Nu de sneeuw al weer weg is zie je weer hoeveel zilverreigers er wel niet in dit land zijn. Is dit goed of slecht nieuws?
Soms lijken het er wel meer te zijn dan blauwe reigers. In de jaren ’90 was dit onvoorstelbaar. Maar er is wel meer onvoorstelbaar in deze wereld. Als je beter kijkt, had je het misschien eerder kunnen zien aankomen.
Sovon veronderstelt dat twee factoren vooral van belang zijn voor het ‘succes’ van deze reigersoort: de klimaatverandering en het moerasbeheer, in het bijzonder in de Oostvaardersplassen. Voor de eerste zijn we wel verantwoordelijk maar we kunnen er weinig concreets aan doen om de schade te beperken, althans niet op korte termijn. Hadden we in Belém maar beter ons best moeten doen. Er zullen zich wel meer soorten gaan vestigen die onze streken nu nog onaantrekkelijk vinden. Met de krokodillen zal het overigens wel niet zo’n vaart lopen.
Bij weloverwogen waterbeheer is al op heel korte termijn effect te zien. Maar ja, de een ziet liever het ene effect en de ander het andere. Aan het welzijn van bijvoorbeeld de grutto kun je aflezen hoe eigenbelangelijkheid het ‘succes’ van die soort beïnvloedt.
Het verhaal is bekend. Het was de hoedjesmode aan het einde van de 19e eeuw die enkele invloedrijkere dames de wenkbrauwen deed fronsen: moesten die veren van de zilverreiger daar nu echt op? Hoeveel reigers waren er wel niet nodig voor één hoed? Die geschiedenis is boeiend genoeg. Samengevat: er kwam gelukkig wetgeving. Voor gekke hoedjes moet je de derde dinsdag van september in Den Haag zijn en bij mijn weten worden daar geen vogels voor geslacht, althans de laatste decennia niet. Toch kan ik mij maar moeilijk aan de indruk onttrekken dat men zich er daar meer om bekommert of het hoedje wel goed zit dan om wat er door onze landerijen en moerassen rondstapt of -sluipt.
Afgelopen vrijdag vergeleek de oprichter van de Correspondent, Rob Wijnberg, in een column de huidige president van de Verenigde Staten van Amerika, Donald J. Trump, met de voormalige Rijkskanselier van het Derde Rijk, Adolf Hitler. Dat is nogal ongebruikelijk. Ik bedoel niet de vergelijking maar wel dat de hoofdredacteur zijn standpunt zo fel uitdraagt.
Of Trump dat stuk te lezen krijgt weet ik niet. Voor de zekerheid deel ik maar even de link:
Met Google Translate moet hier toch uit te komen zijn. En anders kan iemand hem dit voorlezen. Want of Trump zelf leest weet ik niet.
Als – ie even tijd kan vrijmaken, tenminste. Als je zo in je spel opgaat vergeet je natuurlijk de wereld. Misschien kan iemand hem ook uitleggen wie die Adolf Hitler ook al weer was.
László Krasznahorkai, De melancholie van het verzet (1989)
Het was of de duvel gistermiddag met mij wilde dansen. Ik was ruimschoots op tijd voor mijn wekelijkse koffie-afspraak met de Syrische vluchteling die ik wegwijs probeer te maken in het Nederlands toen ik er bij de IJ-pont achter kwam dat hij mij intussen had gewhatsappt dat – ie verstek moest laten gaan wegens oplopende snotterigheid. Dan maar even doorgefietst naar Scheltema, besloot ik, om te zien wat daar van László Krasznahorkai in vertaling te verkrijgen was. Béla Tarr’s beelden van Sátántangó (het boek is van 1985, de film van 1994; Tarr en Krasznahorkai werkten heel veel samen) dwarrelden mij nog voor ogen. Het regende. Nu ja, na een week van sneeuwige kledderzooi was het gaan regenen. Het mocht ook dooi heten.
Op de pont schuilde ik huiverend onder de brug. Een jonge vrouw wrong zich tussen de fietsers naar het voordek, een geplastificeerd A-viertje voor zich uit strekkend: Jesus loves you. Haar beate glimlach verried haar verdere bedoelingen. Toen zij geen aanspraak kreeg hield zij haar boodschap omhoog naar het IJ, ofschoon er geen andere schepen voeren vanwaaraf dit bericht gelezen zou kunnen worden. Misschien ook verwachtte zij dat de Verlosser zelf over het water lopend haar blijdschap zou komen bevestigen.
Bij Scheltema was een klein hoekje op een tafel voor Krasznahorkai ingericht. Het portret van de auteur was erboven geplaatst, pontificaal, bijna een zerk, alsof niet Béla Tarr maar hij naar een andere wereld was afgereisd. Oorlog en oorlog (2022) liet ik wachten tot een andere keer, voor nu even te veel oorlog. Maar De melancholie van het verzet (1989) wenkte onweerstaanbaar. Het is nu eenmaal zo dat ik mij in melancholie beter tot deze absurde wereld verhoud dan in naïeve devotie.
Terwijl ik mij verbaasde over de Van Ostaijen-aandoende achterflap dacht ik aan Mari Alföldy. Die heb ik ontmoet, mijmerde ik, vaak zelfs. Zij studeerde ook in Groningen toen ik Hongaars als bijvak deed. En zij sloeg later aan ’t vertalen, talloze Hongaarse schrijvers vertaalde zij die hier vanwege de nogal ontoegankelijke taal volstrekt onbekend waren. Daaronder dus alle boeken van Krasznahorkai. Haar vertalingen worden zeer geprezen. Zo niet te eniger tijd met die van Nobel dan toch wel met de Nijhoffprijs.
In die tijd, toen Mari nog geen faam als vertaalster had gemaakt, verdiepte ik mij in de Hongaarse volksmuziek. Zij wist mij de geheimen van de herlevende Táncház te ontsluieren, kende de achtergronden, doorgrondde de code en de gebruiken, begreep hoe Hongaarse jongeren zich door de muziek eind jaren ’70 uit de naargeestige beklemming van een zich dood marcherend ideologisch experiment konden bevrijden en zichzelf daarin konden uitvinden. Met patriottisme had dit niets van doen. Orbán begon pas later vals te zingen.
Mari tolkte levendig als Muzsikás Együttes weer eens in Nederland was, in Stad, dan wel in Warffum bij Op Roalkeldais. Of Kolinda Együttes, tot mijn onuitsprekelijke vreugde. Szerelem zongen die op de langspeelplaat die ik had weten te bemachtigen, in Hongarije zelf was die niet verkrijgbaar. Ik draaide die grijs. In een meerstemmige versie met een onpeilbare droef- en schoonheid: ‘Szerelem, Szerelem, átkozott gyötrelem’, liefde, liefde, vervloekte pijn. Dát was het verzet.
Nog weer veel later ontmoette ik haar nog zo maar eens toevallig in Budapest. Daar kende zij de weg en wist ook de onduidelijke gelegenheid te vinden waar een Táncház werd georganiseerd. Sátántangó had ze toen nog niet vertaald en Tarr had die roman nog niet verfilmd. Nagyon jól éreztük magunkat, we hadden veel lol samen.
Die wonderwarme avond kwam weer even boven borrelen toen ik door de verkleumende stad naar huis fietste. De regen was weer natte sneeuw geworden. Het deerde niet. In het Noorderpark zag ik hoe de narcisjes zich al geel boven de oude en de nieuwe sneeuw naar de hemel uitstrekten. Van Ostaijen is toch ook al meer dan een eeuw dood, viel mij in. En wat voor een eeuw. En wat voor een circus.
In de openingsscène van de film Sátántangó sjokken koeien door de prut. Het moet heel vroeg zijn, de wereld is nog kleurloos. Mensen komen niet in beeld, die koeien lijken doel en weg te weten. Of niet, af en toe keert een om. De gebouwen waar zij langs komen zijn van een mistroostig stemmende functionaliteit. Liefdeloos, haveloos. De modder zuigt. Dat is het enige geluid: het zuigen van die modder als zo’n koe haar poot eruit trekt. Na een minuut of tien realiseer je je dat de film zwart-wit is; dat zal – ie 7 uur blijven.
Afgelopen dinsdag overleed Béla Tarr (1955-2025). Allerwegen wordt breed uitgemeten wat zijn betekenis voor de cinematografie was. Ik recenseer geen films. Ik kan alleen maar zeggen dat ik zeven uur steeds stiller wordend naar Sátántangó heb zitten kijken. En naar de andere acht films van Tarr. Mijn bespreking houd ik kort: in Het paard van Turijn (A torinói ló / The Turin Horse, 2011) onderzoekt Tarr wat er met het paard gebeurde nadat Friedrich Nietzsche dat dier op 3 januari 1889 in Turijn om de hals vloog omdat hij niet kon aanzien dat de eigenaar het beest afranselde. Vermoedelijk is dat verhaal apocrief maar Nietzsche’s geestelijke ineenstorting was wel een feit. En dat net nadat hij God dood had verklaard. Wat nu?
Het einde van de wereld breekt niet aan omdat God zulks behaagde (een dooie God?!) maar omdat de mens het verkloot heeft, lijkt Tarr te zeggen. Of misschien toch beide als God niet helemaal dood is. Interpreten bakkeleien daar nog steeds over. Tja, als je er de filosofie bij haalt, of de theologie, of de politiek, dan ben je nog wel even bezig.
In het land dat Tarr laat zien heb ik zelf rondgereisd. Ik heb er zelfs gewoond. Ofschoon ik wat Hongaars heb leren spreken kan ik niet zeggen dat dat hielp de mensen te begrijpen. Kennis van het land en haar geschiedenis dan? Hmmm, matig. Maar deze ervaring kwam boven drijven:
Ergens in de vroege jaren ’80 fietste ik met mijn lief van toen in het oosten van Hongarije, tegen de Russische grens aan. Oekraïne was toen nog de Oekraïne. De zegeningen van het communisme drukten zwaar boven het land. Het geval wilde dat ik in die verlatenheid iets met mijn fiets kreeg: een remkabel brak. Wat te doen?
Een fietsenmaker was er allicht niet, maar die kolchoz daar had toch wel zeker een werkplaats? De boel lag er verlaten bij, een kettinghond sloeg aan. Achter een openstaande deur klonken wat hamerslagen. ‘Hallo?’ Een man verscheen. In ons gebrekkig Hongaars legden wij onze nood uit. Hij bleef maar niets zeggen. En naar onze fietsen kijken. Die zag je daar niet zo.
Toen blies hij op z’n vingers. Van overal kwamen opeens mannen vandaan, zeker twintig. Ze dromden om ons heen, raakten de fiets aan, de tassen die daar aan hingen. Er werd gelachen en we voelden ons geenszins bedreigd. Zouden ze ons nog helpen?
Iemand kwam met een kratje aanzetten. En daarin bier. Er kwam meer kratjes, en meer bier. Het was ochtendkoffietijd maar om ons heen zat de hele kolchoz te toosten en te kletsen. Iemand moet de fietsen de werkplaats binnen hebben gebracht. En wij maar vertellen, over het leven in ‘Het Westen’. Net twintig waren we. Aan het einde van de middag reden we het pad weer af. De remmen deden het weer.
Nog voor ik de film Sátántangó in de bioscoop had gezien kende ik daar een fragment van. Een goede ziel uit een of ander land had het Salve Regina van Arvo Pärt daaronder gezet. Dat harmonieerde wonderwel.
Ik vermoed dat Tarr het misschien maar niks vind misschien maar dan had hij die film maar niet Sátántangó moeten noemen. Wellicht vond hij Pärt een gelovig dwaallicht. Ik wil hem hiermee vanochtend alleen maar even eren. En Tarr heeft daar niks meer over te zeggen. Over de geloofwaardigheid van een duivel die zou bestaan doe ik ook geen uitspraken.
‘Minder wreedheid’, zou de Amerikaanse filosoof Richard Rorty hebben geantwoord op de vraag wat hij de mensheid ten diepste en het meeste toewenste. Het schoot de laatste dagen steeds door mij heen, ik herinnerde me dit ooit eens opgekrabbeld te hebben, (Less cruelty! Rorty! ), had me ooit voorgenomen eens uitzoeken in welke context Rorty dit zei, uit welke overwegingen en langs welke gedachtelijnen dit voortkwam. Vanmorgen vroeg vond ik het krabbeltje terug, het stak uit Varlam Sjalamov’s verhalenbundel Kolyma; verhalen uit de Goelag Archipel (1982).
Sneeuw jaagt langs de straten, vlokken kleven aan de ramen, de parkrand is nog nauwelijks zichtbaar, geen mens waagt zich buiten. Ja toch, een enkeling durft het aan, moeizaam vorderend, gebogen tegen de gure wind, fiets aan de hand. Het voorwiel glijdt steeds weg. Geen doorkomen aan.
Ik kan heel nauwkeurig duiden waarom ik juist in Sjalamov vond wat ik vanmorgen zocht. Maar het vergt een boek om dat uit te leggen, een eeuw om dat te schrijven, vermoedelijk nog ettelijke meer om dat te begrijpen. Ik volsta er nu maar even mee dat Lisa Weeda’s verhaal over haar grootmoeder (Aleksandra, 2021) de aanzet gaf. De gruwelen die in de jaren dertig werden begaan in dat deel van Europa dat door een andere Amerikaan, Timothy Snyder, Bloodlands heeft genoemd. De holodomor. De waanzin van de nazi’s die daarop volgde. De repressie van alle jaren daarvoor en daarna. Solzjenitsyn’s documentatie Goelag Archipel, die pas in de jaren ’70 het Westen bereikte. Al die beschrijvingen van onvoorstelbaar leed. Vasili Grossman. Primo Levi. Imre Kertész. Al die anderen. Over Auschwitz. Over Sobibor. Maar vooral Sjalamov. Over Kolyma. Dat is geen plaats. Dat is de gesteldheid van ultieme wreedheid.
In het verhaal Een “makkie” beschrijft Sjalamov hoe hij eens als taak kreeg de naalden van een dwergden te verzamelen, de stlanik. Volgens de raadselachtigheid van sovjetwetenschap kon daar vitamine C uit worden gewonnen. Ofschoon daar geen enkel bewijs voor was gold de Moskouse doctrine dat het extract dat uit de naalden werd gebrouwen in die omstandigheden levensreddend zou zijn. Iedereen doorzag het bedrog maar toch was het verzamelen van die dennennaalden in de sneeuwwoestenij als een zegen te verkiezen boven het moeten afdalen in de ijskoude mijnschachten om daar goud te delven. Eigenlijk was dat vakantie. Ook al kreeg je na een dag ploeteren in de sneeuw alleen waterige soep: “Voor licht werk als dit kreeg je alleen soep.”
Ik herlas het verhaal, rillend. Maar dat ik het weer opzocht was vooral omdat ik mij herinnerde dat Sjalamov nog meer over die den vermeldt. Die stlanik voorspelde het weer. Als niets er nog op wees ging hij liggen. Dan kwam er sneeuw en grotere narigheid. Als hij zich in de oneindige poolwinter opeens oprichtte was er lente op komst. De bergroos, ‘de enige bloem hier die ook als bloem rook’, zou dan spoedig verschijnen in die arctische leegte.
Sjalamov zal niet zonder opzet zijn schetsen over Kolyma met dit verhaal zijn begonnen. En al helemaal niet om te suggereren dat achter de wolken de zon schijnt. Van mensen verwachtte hij niets meer, niet veel tenminste, en als je zijn verhalen leest ontzinkt je de moed dat wel te doen. Hoe hij in zichzelf veerkracht vond om na 17 jaar mensontering dit op te tekenen, en waarom, is bijkans onbevattelijk.
Op de radio hoor ik berichten over gestrande reizigers. Er is iets met de-icing fuel. Er is veel leed, begrijp ik. Treinverkeer komt niet op gang. In Kramatorsk sneeuwt het aanhoudend, de temperaturen dalen de komende week tot ver onder nul. In het Moskouse Kremlin blijft het grimmig stil. Trump bespreekt ijzig de optie zich Greenland gewapenderhand toe te eigenen.
Jagende kerkuil | foto Ron Dudley, Feathered Photography
Battus / Hugo Brandt Corstius analyseert ergens in zijn Opperlandse taal- en letterkunde het woord abonnee als niet goed geboren. Je moet het slecht met jezelf getroffen hebben zo je je middels kranten en tijdschriften op de hoogte zou willen stellen van de wereld om je heen, is de redenering. Er deugt iets niet aan die woorduitlegkunde en ik zou het precies terug willen lezen maar kan het boek niet vinden. Beroerd word ik van de wereld.
Een jaar lang heb ik Poetin bestookt met brieven nadat hij zijn legers op 24 februari 2022 opdracht gaf Oekraïne onder de voet te lopen. En erger. Dat jaar heb ik ook alles gelezen wat ik over de Oekraïners, Oekraïne en dat deel van de wereld te pakken kon krijgen. Vanaf de stichting van Kyyiv tot aan de boeken van Svetlana Alexijevitsj. En ook nog die van Vasili Grossman. Beroerd werd ik ervan. Alexijevitsj interviewt een meisje dat zich voor het leger had aangemeld: “Ik hoop dat ik mijn achttiende verjaardag nog kan vieren.” Oneindig veel wreedheid, Boetsja in kwadraten, enzovoort. Maar dit zinnetje. Deze levensverwachting.
Ik hield ermee op, liet het boek van Lisa Weeda over haar grootmoeder (Aleksandra, 2021) ongelezen in de kast. Zondag ben ik er toch in begonnen. Gistermiddag ook, de schemer zette in toen ik het uit had. Een groot sneeuwen begon. Er kwam een vreemd licht over de wereld en alles werd zeer stil. De uilen gingen jagen.
Ik zag Konvooi, met Tommy Wieringa en Jaap Scholten, ik zag in een andere reportage een fotografe uit Bakkeveen (28) die doende was de hel in Kramatorsk te documenteren. De achterblijvers. De geluiden van een naderend leger. Ik zag de kindertekeningen in de flat waarin zij bivakkeert, het gezin zit al bijna vier jaar ergens in Nederland.
Ik hoor en lees kromme redeneringen van politici, niet alleen of noodzakelijk Nederlandse, die bij het vak Geschiedenis niet hebben opgelet bij het hoofdstuk Macht boven Recht of wier eigen ervaring kolossale kansen voorspelt in de nieuw ontstane situaties
Ik volg allerlei nieuws dit weekend met Donald Trump als epicentrum van alle aardschokken die zich op alle halfronden voordoen. Over de beëindiging van de ellende in Oekraïne hoor ik hem niet. Van alle verwaten uitspraken blijft deze hangen: ‘We need Greenland’. In Groenland is het zeer koud. Al wordt het ook daar geleidelijk warmer.
Ik zie de beelden van Palestijnen in tenten. Die wapperen in de striemende wind, tentdoek kiert en scheurt. Het regent en waait als een oordeel.
Ik voel mij het witte hert dat op de doek is geborduurd dat Lisa Weeda van haar grootmoeder naar haar geboortegrond terug moet brengen. Er steekt een pijl uit het lijf van het witte hert, ik voel hem steken in mijn eigen zij en ik kan er niet bij. Hoe die daar gekomen is, en wanneer, weet ik niet. Alles is zeer vreemd.
Stiller dan de nacht zweeft een kerkuil het bos in – om er te krijsen
De man roept oe-hoe-hoe-hoeoeoeoe! De vrouw antwoordt vrijwel direct met ke – wik! ke – wik! En dat gaat dan zo de nacht door.
Een nachtelijk bos zonder een bosuilenpaartje is een verzameling van boomstammen, pas mét de bosuilen wordt het een feest. Vooral nu de maan nagenoeg vol is en er ook nog sneeuw ligt zijn de omstandigheden optimaal voor een kennismaking met de bosuil. Dat kan schrikken zijn want je hoort hem of haar niet aankomen. Uilen zien wel goed maar doen het meeste toch op hun bijzondere gehoor. Als je heel stil bent, kan – ie opeens opduiken. En zie je hem. Of haar. Dat is dan schrikken. Voor een bosmuisje zal hij je niet aanzien. Maar toch, het idee dat je als mens ook prooi kunt zijn
Van alle uilen, maar ook van andere vogels, broedt de bosuil het vroegst. Soms beginnen ze al in februari. Is dit roepen dan al de baltsroep? Een aftasten hoever het is? Hmmm. Ze vormen een paar voor het leven en zijn erg honkvast. Zij kennen elkaar door en door.
Gisteren stuitte ik op een artikel waarin ronkelend werd opgegeven van de mogelijkheden om AI in te zetten voor het begrijpen van ‘dierentaal’. Sinds de jaren zestig is men al bezig te begrijpen wat walvissen elkaar met hun liederen vertellen. Men hoopt nu op een ‘doorbraak’. Waarom fascineert mij dit onderzoek en ben ik daar toch niet gerust op? Omdat zij wel weten wat ze doen en de mens vaak niet?
In Het vogeljaar uit 1903 beschrijft Jac. P. Thijsse de vijf uilensoorten die dan in Nederland voorkomen en waarvan hij vindt dat je die gezien moet hebben voor je er over mee kan praten. Hoe hij de lezer van toen bos en duin, hei en veld in probeerde te kletsen is een studie waard. Zo propageerde hij het begrip ‘natuursport’, als alternatief voor andere sporten zoals voetbal die voor een groter publiek bereikbaar werden. Ach, toen stond ANWB nog voor wielrijdersbond en moest het toerisme nog worden uitgevonden. Lang niet iedereen had overigens aan het begin van de vorige eeuw een fiets.
Het Vogeljaar is het eerste complete vogelboek in Nederland. Tussen de regels door proef je Thijsse’s inspanning om over de natuur niet in termen van nuttigheid te denken. Soms doet hij dat minder verholen, zij het schoorvoetend: “Ik word altijd enigszins verlegen onder deze enghartige “nut-en-schade” overwegingen” schrijft hij, als hij de introductie van het steenuiltje in Engeland bespreekt. Die broedde daar nog niet en het publiek vond het maar niks, ‘a pest’ zeiden ze. Maar Britse wetenschappers hadden nu vastgesteld dat de steenuil zich helemaal niet aan de eieren of de jongen van pluimvee vergreep. Die at zelfs insecten. Thijsse achtte het kennelijk wel noodzakelijk die wetenschappers er maar bij te halen om de heersende vooroordelen weg te nemen.
Natuurlijk hanteren we het schadelijkheidsprincipe nog steeds. Zie de discussies over rat en bever, over wolf en vos, over de ganzen op weilanden en akkers, niet alleen bij Schiphol, over ander gevogelte dat hier grieperig alle pluimvee ‘bedreigt.’ Dit is het aloude Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral. Soit. Al ligt het ook daar vaak nogal een beetje anders dan belanghebbenden zich graag voorstellen.
Tegen een ander type stereotypering is dan weer makkelijker iets te doen. Zeg ‘uil’ en vraag hoe die er uit ziet. Geheid dat – ie op een kerkuil lijkt. Vraag die uil eens na te doen, geheid dat je dan een bosuil te horen krijgt.
Nog een proef op de som: in griezelig bedoelde scenes zul je in films die bosuil te horen krijgen, oe-hoe-hoe-hoeoeoeoe! ofschoon een kerkuil veel angstaanjagender klinkt. Moet er een uil in beeld verschenen dan is dat eerder de kerkuil dan een andere, ofschoon de kerkuil er het aaibaarst uitziet. Over de sneeuwuil in de Harry Potterfilms wou ‘k het maar niet hebben. Die hebben weer heel ander leed veroorzaakt.
Is het erg dat veel mensen het verschil niet kennen tussen de veld-, bos-, steen-, kerk- en ransuil? Of zelfs de reusachtige oehoe, die hier nu ook al sinds 1997 broedt? Misschien niet. Maar het leven is wel zoveel rijker als je dat wel kunt. Onderscheidingsvermogen leidt tot begrip. En dat weer tot verschilligheid. En daarmee komen we een stuk verder in deze wereld.
De oude Grieken associeerden de steenuil met helderheid van geest en vernoemden die kleinste der uilen daarom naar hun godin van de wijsheid, Athena. Dat was me er eentje hoor! Godin van de oorlog en vrede ineen, en nog een aantal bezigheden die de moderne tijd niet gehaald hebben. Waarom ze dat deden is mij nooit recht duidelijk geworden. Het ligt voor de hand dat dit te maken heeft met het feit dat een uil je recht aankijkt. Onverschrokken. Zo’n ontmoeting vergeet je nooit meer. ’t Was laat op een doordeweekse namiddag, ergens aan het begin van de zomer, nu dertig jaar geleden. Ik fietste argeloos langs de Noorderdijkweg naar Wieringen, ik kwam van mijn werk, in Medemblik. Bijna bij het Gat van de Dijk gerakend keek hij mij aan vanaf een rasterpaaltje achter de sloot: ‘En wat is jóuw bestaansrecht?’
Korter kan ik het niet zeggen.
Van vogels wist ik toen niet veel, maar een uil, dáár, en dan zomaar overdag? Die mij doordringend aankeek? En dat bleef doen door zijn kop helemaal mee te draaien terwijl ik freewheelend langs gleed? Toen hij zelf wegvloog van het rommelveldje maakte hij nog minder geluid dan mijn banden op de weg.
Later, veel later, kwam ik erachter dat een steenuil in de Wieringermeer net zo bijzonder is als een koekoek op zee. Steenuiltjes hebben op die monogecultiveerde akkers helemaal niks te zoeken. Een opgeruimd erf is hun een gruwel. Ze houden van vergeten schuurtjes met onduidelijke bestemming, van overal hagen met warrig onderhout. Van paardenweitjes ertussen. Hoge fruitbomen rond de hoeve. ’s Avonds hoort men er des landmans gerusten tred, de vrouw doet de luiken toe voor de nacht. Vind dat maar eens in een door en door gerationaliseerd polderlandschap.
Romantisch? Nee hoor. Steenuilen vind je overal waar de kaalslag door de ruilverkaveling nog niet heeft huisgehouden. In het oosten van dit land dus vooral, in de Achterhoek en in Twente. Daar wordt misschien de wijsheid nog bewaard dat een kleinschalig cultuurlandschap een zegen is voor de soortenrijkdom. Tegenwoordig heet zoiets een ecologisch advies en moet je daarvoor flink betalen. Maar als je gewoon kunt zien dat het goed gaat met de steenuil is dat een prima indicator dat het ook met de biodiversiteit goed gaat.
Wonderlijker wijs kom je de steenuil ook wel tegen in West-Friesland, een enclave in een verder steenuilenloos landschap. Of misschien toch niet helemaal toevallig. Uit aardigheid hebben ze daar niet overal de hoogstamboomgaarden gerooid. Ook staan er soms nog zomaar schuurtjes waarvan niemand meer weet of ze nog ergens goed voor zijn. Daar zag ik ze later wel vaker, toen ik daar op een school kwam te werken en er in een tussenuur even op uit kon gaan. En altijd dacht ik aan die eerste keer, en schoot ik zonder erg weer in de lach. Een bangert noemen ze daar zo’n boomgaard, de bongerd. Niks om bang voor te zijn.
Een antwoord op die ene vraag zoek ik nog steeds, soms. Pas de laatste tijd houd ik rekening met de mogelijkheid dat geen antwoord natuurlijk ook een antwoord is.
Ik was op zoek naar heel iets anders maar vond dit:
De blik van Wouter Helmer bij een verhaal over een beer en een boer, Mook.
Wouter was in Griekenland geweest. Hij zat daar op een berghelling en zag op de tegenoverliggende helling een beer lopen. Die beer ging naar beneden. Over hetzelfde pad kwam op dat moment een boer naar boven. De beer die naar beneden ging, de boer die naar boven ging, het leek wel een gedicht van Paul van Ostaijen. Maar net voordat zij elkaar zouden mogen begroeten, week de beer af van zijn route. Hij verdween in het kreupelhout en kwam pas weer te voorschijn toen de boer voorbij was. Beiden vervolgden zij hun weg, de beer die naar beneden ging en de boer die naar boven ging.
Wouter vond het een prachtig verhaal om te vertellen. Zijn ogen schitterden van plezier. Want die beer was wel een boer tegengekomen, maar die boer geen beer.
Zo vergaat het ons in de natuur.
(Koos van Zomeren, Alle vogels (2017))
Wie Wouter Helmer is weet ik niet. Of Wouter belezen is en zelf bij het beschrijven van een voorval tijdens zijn vakantie het Alpenjagerslied van Van Ostaijen erbij haalde weet ik dus ook niet. Van Zomeren zal het gedicht gekend hebben want anders had hij er natuurlijk niet in zijn stukje over kunnen beginnen. Ik houd hem voor belezen, al ben ik niet helemaal zeker of zijn kennis dieper steekt dan dat dat gedicht over een dalende heer en een stijgende heer gaat: weet Van Zomeren dat de beide heren precies vóór de winkel van de beroemde hoedenmakers Hinderickx en Winderickx elkaar wel degelijk begroeten? Elk met de bloedeigen hoed? En dat ieder na dit groeten de hoed weer opzet, ’t is te zeggen ieder de bloedeigen hoed op het bloedeigen hoofd? Kennelijk is Van Zomeren zich dit ook wel bewust, want anders had hij niet opgemerkt ‘Maar net voor zij elkaar zouden mogen begroeten’.
Al is het natuurlijk niet helemaal uit te sluiten dat hij, Van Zomeren dus, én Van Ostaijen, én diens Alpenjagerslied eerst leerde kennen doordien deze Wouter Helmers hem dit vertelde naar aanleiding van diens getuigenis over de beer en de boer.
Dan nu dat laatste zinnetje. Bij korte stukjes gaat het daar om. ‘Zo vergaat het ons in de natuur’, wie zegt dat? En waar slaat het precies op? Hoor ik bij die ‘ons’? Had die beer dat gedicht van Van Ostaijen moeten kennen soms?
[p.s.
Ik was op zoek naar wat Van Zomeren in de loop der tijd allemaal over de steenuil heeft geschreven, het Jaar van de Steenuil is immers begonnen? Ik ben dus nog wel even bezig.]