarna toch weer terug te komen. Ik had al besloten dan maar mijn mobieltje te gebruiken en nam mij voor roerloos te blijven zitten. In mijn roerloosheid blikte hij omhoog. Hij keek mij aan.
Wat er in hem omging kan ik onmogelijk weten en aan wat er zich in mijn binnenste voordeed weet ik geen taal te geven. Maar het ging ver voorbij aan woorden als dader of slachtofferschap.
‘Haal de parasols maar weg,’ zei mijn vrouw terwijl ze haar jas al aantrok. Nu de populieren gekapt zijn kan de zon onbekommerd de kamer in schijnen Dat we het ruisen niet meer horen vindt zij niet zó erg, van alle licht dat binnenstroomt wordt ze blij. Ze vraagt zich ook af of we het in huis zullen merken. Qua warmte, bedoelt ze dan vooral. En qua stookkosten in de winter. De zon staat al merkbaar lager nu het september geworden is, en de dagen worden merkbaar korter. Nou, de warmte stoomde mijn hemdje uit, toen ik de parasols had opgeborgen. De zon scheen inderdaad onbekommerd en om half drie werd het me te dol op het balkon. De bladzijden van het boek waarin ik bezig was schitterden mij onleesbaar in het gezicht.
Binnen had ik de preludes van Chopin opgezet. Zou ik iets te weten kunnen komen waarom Kurosawa juist de 15e had uitgekozen voor zijn vertelling over de droom van Van Gogh? Iedereen noemt die prelude ‘de regendruppelprelude’. Alsof dat het wonder verklaart. Het repetitieve element verleidt inderdaad gemakkelijk tot die associatie. Het lamentabele verhaal dat Chopin met zijn geliefde in de winter van 1838 naar Mallorca was gereisd om zijn tuberculeuze gezondheid te verlichten doet de rest. Het regende nogal die winter en zijn relatie met Georges Sand ‘was regen en drup’. Dit laatste verzin ik niet, dat doen samenstellers van muziekprogramma’s.
Chopin zelf moet Sand uitgefoeterd hebben toen zij hem haar regenassociatie toevertrouwde. ‘Muziek is wel iets anders dan een imitatie van de natuur,’ moet hij gezegd hebben. Alweer, volgens een beschrijving die ik van het voorval vond. Nu ik de preludes in zijn geheel beluisterde viel mij op dat meer van die preludes dat repetitieve hebben. Het regende toch niet heel de tijd?
De musicologische besprekingen zijn voor mij te hoog gegrepen. Ik geloof zo wel dat het pianistisch gestoei met toonladders vanaf Bach ’s Wohltemporierte Klavier componisten geboeid en uitgedaagd heeft. Maar om dat nou helemaal te doorgronden, tot Shoshtokovitsj’ Preludes aan toe? Had ik maar piano leren spelen, dacht ik, toch wel een beetje sip. Muziek komt voor de taal – maar poëzie is mijn akkoord. Dat van die herhaling begrijp ik nog net. Altijd hetzelfde, telkens even anders.
Waarom Kurosawa juist die 15e prelude uitkoos om zijn droom over Van Gogh muzikaal te omlijsten is mij niet helder geworden. Wat hij in de prelude beluisterde evenmin. ‘Sostenuto’, aanhoudend. Wat was het dat aanhield in zijn lange leven, dat hij zichzelf tussen de verfklodders in dat schilderij van Van Gogh liet verdwijnen? Wat was ‘de scheppende intuïtie’ van de meester?
Er valt een hele theorie bij elkaar te fantaseren dat Akira Kurosawa’s Dreams niet toevallig uit acht scenes bestaat. Vormen die samen niet een octaaf? En zijn die acht dromen dan niet de acht constituerende elementen uit zijn scheppende leven, geënsceneerd in telkens een andere toonsoort? De folklore van zijn land, de kitsune, en andere demonen, de nationale adoratie van de vallende kersenbloesems, de nationale adoratie van de samoerai, de grimmige kou, (“Elf ridders rijden / door een snijdende sneeuwstorm / geen wendt het hoofd af” (Shiki)), het gekloot met kernenergie en dat dan ook nog eens ná Hiroshima en Nagasaki, de verkrachting van de natuur, de transcendentale eenvoud van het leven in het dorp met de watermolens, de blijmoedige aanvaarding van de dood – de overweldigende rijkdom en veelkleurigheid, veeltónigheid van wat bedrieglijk eenvoudig lijkt.
Nou wordt-ie link, straks haal ik er de trappen van het geestelijk leven nog bij.
‘Ah fijn, je hebt de parasols opgeborgen! Hoe was jouw middag?’ informeerde mijn vrouw toen ze weer terug was. Ik wilde iets snedigs zeggen over een paraplu die nodig gerepareerd moet worden maar met het weer valt niet te spotten. Met mijn vrouw ook niet. ‘ Ik heb het droog gehouden,’ zei ik maar.
Vincent van Gogh (1853-1890) Korenveld met kraaien (1890)
In verband met de kraaien die ietwat ontheemd rondzwerven op de plek waar hun populieren zijn geveld, kwam mij de afgelopen dagen gedurig een van de laatste werken die Van Gogh schilderde voor de geest, Korenveld met kraaien. Dat had ik al eerder dit jaar toen we deze zomer door de rijpende korenvelden in Oost-Groningen fietsten. Het begint er waarachtig op te lijken dat ik daar nu iets mee moet. Iets wil er gezegd worden.
Het zetje kreeg ik afgelopen maandag toen we Dreams van Akiro Kurosawa in Eye zagen. In een van de acht miniaturen, Crows, laat Kurosawa zijn hoofdpersonage in juist dat schilderij verdwijnen:
Akiro Kurosawa (1910-1998): still uit Dreams (1990)
Het is opmerkelijk hoeveel moeite Kurosawa zich moet hebben getroost om precies dat landschap te herscheppen. Het bestaat namelijk niet, of in elk geval niet meer. Dit hebben wij vorig jaar deze tijd zelf vast kunnen stellen toen wij vanuit Arles in de streken rondzwiervan waar Van Gogh tot aan zijn dood verbleef. Hij schilderde een innerlijk landschap, het landschap van de ziel. Met coördinaten kom je dan niet ver. En als je dan bij Arles de Pont de Langlois denkt teruggevonden te hebben – ook die gebruikt Kurosawa; de wasvrouwen raden zijn hoofdpersonage aan om maar niet op op zoek te gaan naar Van Gogh, die is net uit het gekkenhuis ontslagen – heb je wel zekerheid omtrent de betrouwbaarheid van je gps maar niet omtrent de wonderlijke wegen van de ziel. En als je dan Kurosawa bewondert omdat-ie dat schilderij precies een eeuw na dato toch wel verrekte knap en realistisch op het filmdoek doet herleven, ontgaat je ook iets. Ook bij Kurosawa gaat het om het landschap van de ziel, en helemaal niet om de Pont de Langlois, die ze godbetert nu de Pont de Van Gogh noemen. Die staat niet eens op dezelfde plaats, die is er voor de toeristen neergezet. Of voor zelfverklaarde kunstkenners.
Weet ik het dan zo veel beter? Er is over het Korenveld met kraaien allemachtig veel gefilosofeerd. Over Kurosawa ook. Toen ik de film zag werd ik overrompeld door een bijna verblindend helder inzicht: zó bedoelt Kurosawa dat. Maar nu ik er woorden aan probeer te geven stokt het, sta ik met de mond vol tanden. ‘Met Dreams geeft de cineast zich rekenschap van zijn diepste esthetische en ethische drijfveren,’ zoiets. Wat een hol geklets, wat een armoe. Chopin’s prelude nummer 15 zegt dat zonder woorden veel eloquenter, zoveel klemmender. Kurosawa had geen passender muziek onder deze ‘droom’ kunnen zetten: steeds hetzelfde, net even anders. Spiegels in spiegels, in spiegels, in spiegels.
Goed. Mooi allemaal, met dat overweldigende inzicht enzo. Maar hoe moet het nu met de kraaien? Met Van Gogh, met Kurosawa? Mijn vrouw ziet mij weer aankomen met al die boeken die ik nu weer op mijn schrijftafel stapel. Maar ja, kan ik iets anders? En trouwens, ook zij draagt bij aan mijn lot. In de allerlaatste droom van Kurosawa’s cinematografische verbeelding van wat hem innerlijk drijft, portretteert hij zijn alterego in een bijna paradijselijk landschap: The village of the watermills. Zó zou je willen leven! Dat zouden die harrewarrige politici nu eens moeten zien!
Hoe realistisch dat allemaal is is een vraag voor wereldverbeteraars, dan wel politici of filosofen. Of kunstkenners. Feit is dat wij eind van de maand in Toscane hopen te verblijven alwaar mijn vrouw accommodatie heeft geboekt: in een heuse watermolen. De coördinaten daarvan zou ik gemakkelijk kunnen geven maar die geven geen enkele garantie voor de verblijfplaats van mijn ziel.
Hun populieren zijn omvergehaald, hun nesten zijn verwoest – het is de vraag hoe de kraaien daarmee omgaan. Eén zag ik gisteren en eergisteren weer rondscharrelen op de plek des onheils. Vanochtend was hij er weer, duidelijk herkenbaar aan enkele witte veren aan zijn staarteinde; hij zal dit voorjaar hier uit het ei gekropen zijn, ik heb ‘m in voorgaande jaren nog nooit gezien. Dat ik hem daarom ook ken, is te veel gezegd. Wat gaat er in hem om?
Gisteravond cirkelde voor het donker werd een hele groep rond de boomloze plek. Hun gemeenschappelijk krassen klonk opgewonden, niet geruststellend. Of was dat mijn plaatsvervangend schuldgevoel? Zochten zij hun nest? Wáren zij het wel? Anders dan die ene met die witte staartveren herkende ik ze niet. Zwarte kraaien zijn . . . nu ja, nogal zwart. Al die nuances in hun zwarte kleed kan ik niet benoemen, al zie ik die soms wel als ze de drinkbak aandoen. Daarin individuen herkennen vergt heel erg veel geduld. De nuances in hun krassen hoor ik duidelijk, maar begrijpen?
Het heeft allemachtig lang geduurd voor bij de mens het besef indaalde dat kraaien erg intelligent zijn. Dat ze in staat zijn ingewikkelde puzzels op te lossen is overal op internet na te gaan, bijvoorbeeld hier: https://www.youtube.com/watch?v=Gui3IswQ0DI.
Als je kraaien onheus of onrechtvaardig bejegent herinneren ze zich dat niet alleen maar brengen ze ook hun opgeroepen gevoelens tot uitdrukking. Noem het wrok, noem het wraak. Het meest curieuze is misschien dat ze die gevoelens ook op andere kraaien kunnen overbrengen die met het voorval niks van doen hebben. Zelfs na jaren. Dat geeft te denken.
Dit soort onderzoek is lastig want wat is dan ‘onheus’ of ‘onrechtvaardig’? Wat is ‘wrok’? Voor je het weet leg je menselijke maatstaven in je observaties. Hoed je dan maar. Frans de Waal zou zo maar eens heel erg gelijk gehad kunnen hebben toen hij retorisch de vraag opwierp of de mens wel intelligent genoeg is om de intelligentie van dieren te snappen (Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? (2016)). En het zoogdier mens?
Een bericht uit de krant van vanochtend: de heer Trump wil het Amerikaanse Ministry of Defense omdopen tot Ministry of War. Dit geeft zijn intenties beter weer, meent hij. Over wrok en rechtvaardiging van geweld zal wel weer eindeloos worden geouwehoerd in het deze week weer opgetuigde circus van de talkshows. Ook de berichtgeving uit Gaza, Moskou en Beijing geeft daar aanleiding toe. Zal dat wezenlijk meer opleveren dan gespeculeer over de vraag (bijvoorbeeld) hoe Hitchcock aan zijn idee kwam voor The Birds (1963)? Ach, de televisie, al die films. Voor je er erg in hebt ga je denken dat dát de werkelijkheid is.
Als ik iets wil begrijpen van het gedrag van de kraaien voor ons huis zal ik mijn eigen binnenwereld dieper moeten onderzoeken: wat is mijn gevoel van rechtvaardigheid? Hoe zit het met mijn wrokgevoelens?
Het donkerder gedeelte iets links van het midden: kraaiennest
Nog voor de zon gisterochtend op was, arriveerde een dieplader langs ons huis met daarop een ‘verreiker’ van het merk Manitou. De werkzaamheden vingen aan om half acht precies. Om twee uur in de voormiddag was de klus geklaard. De drie vijfentwintig meter hoge populieren lagen gecompartimentaliseerd in delen van zo’n tweeeneenhalve meter gereed om afgevoerd te worden voor verdere verwerking. Zelfs het zaagsel had men zorgvuldig van de straat geveegd. Het was gedaan met onze populieren.
Niet iedereen van Parkflat I bleek op de hoogte van de kap, getuige de discussie die zich in de ochtend op de flatapp ontspon. Er was ‘ach’. Er was ‘wee’. Er was een medebewoner die er het schrijnende gedicht van Vasalis bijhaalde waarin zij de kap van een boom in het Vondelpark vergelijkt met de smadelijke ondergang van de Trojaanse held Hector: ‘hij viel, nog vol van zomerwind. Ik heb de kar gezien, die hem heeft weggetrokken.’ Dat vond ik wel mooi, zo’n poëtisch commentaar. Troje is wel erg lang geleden maar gelet op de militaire precisie van die hele speciale operatie waren ook bij mij gedachten opgekomen die het midden hielden tussen standrechtelijke executie, slachtofferen en volkerenmoord. Toch leek mij de vergelijking pathetisch, zélfs als je weet dat Vasalis vermoedelijk een andere, diepere pijn bedoelde te bedwingen. Dit waren maar bomen. En de veiligheid van de burgers was immers in het geding.
Over die veiligheid ging iemand uit de buurt met de uitvoerders in gesprek. ‘Kijk dan toch!’ riep ze almaar luider en haar arm wees driftig naar de stomp van de populier die als eerste geveld was. ‘Die boom is nog kerngezond!’ Ik keek ook naar waar zij wees en zag inderdaad dat er van rot van binnenuit geen enkele enkele sprake was. ‘U moet bij de gemeente zijn, mevrouw,’ zei de man die met een losse kettingzaag doende was uitstekende delen van de stam te ontdoen,‘wij voeren slechts uit.’ Misschien had die vrouw alle schrijvens van de gemeente omtrent het lot van de populieren gemist. Of had ze de mogelijkheid schriftelijk bezwaar aan te tekenen, zulks met redenen omkleed, niet opgemerkt. Of misschien wel opgemerkt maar verworpen, in de hoop wellicht dat een contact van mens tot mens meer op zou leveren. Maar nu vul ik in. Al wordt alles behoorlijk kansloos als iemand zich achter hogere instanties gaat beroepen. Of dingen begint te zeggen als als ‘Er is besloten.’
Ik worstelde de hele dag met mijn gevoelens. Met mijn gedachten ook. Als het leven mij niks geleerd had zou ik bijna zeggen zoals Jacob worstelde met de engel. Dit zou gemakkelijk verkeerd kunnen worden opgevat, als blasfemisch zelfs. Maar praat me niet over god. Wie over de heiligheid van de natuur begint wordt eerst op de ziel getrapt met risicoanalytische prietpraat en daarna bedolven met kubieke meters zeer bruikbaar hout.
Dat hout zal inderdaad wel een bestemming vinden: lucifers, meubelplaat. Klompen misschien. En in die lucifers en die klompen zal een ruis te horen zijn, héél zachtjes. Mijn vrouw vindt dat het lichter in huis is geworden, je kunt nu veel meer lucht zien. Dat merk ik ook wel. Ik ben blij voor de bovenbuurvrouw die bijna blind is.
De wind trok vanmorgen vroeg hard aan boven het grasveld zonder de populieren. Ook in de platanen verderop in het parkje kun je hem horen waaien maar zoals de populieren ruisen ruisen zij niet.
De wind zal wel blijven waaien. Van de kraaien is verder geen bericht.
Wat rest. Niet op de foto: populierenruis. De kraaien.