Still uit de documentaire De lepelaar in een roerige wereld, Hilco Jansma, 2025
Héél zachtjes klinkt het wat lepelaars mee-delen: oek, oek, oek. En: oek
_____
Opm.
Lang gold de lepelaar als de zwijgzaamste van alle vogels. Ik had die prachtige vogel wel al vaak gezien op Wieringen waar ze vaak rondscharrelen in het natuurgebiedje bij Vatrop. En op het wad als het ebt. Maar ik had ze inderdaad nog nooit iets horen zeggen.
Een terloopse opmerking van de trekvogelprofessor Theunis Piersma in één van zijn boeken trof mij: ze zeggen ‘oek’, maar zó zachtjes dat bijna niemand het hoort. Ik aan het luisteren, maar misschien kwam ik niet dichtbij genoeg.
Piersma kwam ook even in beeld in de documentaire die de bioloog en filmmaker Hilco Jansma over de lepelaar maakte. Daar keken wij gisteravond naar.
Over de documentaire geen kwaad woord. Maar die muziek. Ooit langs het Wad gezworven met een compleet symfonieorkest op de achtergrond? Nou dan. We hebben ‘m maar uitgezet.
Vanaf dat we hier zijn komen wonen begint mijn dag op het balkon. Ik zie het dan dageraad worden, luister naar de vogels, de houtduiven, de kraaien, de specht, ik luister naar de wind in de populieren. Wat de wind in de bomen fluistert is heel wat belangwekkender dan de verhaaltjes die uit mijn binnenste opwellen – populierenruis verveelt nooit. Als de geluiden van de ontwakende stad het overstemmen breek ik op.
Toen we bij de notaris de sleutel van ons appartement hadden gekregen en we voor het eerst zelf de deur openden overheerste onzekerheid: was dit het echt? En ook: er moest nog zoveel aan gebeuren. Maar toen ik de deur van het balkon opende viel die twijfeling meteen weg. Ik hoorde de populieren voor ons huis ruisen, de laatste dag van april was het, vijf jaar geleden. De populieren stonden al volop in blad maar eind april zijn die nog zacht en ritselen amper. Babystemmetjes. Nu, na de zomer, zijn ze hard, ze knisperen en vertellen al van de herfst. Af en toe laten blaadjes los. Ze vormen lichtvlekjes op het gras als de zon er op schijnt.
Het moet met mijn vroegste jeugd te maken hebben. Voor het huis waar ik opgroeide was een groot gazon en dat gazon was omzoomd met hoge populieren. Aan onze zijde waren de winkels, aan de overkant woonden de ambtenaren. Tussen kerk en domeinenkantoor speelde alle kinderen tussen die populieren boompje wisselen. En ’s avonds viel ik onder de zoldering in slaap terwijl ik die bomen door het openstaande raam buiten hoorde ruisen. Of hoorde jammeren als de najaarswinden er doorheen joegen. Langs alle wegen van de Wieringermeer stonden ze, ik mat hun onderlinge afstand met het tellen van de keren dat ik mijn pedalen rond trapte. Dat gaf het ritme die de eindeloosheid van die wegen overzichtelijk leek te maken. Het ruisen van de populieren gaf de klank, de toon, de melodie. Zo ontstond poëzie.
Vorige week hoorde ik van de onderbuurman dat de populieren gekapt zullen worden, misschien morgen al. Die buurman heeft connecties bij de gemeente; ook heeft hij zonnepanelen op zijn terras. De nagenoeg blinde bovenbuurvrouw verheugt zich op een lichter huis. Over de strijd die voor het verlenen van de kapvergunning geleverd is valt een grimmig boek te schrijven. En dat in een tijd dat de wereld in brand staat, kinderen in Gaza verhongeren, de mensen in Oekraïne moedeloos raken, vrouwen hun rechtmatige veiligheid opeisen als ze ’s nachts eens door de bosjes fietsen.
Ik zou pas een populist zijn als ik dat deed, viel me vanmorgen in toen ik met die opkomende grimmigheid mijn verdriet om het gemis van de populierenruis poogde te bestrijden. Op dat komende verdriet had ik al een onbekrompen voorschot genomen.
En toch – ik zou willen dat iedere burgemeester, iedere volksvertegenwoordiger, iedere leider van willekeurig welk land populieren voor het huis had staan waar – ie ’s ochtends vroeg even naar luisterde.
Als je er eens stil bij staat hoe het allemaal begon, met een enkele grasspriet, wiegend in de ochtendzon, en iemand die daar langskwam, een man, of een vrouw, het kan ook een kind geweest zijn, en hoe die iemand argeloos de minuscule aar tussen de vingers liet glijden, en daarvan proefde, en hoe die op zoek ging naar andere aren, dikkere, want die smáákten, en voedden, en hoe die iemand op ’t idee kwam de dikste te bewaren en die bij elkaar op een stukje aarde te zaaien om te zien wat daarvan zou worden
als je eens nagaat hoe die iemand het jaar daarna terugkwam, en zag dat de dikke aren zich vermenigvuldigd hadden, de dikke waren dikker, en dat er meer korreltjes tussen de vingers achterbleven als – ie minder argeloos langs de grasstengel wreef
als je eens bedenkt hoe er in die iemand een idee ontstond, argeloos eerst, maar later omlijnder, een plan dus, en dat als je nou – es
als je laat bezinken dat er ooit iemand geweest moet zijn die bedacht die korrels te pletten, en alleen de kern te verzamelen, want dát was voedzaam, en met dat meel iets anders te doen, en als je nou -es
en als je nou -es met reuzenpassen door de geschiedenis gaat, van de jager die brood gaat bakken, van de samenlevingen die ontstonden, en weer verdwenen, van de boekhoudkunde en het schrift, van het eerste graanschuurtje tot agriculturele winstoptimalisatie van tarwe, of rijst, of mais, of soja – hoe zich dat allemaal precies heeft afgespeeld weten we niet, al zijn er lieden die beweren ’t wel precies te weten, ze slaan elkaar de hersens in om hun gelijk te halen over alle oorlogen die ze zelf beschrijven –
dan is het tafereel van politieke kopstukken die zichzelf beschaafd op de borst trommelen als beste te weten hoe het brood verdeeld moet worden een beetje lachwekkend. Cénten, bedoelen ze. Of macht. Zo lang er op deze wereld nog kinderen zijn die honger lijden terwijl er bommen op hun hoofden neerkomen, is het woord ‘beschaving’ ongepast.
Budapest, Széchenyi-Lánchíd: de Kettingbrug verbindt het oudere Buda met het jongere Pest
In 1990 woonde en werkte ik in Budapest: vanuit Buda de beroemde Kettingbrug over naar Pest en dan een stukkie rechtsaf. Op die episode in mijn leven zit een deksel maar af en toe gaat die krakend open. Putlucht. Dit wordt een schrijnende geschiedenis, zonder weemoed.
Bij Jan Brokkens verhaal Afscheid van Boedapest, in De weemoed van de reiziger (2025), schoot ik rechtop. Brokken introduceert in de eerste regel de dochter van een vrouw die erg onder de indruk was van Bartók Béla. Over die componist gaat zijn verhaal dan natuurlijk, en ook over die moeder, Lili Ránki, maar mij gaat het nu om die dochter, Judit Gera. Dat zal toch niet? Het zal toch wel.
Aan het einde van het verhaal schrijft Brokken: ”Lili was altijd op hartstochtelijke wijze politiek betrokken geweest. Ze fulmineerde tegen de eeuwige terugkeer van bedorven of compleet verrotte types in de Hongaarse politiek. Haar dochter spoorde ze aan Hongarije te verlaten.” Maar die deed dat niet. In 1990 was zij mijn collega. Daarna promoveerde zij op Van Eeden, vertaalde Nederlandse klassiekers in het Hongaars en werd hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Budapest. Ze werd ook nog Ridder van Oranje-Nassau en ontving de Martinus Nijhoffprijs. Nou ja, een hele staat van dienst. Maar toen was ik haar al lang uit het oog verloren.
En nu? Brokken vraagt aan het eind van het verhaal waarom zij de raad van haar moeder niet had opgevolgd en in Hongarije was gebleven. ”’Tot mijn grote spijt,’ zegt ze nu, met de bitterheid van een zeventigjarige die tot de slotsom komt dat ze eens een prachtkans heeft laten liggen.” Bitter? Hoezo, na al dat eerbetoon?
De geschiedenis van Hongarije is complex en het vergt een boek of wat om helder te krijgen wat ik daar toen deed aan de Eötvös Loránd Universiteit. Ik was daar in verband met een Europees ‘uitwisselingsproject’ en voor vanochtend moet maar even volstaan dat in 1990 voor het eerst vrije verkiezingen in Hongarije werden gehouden en dat de ster van Viktor Orbán toen net rees binnen de Fiatal Demokráták Szövetsége, de Fidesz.
Hoe het nu met de vrijheid in dat land aan de Donau gesteld is kan iedereen weten die de krant wel eens leest. Maar toen, in dat academische milieu waarin ik verkeerde, wilde iedereen van mij weten wat dat was: democratie. Hoe werkte democratie? En ik maar lullen over de bezetting van het Maagdenhuis, waarmee student en arbeider meenden de brug naar de vrijheid geopend te hebben. En niet alleen de academische. Pff, al die gedoctoreerden daar hadden maatschappelijk gezien nog niet het aanzien van een eenvoudige straatveger. Nou ja, qua salaris in elk geval en hun geïnformeerdheid betrof toch uitsluitend hun vakgebied. Waarin ze dan weer wel jaloersmakend geletterd waren. Ik leek wel van een andere planeet te komen, zei Judit mij eens na zo’n avondje bij haar thuis met veel kolbász, pálinka en wodka.
’Es muss sein’. Daarmee besluit Brokken zijn relaas over Bartók en diens verkozen ballingschap in Amerika. Dat antwoord gaf Bartók namelijk op de vraag of hij het niet verschrikkelijk vond Magyarország te verlaten. Dat antwoord gaf Judit Gera’ s moeder ook, desgevraagd. Dat antwoord geeft zij misschien zelf, suggereert Brokken. Dat mag de gelaten slotsom zijn om de kronkelwegen van het leven enigszins te accepteren, bitter is zij wel. Aanvaarden is weer iets anders. Er is altijd een keuze, anders zou je steeds maar weer dezelfde steen tegen dezelfde berg op moeten duwen.
Het is gemakkelijker uit te leggen dat de Pijlkruisers heus geen lieverdjes waren, of tegen Wilders te fulmineren dat hij aan het vriendschappelijk geschurk met Orbán echt verkeerd doet, en dat die vriendschap geenszins het democratisch belang van de Europese Unie tot voordeel strekt, dan mijn eigen levensloop van verleden naar heden in kaart te brengen. Of hoe ik van de wodka geraakte.
Sail Out 2025: de Franse bark Belem (1896) zet koers naar IJmuiden
In afwachting van het uitvaren van de tall ships die Sail 2025 in Amsterdam hadden bezocht hadden we een plekje langs het Noordzeekanaal gevonden. We dachten vroeg te zijn; anderen waren vroeger. Er was een druk getelefoneer: hoe laat precies zou de eerste bij Nauerna zijn? Er waren er die daar niet op wilden wachten. Wij hadden alle tijd.
Op de website van Sail zocht ik gegevens over de schepen: bouw en afmetingen, tuigage, geschiedenis, herkomst. Er was genoeg om mij lang over te verbazen. De Dar Młodzieży was nu vertrokken, hoorden we, ik zocht op hoe dat schip er uit zag. Zouden we die als eerste zien? Wat betekende die naam? En, hoe zouden die Polen dat bedoeld hebben, Gift van de jeugd?
Naast ons had zich een gezin geposteerd. Gevestigd is misschien een beter woord. De moeder maakte de kinderen duidelijk waar de grenzen van hun territorium op hielden. De oma droeg zorg voor de victualiën. Niemand kon ooit iets te kort komen. Het oudste jongetje verkende de grenzen van hun koninkrijk door met een stok in het water te roeren. Territoriale wateren. Daar werd het diffuus. Er dreven eenden, krakeenden, en verderop stonden aalscholvers in de zon hun vleugels te drogen, wel twintig. Maar de moeder had vrees voor het water en riep hem met schelle stem terug. “Noah, hier komen!”. Mijn vrouw onderdrukte mijn opkomend schateren met een por. Dat was niet om te lachen. Maar de ark van Noach zou zekerlijk niet voorbijkomen, die stond niet op mijn lijstje.
Zouden moeder en kind het verhaal kennen? En zouden zij de aanschaf van een boot, een gróte boot, in deze tijden van zeespiegelstijging en onverwachte hoosbuien geen goede investering vinden? Praktischer misschien zelfs dan die van de Poolse eigenaren van de Dar Młodzieży. Of die van de Omaanse Shabab Oman II? Ach, al die verhalen die achter die schepen zitten, hun geschiedenis en de geschiedenis waarvan zij deel uitmaakten. De Nao Santa Maria bijvoorbeeld, dacht ik. Nou ja, de replica daarvan. Dat was het verhaal van Columbus en het jaar was 1492. Wat er nadien allemaal gebeurde! Maar misschien moeten we Amerika inderdaad opnieuw ontdekken.
De Dar Młodzieży was inmiddels voorbijgekomen, de Shabab Oman II ook. Ze waren imposant, zeker. Ze gleden traag door het laagland. Met de verrekijker zag ik de matrozen bedrijvig hun schip gereedmaken voor het uitvaren bij IJmuiden. Daar mondt het IJ inderdaad in de Noordzee uit.
En hoog daarboven zeilden de wolken. Statiger nog. Soeverein. Af en toe hielden ze het zonlicht tegen. Tegenlicht. Het water glinsterde maar terwijl die schepen hun weg zochten. “Ze hebben het geruis uit de zilverfabriek van de zee gehoord”, viel mij in toen wij opbraken. Die dichtregel uit een gedicht van Herman De Coninck verbond het water, de wolken, het licht en de schepen. Al zullen water, wolken en licht er langer zijn.
Het Schip van Staat dobbert wat onbeholpen rond in de Haagse Hofvijver. De navigator hield het voor gezien toen hij erachter kwam dat er de hele reis alleen maar rondjes rechtsom om het eiland werden gevaren. Nu ja, een vijver is geen wereldzee, wat moet je anders?. Er kletterden ook nog wat bemanningsleden uit de ra’s. Het scheepje ligt wrak en ’t lijkt gedaan met het avontuur. De gezagvoerder zoekt cadetten maar het is maar helemaal de vraag of het zeegat zal worden gevonden.
Het is verbazingwekkend hoe dwingend een metafoor kan uitpakken.Dit had ik niet voorzien toen ik woensdag te mijmeren begon over een piratenschip. Op de zandgronden nota bene, waar je de mensen moet uitleggen waar een roeispaan toe dient.
Sail 2025 loopt vandaag ten einde. Dat van die straaljagers hebben we uit de krant moeten vernemen. Het kabaal moet oorverdovend zijn geweest. Het publiek vreesde gewapende overname van dit land door een buitenlandse mogendheid maar het was louter ter opluistering van het feest. En, verzekerde de ketelbink van dienst, het waren ‘onze jongens en meisjes’ die daar vlogen. Jongens en meisjes van Jan de Wit, vast wel.
Af en toe horen we hier op ons balkon een scheepstoeter. Dat geluid draagt ver, helemaal van over het IJ tot deze stille parkrand. Ik weet niet waarom ze zo toeten. Ships that pass in the night.
We zijn echt wel even wezen kijken. Voor een etentje waren we uitgenodigd op het Java-eiland, recht tegenover het Oostveer. Daar was het een drukte van belang met al die bootjes. Daarop waren veel dronken mensen, die rare liedjes zongen. Achter, bij de Brantasgracht lag de BAP Union aangemeerd. Dan ben je maar klein als je langs de masten omhoog kijkt. En glimmen dat alles deed! Ik wilde wel even naar de voorsteven lopen om het veelgeroemde boegbeeld met eigen ogen te zien maar door het gedrang was er geen doorkomen aan. De Peruaanse ziel was even onbereikbaar. Maar dat was Tupac Yupanqui, die goddelijke Incakeizer, ook al.
Vanmiddag gaan we langs het Noordzeekanaal fietsen, om op een rustig plekje aan de dijk te zien hoe die schepen de stad weer verlaten en het zeegat achter de sluizen van IJmuiden zoeken. Zij wel.
De stad is vol drukte: Sail 2025. Bij de vorige editie kwamen daar meer dan twee miljoen mensen op af, dit jaar misschien nog wel meer want Amsterdam is ook nog jarig. Aan superlatieven geen gebrek bij de berichtgeving daarover. Daar word ik zenuwachtig van. Voor mensenmassa’s heb ik de verkeerde tuigage.
Uit aardigheid begon ik afgelopen week te inventariseren welke schrijvers zich met de zeilvaart hadden ingelaten. Het fregatschip Johanna Maria kwam het eerst voorbijzeilen, maar verder waren al die schrijvers vooral landrotten. Van Schendel ook, terwijl die er toch zo mooi over had geschreven. Van die roman had ik vooral onthouden dat aan het eind de hoofdpersoon uit het want klettert. Dit klopte. Het was aan de Dijksgracht, om de hoek van het Scheepvaartmuseum. Maar dat had Van Schendel natuurlijk bij elkaar gefantaseerd want hij zat zelf lekker in een mediterraan zonnetje dat verhaal over de teloorgang van de zeilvaart te typen, pijp in de brand.
Slauerhoff dan? Die had tenminste wel zelf gevaren. Maar toen ik weer begon aan Het boegbeeld: de ziel stond mij de pathetiek al snel tegen. En toen ik mij liet verleiden weer eens op te zoeken wat daar allemaal over geschreven is liet ik het er maar bij. “Gebeeldhouwd voor den boeg den scheepsromp achter mij te moeten volgen”. Tja, ’t mocht wat, voor je er erg in hebt zit je gevangen in je eigen beeldspraak. Ik wilde leunen op de wind.
Met de kleinkinderen waren wij gisteren in een grote speeltuin. Omdat ik de klandizie van deze uitspanning nóch wil bevorderen nóch wil ontmoedigen, ’t was daar al allemachtig druk, houd ik het er maar op dat het ergens op de zandgronden was, in elk geval ver van zee. Zoals in veel van die gelegenheden bevond zich daar een piratenschip, vraag mij niet waarom. Zelf in het want klimmen mochten de kinderen niet. De foto geeft misschien een verkeerd beeld; wat uit de ra bungelt is een pop. Levensecht, maar toch een pop. De kinderen hadden ook geen belangstelling.
Terwijl zij druk doende waren alle andere speeltoestellen op hun bruikbaarheid uit te proberen had ik onbekommerd gelegenheid eens rond te kuieren. Dat bracht gedachten op gang. Is onze hele wereld niet één groot pretpark, zo dacht ik: deze speeltuin, Sail 2025, de Haagse politiek, het geopolitieke circus? Ik kreeg al aardigheid in het uitwerken van mijn beeldspraak (de achtbaan was een makkie, de zweefmolen ook, het verkeerspark waar al die kinderen niet onverdienstelijk rondjes reden in hun trapautootjes een inkoppertje, maar wie tuimelde nou uit de ra?) toen de oudste van de twee hinkend naar ons toe gestrompeld kwam. De stem die zij daarbij opzette, verontrustte niet alleen ons. Ze was in de Apenkooi met haar knie tegen een buis opgeknald. Het deed zeer. Het deed zéér zeer. De hele speeltuin wist nu hoezeer zeer.
Toen zijn we maar naar huis gereden, ze wilde het liefst naar haar eigen moeder. Snel thuiskomen was er niet bij, dit in verband met door ongelukken veroorzaakte files. Dit in verband met wegpiraterij. Maar dat alle wegen naar de hoofdstad vol stonden, kon natuurlijk ook komen door de overweldigende belangstelling voor Sail. Zie over al deze woelige indrukken maar eens iets zinnigs te schrijven zonder te verdwalen op de levenszee.
Beeldspraak is niks gedaan. Met onze kleindochter gaat het gelukkig wel weer goed.
Het lukte gisteravond maar met moeite de hele uitzending van Zomergasten van afgelopen zondag uit te kijken. Dat lag niet aan Uğur Ümit Üngör die met filmfragmenten probeerde te laten zien wat hij te weten was gekomen over genocide. De mechanismen ervan zijn gewoon te gruwelijk, de beelden waren te indringend. Doordat hij zijn kennis niet vanaf een academisch katheder met ons deelde maar in een korte broek, voeten in een zandbak, kwam het alleen maar dichterbij. Werd het onontkoombaarder. Zo zijn wij. Of zo laten wij het gebeuren.
Gaza. Natuurlijk Gaza, daarvan wil iedereen weten of je dat genocide mag noemen. Maar ook al die andere genocides waar we weet van hebben. En ja, die industriële uitroeiing van de joden, de Holocaust, is het absolute dieptepunt. Dieper in de helleput lijkt de mensheid niet te kunnen zinken. Of je wat Israël nu de Palestijnen aandoet ‘genocide’ noemt is niet het punt. Zie de uitzending waarom de hoogleraar dat vindt.
Üngör besloot de avond met een fragment uit de documentaire Love in the face of Genocide (Evîn Di Rûyê Qirkirinê De, Sêro Hindê (2020); de muziek van Mehmûd Berazi is ook op Spotify te vinden). Wie weet nog van de Jezidi’s? Ja, in 2014/2015 kregen zij even mondiale aandacht, toen IS de regio Sinjar in Irak bezetten en de Jezidi’s begonnen uit te moorden. De aandacht verschoof al rap naar IS. En hoe die heldhaftig te verslaan. Maar de Jezidi’s zelf? Of hun lot?
Üngör liet dit laatste fragment zien als een voorbeeld wat er ná volkerenmoord kan gebeuren. ‘Verwerking’ is een te belachelijke term. ‘Vertroosting’ ook. Jezidi’s realiseren zich maar al te goed hoe geschiedschrijvers met hun ‘geval’ omgaan. Het is immers in hun geschiedenis al de 74e keer dat geprobeerd is hen uit te roeien. Daarvoor is geen aandacht meer. Hun herinnering aan de gruwelen houden zij levend door de verhalen te laten zingen. In die liederen wordt bezongen wat er met hun geliefden is gebeurd. Eén zo’n weeklacht wordt getoond. En dat gaat door merg en been.
Hoe Üngör het klaar speelt zich zó in dit zwartste onderwerp te verdiepen, er blijvend aandacht voor te vragen en er over te publiceren, mag een wonder van medemenselijkheid heten. Het laat hem ook niet onaangedaan blijkt uit zijn ogen, het trillen van zijn handen. ‘Wat wil hij de kijker nog meegeven?’ Maar daar ging het toch de hele avond al over?
“Bekommer je om het leed dat anderen wordt aangedaan,” zegt hij dan, “en niet alleen om je eigen leed.”
Nina Simone | Summer of Soul | Harlem Cultural Festival, augustus 1969
I ain’t got no
I ain’t got no home Ain’t got no shoes Ain’t got no money Ain’t got no class
Ain’t got no skirts Ain’t got no sweaters Ain’t got no bed Ain’t got no bed Ain’t got no mind
Ain’t got no mother Ain’t got no culture Ain’t got no friends Ain’t got no schooling Ain’t got no name Ain’t got no love
Ain’t got no ticket Ain’t got no token Ain’t got no God
Then what have I got Why am I alive anyway? Yeah, what have I got Nobody can take away
I got my hair, got my head Got my brains, got my ears Got my eyes, got my nose Got my mouth I got my smile
I got my tongue, got my chin Got my neck, got my boobies Got my heart, got my soul Got my back I got my sex
I got my arms, got my hands Got my fingers, got my legs Got my feet, got my toes Got my liver Got my blood
I’ve got life I’ve got lives I’ve got headaches, and toothaches And bad times too like you
I got my hair, got my head Got my brains, got my ears Got my eyes, got my nose Got my mouth I got my smile, yeah
I got my tongue, got my chin Got my neck, got my boobies Got my heart, got my soul Got my back I got my sex
I got my arms, got my hands Got my fingers, got my legs Got my feet, got my toes Got my liver Got my blood
I’ve got life I’ve got my freedom I’ve got life!
I’ve got life, I’m gonna keep it I’ve got life, I’m gonna save it I’ve got life
Nina Simone | James Rado, Gerome Ragni, Galt MacDermot
_____
Opm.
Zo kaal en uitgekleed lijkt dit wel een tekst uit een of ander Zenboek. Niks meer over zeggen.
(Want dan moet ik het weer aankleden met muziek- en cultuurhistorische prietpraat over Hair (1968), Harlem Cultural Festival (1969), Woodstock (1969), het leven en werk van Nina Simone (1933-2003), het prijskaartje van Lowlands (1993-2025) dat ooit begon als A Flight to Lowlands Paradise (1967). Geen beginnen aan.
Dit werd mij duidelijk nadat we dit weekend de documentaire Summer of Soul (Ahmir “Questlove” Thomson, 2021) hadden bekeken. En gisteravond halverwege de uitzending van Zomergasten de tv maar uitgezet hadden, niet uit verveling maar omdat de beelden die Ugur Ümit Üngör met ons wilde delen zo moedeloos makend waren. Hij is hoogleraar Holocaust- en Genocidestudies, is het niet bizar dat zo’n leerstoel bestaat?